Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10120

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
C-09-471370 - KG ZA 14-964
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wth

Hoewel het huisverbod terecht was opgelegd, had het - gelet op de ernstige ziekte van de man, waarvoor hij regelmatig het ziekenhuis moet bezoeken en hij niet in de gelegenheid was om vervangende woonruimte in de omgeving te vinden - voor de hand gelegen dat het huisverbod aan de vrouw werd opgelegd. In overleg met partijen ter zitting heeft de voorzieningenrechter het huisverbod geschorst onder de voorwaarde dat de vrouw het huis verlaat en geen contact opneemt met de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Voorzieningenrechter

Rekestnummer: KG ZA 14-964

Zaaknummer: C/09/471370

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Gedaan op 12 augustus 2014

Naar aanleiding van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[verzoeker],

verzoeker,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. L. Rijsdam, advocaat te Leiden,

en

de burgemeester van de gemeente [gemeente],

verweerder.

in welke zaken belanghebbende is:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats].

IProcedure

Bij besluit van 5 augustus 2014 heeft verweerder een huisverbod ingevolge artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) opgelegd, van 5 augustus 2014 (20.25 uur) tot en met

15 augustus 2014 (20.25 uur), ter zake van de woning aan [adres], tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige vrouw.

Tegen het besluit heeft verzoeker beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2014.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Borst en R. Klerks.

De vrouw is in persoon verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt.

II Beoordeling

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Verzoeker betwist niet dat er sprake was van ruzie, maar er kwam volgens hem geen geweld aan te pas. Hij ontkent dat hij de vrouw minderwaardig behandelt, mishandelt en dwingt om seksuele handelingen te ondergaan en te verrichten. Nu verzoeker niet langer bij zijn moeder kan verblijven en hij vanwege een ernstige aandoening aan zijn darmen regelmatig het ziekenhuis moet bezoeken, wil hij graag terugkeren naar zijn huis. Verzoeker wil graag in gesprek gaan met de vrouw en hij is bereid om hulpverlening te ontvangen, zodat zij op een betere manier leren communiceren.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verhouding tussen de echtelieden nog zodanig is dat het huisverbod en contactverbod moeten worden gehandhaafd. Hoewel verzoeker en de vrouw hebben aangegeven verder met elkaar te willen, bestaat de dreiging van geweld nog steeds en meent verweerder dat eerst de hulpverlening goed op gang moet komen en tot veiligheidsafspraken moet worden gekomen, voordat zij weer in contact met elkaar mogen worden gebracht.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat ten tijde van het huisverbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 van de Wth. Vaststaat dat de vrouw labiel was en zich suicidaal geuit heeft en dat de man haar gedrag niet meer kon verdragen. Hoewel niet goed is vast te stellen wat er precies is gebeurd (verzoeker en de vrouw hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd) is het de voorzieningenrechter wel duidelijk geworden dat verzoeker en de vrouw niet samen in één huis kunnen verblijven zonder dat dit gevaar oplevert.

Ter zake van de belangenafweging komt de voorzieningenrechter tot het volgende voorlopig oordeel. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat de verhouding van partijen om een rustperiode vraagt, waarin partijen niet in hetzelfde huis verblijven. Echter, in het onderhavige geval heeft verweerder in redelijkheid het huisverbod niet aan verzoeker kunnen opleggen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het gelet op de zeer ernstige medische klachten van verzoeker (verzoeker heeft verklaard dat de diagnose darmkanker is gesteld) waarvoor hij in de buurt van het Leids universitair medisch centrum (Lumc) te Leiden dient te verblijven, gelet op het feit dat hij geen vervangende woonruimte in de omgeving had en gelet op het feit dat de vrouw de mogelijkheid had in vervangende woonruimte te voorzien het voor de hand had gelegen dat verweerder het huisverbod aan de vrouw had opgelegd.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte het huisverbod aan verzoeker opgelegd. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat thans niet kan worden volstaan met een

schorsing van het bestreden besluit. Immers, er bestaat wel degelijk een belang bij een periode waarin partijen geen contact met elkaar hebben en niet onder één dak wonen. Desgevraagd heeft verweerder in dat kader bevestigd dat het evenzeer een oplossing zou zijn indien niet verzoeker maar de vrouw tijdelijk andere woonruimte zou zoeken, bijvoorbeeld bij haar moeder. Voorts is door verzoeker bevestigd dat aan zijn verzoek zou zijn voldaan indien het bestreden besluit - het huisverbod - zou worden geschorst zodra de vrouw de woning heeft verlaten. De vrouw heeft ter zitting aangegeven hiermee te kunnen instemmen. Zij is bereid daartoe haar huissleutel in te leveren. Zij zal de woning in elk geval niet betreden tot de afloop van het huisverbod, dat wil zeggen tot 15 augustus 2014, 20.25 uur (of een later tijdstip afhankelijk van de vervolgbeslissing van de burgemeester).

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder dat zonder nadere voorziening een schorsing zonder twijfel tot nieuwe escalatie op korte termijn zou leiden, alsmede de korte termijn waarop de voorziening ziet en het gegeven dat de vrouw elders kan verblijven, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te beslissen zoals met partijen besproken. De voorzieningenrechter benadrukt daarbij dat het contactverbod tussen partijen gehandhaafd blijft. Verder is van groot belang dat verweerder op korte termijn de hulpverlening daadwerkelijk opstart, waarbij verzoeker en de vrouw worden betrokken, zodat op korte termijn tot veiligheidsafspraken kan worden gekomen.

Verweerder zal in de kosten van het geding (KG ZA 14-964) worden veroordeeld, te begroten op € 974,00, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

III Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het huisverbod met betrekking tot de woning aan [adres] geldend voor [verzoeker] uiterlijk donderdag 14 augustus 2014, 15.00 uur zal worden geschorst, onder de voorwaarde dat [de vrouw]vanaf dat moment tot 15 augustus 2014, 20.25 uur deze woning niet zal betreden en geen contact met[verzoeker] op zal nemen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,00 en wijst de gemeente Alphen aan den Rijn aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden;

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2014 door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in tegenwoordigheid van B.D. Muntz, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open

Ingevolge artikel 8:87 van de AWB kan een belanghebbende de voorzieningenrechter verzoeken de voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.

Afschrift verzonden op: