Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10139

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
09-777109-14 e.a.
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak.

Door woninginbraken wordt - vaak grote - materiële schade toegebrachte aan de slachtoffers. Ook worden er vaak goederen gestolen, waaraan het slachtoffer op gevoelsgronden sterk is gehecht en waarvan de affectieve waarde niet in geld kan worden uitgedrukt. De verdachte en zijn mededaders hebben zich niets gelegen laten liggen aan deze omstandigheden en alleen maar aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Bovendien wordt door een woninginbraak ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en omwonenden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

Ook bij de verduistering heeft de verdachte zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen die zijn gedrag voor het slachtoffer had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777109-14; 09/777047-14 (t.b.g.)

Datum uitspraak: 14 augustus 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte][verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 31 juli 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.J. Algera en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. N. Stolk, advocaat te Naaldwijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 april 2014 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres]) weg te nemen geld/goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen met een breekijzer (althans een scherp voorwerp) het keukenraam heeft

opengebroken en/of heeft geprobeerd open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Ter berechting wordt gevoegd de zaak onder parketnummer 09/777047-14 :

hij op of omstreeks 24 februari 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (aan het [adres]) heeft weggenomen drie laptopcomputers en/of een fotocamera en/of een hard disk en/of twee mobiele telefoons en/of een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door het forceren van een raam (met een koevoet);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 24 februari 2014 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een - ten name van[slachtoffer] gesteld - rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 februari 2014 te [plaats], in elk geval in Nederland, een - ten name van [slachtoffer] gesteld - rijbewijs heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat rijbewijs wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 februari 2014, althans in de periode van 17 tot 24 februari 2014, te [plaats] opzettelijk een - ten name van [slachtoffer] gesteld - rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 3 tot en met 17 februari 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 60 euro, althans een geldbedrag, en/of een ID-kaart en/of een portemonnee en/of een

OV-chipkaart en/of een bankpasje en/of een pasje van FFO en/of een pathé kaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 24 februari 2014 te [plaats], in elk geval in Nederland, een - ten name van [slachtoffer] gestelde - OV-chipkaart heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die OV-chipkaart wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 24 februari 2014, ten laste gelegd als feit 2, is er in de woning aan het [adres] te [plaats] ingebroken. Het raam is met een koevoet geforceerd. Diverse waardevolle goederen zijn weggenomen en worden even later door de politie in de bosjes aangetroffen. De verdachte heeft bekend bij deze inbraak betrokken te zijn geweest.

De verdachte is op 24 februari 2014 aangehouden terzake van voornoemd feit en tijdens zijn insluitingsfouillering wordt er een rijbewijs op naam van [slachtoffer] bij hem aangetroffen.

Op dezelfde dag wordt bij [medeverdachte] een ov-chipkaart op naam van [slachtoffer] aangetroffen. Volgens [medeverdachte] heeft de verdachte deze ov-chipkaart aan hem gegeven. Ter terechtzitting beaamt de verdachte dit.

De verdachte wordt verweten dat hij voornoemde goederen heeft gestolen dan wel geheeld of - alleen terzake van het rijbewijs - heeft verduisterd.

Op 18 april 2014, ten laste gelegde als feit 1, wordt er geprobeerd in te breken in een woning aan het [adres] te [plaats]. Deze inbraak mislukt omdat de bewoners van deze woning thuiskomen. Zij zien ter hoogte van hun woning een jongen op de galerij staan, zien dat hij via de brandtrap wegrent en zien hem even later samen met een andere jongen beneden lopen. Met een telelens worden er foto’s van de jongens gemaakt.

Aan de rechtbank is ter beoordeling of voornoemde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - na wijziging van de tenlastelegging - gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van feit 3 primair en 4 primair en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 - met vrijspraak van het medeplegen -, feit 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak betoogd wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft hiertoe gesteld dat de verdachte ontkent degene te zijn geweest die de aangever en de getuigen op de galerij voor hun woning aan het [adres] hebben zien staan. De herkenning door de verbalisanten [X] een [Y] vindt plaats twee dagen nadat de verdachte terzake van dit feit is aangehouden door verbalisant [Z]. De herkenning is, aldus de raadsvrouw, op een zodanige wijze tot stand gekomen dat deze niet betrouwbaar is.

De ingezoomde foto, op pagina 86 van het dossier, is aldus de raadsvrouw van zodanig slechte kwaliteit dat op basis hiervan geen betrouwbare herkenning tot stand kan komen.

De ambtshalve herkenning op basis van deze foto moet dan ook van het bewijs worden uitgesloten.

Indien de rechtbank voornoemd standpunt van de verdediging niet volgt, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit de verklaring van aangever noch van de getuigen blijkt dat de jongen op de galerij enige uitvoeringshandeling voor een poging tot woninginbraak heeft gedaan. Ook de zoon van aangever heeft geen enkele uitvoeringshandeling gezien.

Het aantreffen van plastic handschoenen in de fouillering van de verdachte en het aantreffen van een breekijzer in de struiken maakt dit niet anders, nu er geen link bestaat tussen de verdachte en het breekijzer en tussen de handschoenen en het ten laste gelegde feit.

Gelet hierop dient, aldus de raadsvrouw, vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit te volgen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvouw betoogd dat de rechtbank tot een veroordeling kan komen op basis van de aangifte, de aanvullende aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw vrijspraak van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde ontbreekt

- aldus de raadsvrouw - het wettig en overtuigend bewijs en ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde ontbreekt het bewijs dat de verdachte op het moment dat hij het rijbewijs op straat vond, wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het rijbewijs van een misdrijf afkomstig was. Het rijbewijs kan ook gewoon door de eigenaar zijn verloren.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde, de verduistering, heeft de raadsvrouw aangegeven dat de verdachte het rijbewijs, nadat hij het had gevonden, in zijn jaszak had gedaan om later naar de politie te brengen, maar dat hij hiervoor nog geen tijd had gehad. Van enig opzet op de wederrechtelijke toeëigening blijkt niets en vrijspraak dient dan ook te volgen.

Ook ten aanzien van feit 4 primair en subsidiair heeft de raadsvrouw tenslotte vrijspraak bepleit nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verdachte heeft de ov-chipkaart gevonden en hem vervolgens aan [medeverdachte] gegeven.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Overwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat de herkenning van de verdachte door verbalisanten [X] en [Y], op pagina 85 van het dossier, die de verdachte op de foto voor 100% aan zijn gezicht alsmede aan zijn bijna slungelachtige houding en zijn zwarte Prada schoenen herkennen, niet betrouwbaar is.

De herkenning vindt namelijk plaats kort nadat deze verbalisanten de verdachte hebben gehoord, zijnde twee dagen nadat de verdachte terzake van dit feit is aangehouden.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze herkenning van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Nu er voorts geen ander wettig bewijs voorhanden is dat de verdachte dit feit zou hebben gepleegd, kan feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard en dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van feit 21

Op 24 februari 2014 omstreeks 20.30 uur heeft [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]) ontdekt dat er in zijn woning aan het [adres] te [plaats] is ingebroken. Zijn slaapkamer is volledig overhoop gehaald. Er zijn van hem twee laptops, een harddisk, twee mobiele telefoons en een horloge weggenomen. Van zijn huisgenoot, [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]), is ook een laptop en een fotocamera weggenomen. Het raam in de keuken had braakschade, zat niet meer op slot en stond op een kiertje open.23

Een getuige heeft op 24 februari 2014 omstreeks 20.15 uur bij de [supermarkt] aan de [adres] te [plaats] een groepje jongens zien zitten, die allemaal in het donker gekleed waren. Hij heeft er geen goed gevoel bij en heeft de politie gebeld. Vervolgens heeft hij de jongens gevolgd en ziet hij dat één van de jongens op een gegeven moment bij de [flat] een laptop uit een tas haalt.4

De politie ziet op de [adres] een aantal jongens en zodra zij de politie zien, gaan ze rennen.5 In de buurt van de [adres] is in de bossage een zwartkleurige rugzak aangetroffen, met daarin 3 laptops en een fotocamera. Iets verderop is nog een horloge, dat is vastgemaakt aan een stuk plastic, aangetroffen.6

Onderzoek aan de aangetroffen goederen levert op dat deze afkomstig zijn uit de woning aan het [adres].7 De goederen zijn op 27 februari 2014 aan [slachtoffer] en [slachtoffer] teruggegeven.

De verdachte heeft bij de politie8 en ter terechtzitting9 bekend de inbraak te hebben gepleegd samen met medeverdachten[A] en [B]. [A] heeft het raam met een koevoet opengebroken en de verdachte en [A] zijn samen naar binnen gegaan. Zij hebben de woning doorzocht en goederen van waarde weggenomen, waaronder laptops, een fotocamera en een horloge. De goederen zouden worden verkocht en de buit zou worden gedeeld.

Medeverdachte [B] heeft bij de politie10 ook een bekennende verklaring afgelegd.

[B] stond op de uitkijk en heeft de koevoet meegenomen en ergens verstopt.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, dan ook van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Overwegingen ten aanzien van feit 3

Bij de insluitingsfouillering van de verdachte op 24 februari 2014 is er een rijbewijs op naam van [slachtoffer] bij hem aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting11 verklaard dat hij dit rijbewijs, samen met de ov-chipkaart op naam van [slachtoffer], die hij aan medeverdachte [A] heeft gegeven, op een rotonde heeft gevonden en dat hij wel van plan was dit rijbewijs naar de politie te brengen, maar dat hij dit vergeten was, waardoor het op 24 februari 2014 nog steeds in zijn jaszak zat.

De datum waarop de verdachte deze spullen heeft gevonden blijft, ook ter zitting, onduidelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte het rijbewijs heeft gestolen dan wel dat hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het van een misdrijf afkomstig was. Het is denkbaar dat de verdachte het rijbewijs inderdaad heeft gevonden.

De rechtbank verwerpt ten aanzien van feit 3 meer subsidiair het verweer van de raadsvrouw dat bij de verdachte de opzet op de wederrechtelijke toeëigening van het rijbewijs zou ontbreken.

Gelet op het feit dat de verdachte de ov-chipkaart aan medeverdachte [A] heeft gegeven en het rijbewijs heeft behouden, betekent dat hij zich het rijbewijs wederrechtelijk heeft toegeëigend. Op dat moment is de verdachte als heer en meester over het rijbewijs gaan beschikken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan feit 3 meer subsidiair dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Overwegingen ten aanzien van feit 4

De verdachte heeft ter terechtzitting12, zoals reeds aangegeven, verklaard dat hij de

ov-chipkaart op naam van [slachtoffer], op een rotonde heeft gevonden samen met het rijbewijs op naam van [slachtoffer] en dat hij de ov-chipkaart aan medeverdachte

[A] heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte de ov-chipkaart heeft gestolen dan wel dat hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van een misdrijf afkomstig was. Het is denkbaar dat de verdachte de ov-chipkaart inderdaad heeft gevonden.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

2.

Ter berechting wordt gevoegd de zaak onder parketnummer 09/777047-14 :

hij op 24 februari 2014 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning (aan het[adres]) heeft weggenomen drie laptopcomputers en een fotocamera en een hard disk en twee mobiele telefoons en een horloge, toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door het forceren van een raam met een koevoet;

3.

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 17 tot 24 februari 2014, te [plaats] opzettelijk een - ten name van [slachtoffer] gesteld - rijbewijs, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie, bestaande uit een leerstraf voor de tijd van 50 uur zijnde de gedragsinterventie So Cool verlengd en een werkstraf voor de duur van 50 uren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsvrouw bepleit de leerstraf te matigen tot de reguliere variant van 40 uren alsook aan de verdachte een voorwaardelijke werkstraf op te leggen in plaats van een voorwaardelijke jeugddetentie, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering. Dit, omdat de verdachte - aldus de raadsvrouw - de afgelopen maanden eigenlijk volledig huisarrest heeft gehad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak.

Door woninginbraken wordt - vaak grote - materiële schade toegebrachte aan de slachtoffers. Ook worden er vaak goederen gestolen, waaraan het slachtoffer op gevoelsgronden sterk is gehecht en waarvan de affectieve waarde niet in geld kan worden uitgedrukt. De verdachte en zijn mededaders hebben zich niets gelegen laten liggen aan deze omstandigheden en alleen maar aan hun eigen geldelijk gewin gedacht.

Bovendien wordt door een woninginbraak ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en omwonenden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen.

Ook bij de verduistering heeft de verdachte zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen die zijn gedrag voor het slachtoffer had.

De rechtbank heeft kennis genomen van diverse voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) ten aanzien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij zij met name acht heeft geslagen op het meest recente rapport van de Raad d.d. 17 juni 2014.

Blijkens dit rapport is het algemeen recidive risico bij de verdachte hoog. De Raad heeft veel zorgen over het functioneren van de verdachte. Ook school maakt zich veel zorgen over het gedrag van de verdachte. Hij moet veel gecorrigeerd worden en op momenten dat hij gecorrigeerd wordt, kan hij brutaal en agressief worden. Hij accepteert zijn sanctie niet.

De verdachte kijkt bovendien op tegen jongeren die zich met verkeerde dingen bezig houden en zou graag een leidersrol op zich willen nemen. Gezien zijn jonge leeftijd en in combinatie met zijn IQ van 59 acht de Raad dit zeer zorgelijk. Door zijn beperkte IQ handelt de verdachte impulsiever en doorziet hij niet altijd de gevolgen van zijn gedrag.

Het is belangrijk dat de verdachte zijn sociale en probleemoplossende vaardigheden verbetert en zijn agressie en boosheid onder controle kan houden. Het ontbreken van vaardigheden speelt een zeer grote rol binnen alle domeinen en is van grote relevantie voor de kans op recidive. Begeleiding door de jeugdreclassering is aangewezen.

Geadviseerd wordt dan ook aan de verdachte een leerstraf, in de vorm van de gedragsinterventies So Cool verlengd op te leggen alsook een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde begeleiding door Bureau Jeugdzorg (inmiddels gestart met ITB Criem en gevolgd door de reguliere jeugdreclassering), ook als dit inhoudt dat de minderjarige zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of instantie moet laten stellen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit het rapport van de Raad en kan zich deels vinden in het gegeven strafadvies.

Van de zijde van de Raad en van de Stichting Bureau Jeugdzorg is ter zitting meegedeeld dat de ouders zeer betrokken zijn, maar dat zij niet kunnen voorkomen dat de verdachte wederom met de politie in aanraking komt. Tijdens de huidige begeleiding door ITB Criem, die tot 11 augustus 2014 loopt, wordt het gezin wekelijks bezocht waarbij de week kort en bondig wordt doorgesproken. Aangegeven is dat voortzetting van de begeleiding door de reguliere jeugdreclassering in eerste instantie voldoende zal zijn, en dat - als zal blijken dat er verdere (ouder)begeleiding of (individuele)behandeling nodig zal zijn - dit ook zal worden ingezet.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragsinterventie So Cool verlengd een passende reactie vormt, met daarnaast een deels voorwaardelijke werkstraf. Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden, zal de rechtbank - naast de geldende algemene voorwaarden - als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding door de Stichting Bureau Jeugdzorg opleggen.

De rechtbank zal de verdachte geen voorwaardelijke jeugddetentiestraf opleggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd, nu zij deze straf niet passend acht bij de persoonlijkheid van de verdachte. De rechtbank weegt hierbij tevens mee dat de verdachte first offender is en dat de rechtbank de verdachte van meerdere feiten vrijspreekt.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1, 3 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

2 en 3 meer subsidiair (parketnummer 09/777047-14 t.b.g.) ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

2:

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK

3 meer subsidiair:

VERDUISTERING

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 120 uren,

bestaande uit een leerstraf, zijnde het volgen van de gedragsinterventie So Cool verlengd voor de tijd van 50 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 25 DAGEN;

en

bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van

70 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 35 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

bepaalt dat van deze werkstraf groot 40 uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich gedurende de proeftijd en op door de Stichting Bureau Jeugdzorg te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de Stichting Bureau Jeugdzorg tot het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden en tot het begeleiden van de veroordeelde ten behoeve daarvan;

heft op de opgeschorte bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. de Haan, kinderrechter, voorzitter,

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. J.M. Ghrib, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 augustus 2014.

Mr. drs. Borkent is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van Politie Haaglanden, met het nummer PL1581-2014040600 Z, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 232.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 74/75.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 159.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [A], pagina 79/80.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 83.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 86.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 98.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 109/110.

9 Proces-verbaal ter terechtzitting van 31 juli 2014, eigen verklaring van de verdachte.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], pagina 113/116.

11 Proces-verbaal ter terechtzitting van 31 juli 2014, eigen verklaring van de verdachte.

12 Proces-verbaal ter terechtzitting van 31 juli 2014, eigen verklaring van de verdachte.