Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10079

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AWB 14/2932
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2863, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat eiseres het verzoek om internationale bescherming heeft ingediend vóór 1 januari 2014, blijft daarop op grond van artikel 49 van de Dublin-III Verordening het recht van toepassing, zoals dat gold voorafgaand aan 1 januari 2014. Weliswaar bepaalt artikel 49 van de Dublin-III Verordening eveneens dat op verzoeken tot overname of terugname met ingang van 1 januari 2014 het recht van toepassing is zoals is neergelegd in de Dublin-III Verordening, ongeacht de datum van het verzoek om internationale bescherming, echter deze bepaling heeft geen terugwerkende kracht. Nu in deze zaak het verzoek tot terugname al in 2010 is geaccepteerd en afgerond, maakt het feit dat het voornemen en het bestreden besluit dateren van ná 1 januari 2014, niet dat op de onderhavige zaak de Dublin-III Verordening van toepassing is. Er is daarom geen sprake van een relevante wijziging van het recht. Hierin is derhalve geen novum gelegen.

Verwijzing naar de drie uitspraken van 26 februari 2014 van de Afdeling. Over een groot deel van de stukken waar eiseres zich op heeft beroepen heeft de Afdeling in die uitspraken al geoordeeld. De overige stukken waarop eiseres een beroep heeft gedaan kunnen ook niet afdoen aan het eerdere besluit. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat op voorhand is uitgesloten dat deze stukken kunnen afdoen aan het eerdere besluit, zodat deze stukken geen nova zijn. Daaraan doet niet af dat eiseres een alleenstaande moeder is met twee kinderen en dat haar situatie in zoverre afwijkt van de zaken waarover de Afdeling heeft beslist. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt immers niet dat voor Dublin-terugkeerders in een vergelijkbare situatie als de hare wel een risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2932 BEPTDN

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 april 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedag] 1989, eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen

[naam 2],

geboren op [geboortedag 2] 2010, en

[naam 3],

geboren op [geboortedag 3] 2012,

allen van Eritrese nationaliteit,

(gemachtigde: mr. B.D. Lit),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Kersten).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Op 5 februari 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen.

Verweerder heeft op 27 maart 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen


1.1 Eiseres heeft eerder op 1 december 2009 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 10 juni 2010 afgewezen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 24 augustus 2010 gegrond verklaard (AWB 10/21175 en 10/20996), welke uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bevestigd op 27 oktober 2011 (nr. 201008759/1/V4). Verweerder heeft vervolgens een nieuw afwijzend besluit genomen op 17 januari 2012. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 5 april 2012 ongegrond verklaard (AWB 12/1811 en 12/1810), welke uitspraak is bevestigd door de Afdeling op 14 februari 2013 (nr. 201203548/1/V4). Eiseres heeft vervolgens een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), welke klacht in het arrest van 27 augustus 2013 is afgewezen (de zaak N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 40524/10). Het EHRM heeft in dat arrest onder meer overwogen dat overdracht aan Italië geen schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.

1.2 Eiseres heeft nadien op 4 november 2013 een herhaalde aanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij het bestreden besluit van 4 februari 2014 afgewezen. De rechtbank stelt vast dat dit besluit materieel vergelijkbaar is met het eerdere besluit van 17 januari 2012. Daarom is het volgende toetsingskader van toepassing.

1.3 Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, zaak nr. 145/1996/764/965) voordoen.

1.4 De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.1 De rechtbank ziet zich ten eerste gesteld voor de vraag of sprake is van een relevante wijziging van het recht, nu de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublin-III Verordening), sinds 1 januari 2014 van toepassing is.

2.2 Omdat eiseres het verzoek om internationale bescherming heeft ingediend vóór 1 januari 2014, blijft daarop op grond van artikel 49 van de Dublin-III Verordening het recht van toepassing, zoals dat gold voorafgaand aan 1 januari 2014. Weliswaar bepaalt artikel 49 van de Dublin-III Verordening eveneens dat op verzoeken tot overname of terugname met ingang van 1 januari 2014 het recht van toepassing is zoals is neergelegd in de Dublin-III Verordening, ongeacht de datum van het verzoek om internationale bescherming, echter deze bepaling heeft geen terugwerkende kracht. Nu in deze zaak het verzoek tot terugname al in 2010 is geaccepteerd en afgerond, maakt het feit dat het voornemen en het bestreden besluit dateren van ná 1 januari 2014, niet dat op de onderhavige zaak de Dublin-III Verordening van toepassing is. Er is daarom geen sprake van een relevante wijziging van het recht. Hierin is derhalve geen novum gelegen.

3.

Eiseres heeft een beroep gedaan op de volgende stukken:
a. een notitie van Vluchtelingenwerk Nederland over Italië – Dublin, van 28 oktober 2013;
b. het rapport “Gutachten zum Beweisbeschluss des VG Braunschweig vom 28.09.2012” van Borderline-Europe van december 2012;
c. het rapport “National Country Report – Italy” van Asylum Information Database (AIDA) van mei 2013;
d. het rapport “Italien: Aufnahmebedingungen – Aktuelle Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigden, insbesondere Dublin-Rückkehrenden” van de Schweizerische Flüchtlingshilfe, van 1 oktober 2013;

e. het bericht “UNHCR urges Italy to improve facilities on Lampedusa as boat tragedy death toll rises” van 9 oktober 2013;

f. de UNHCR “Recommendations on Important Aspects of Refugee Protection in Italy”, van juli 2013;

g. een bericht van ECRE Weekly Bulletin van 18 januari 2013 over detentieomstandigheden in Italië;
h. een uitspraak van het Verwaltungsgericht Braunschweig van 21 februari 2013;
i. een uitspraak van het Oberverwaltungsgericht Rheinland-Pfalz van 19 juni 2013;

j. een uitspraak van het Oberverwaltungsgericht Nordrhein-Westfalen van 25 juni 2013;

k. een uitspraak van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main van 9 juli 2013;

l. vijf interim measures van het EHRM inzake uitzettingen vanuit Denemarken naar Italië.

4.1

De rechtbank stelt vast dat de gestelde feiten en de genoemde rapporten dateren van na het laatste afwijzende besluit van 17 januari 2012.

4.2

De rechtbank stelt verder vast dat de Afdeling in drie uitspraken van 26 februari 2014, met nummers 201310669/1, 201310166/1 en 201309818/1, (www.raadvanstate.nl), onder verwijzing naar onder meer het arrest van het EHRM inzake S. Mohammed Hussein e.a. tegen Nederland van 2 april 2013 met nummer 27725/10 (www.ehcr.coe.int) en eerdergenoemd arrest N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië, heeft geoordeeld dat er in Italië geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen zijn waar het gaat om opvang voor asielzoekers, toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers, zoals aan de orde in de zaak M.S.S. tegen Griekenland en België, zodat overdracht aan Italië geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Verder heeft de Afdeling in deze uitspraken geoordeeld dat, hoewel in Italië de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers bepaalde tekortkomingen kennen, het door de vreemdelingen aangevoerde, waaronder ook de in rechtsoverweging 3 onder b, c, d, f, h, i, j en k vermelde stukken waar eiseres zich op heeft beroepen, geen grond biedt voor het oordeel dat de situatie van asielzoekers wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie in de periode die in voormelde uitspraken van de Afdeling en beslissingen van het EHRM aan de orde was, of dat zich aan het systeem gerelateerde tekortkomingen voordoen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat op voorhand is uitgesloten dat deze stukken kunnen afdoen aan het eerdere besluit, zodat deze stukken geen nova zijn in de in rechtsoverweging 1.4 bedoelde zin. Daaraan doet niet af, zoals eiseres heeft betoogd, dat zij alleenstaande moeder is met twee kinderen en dat haar situatie in zoverre afwijkt van de zaken waarover de Afdeling heeft beslist. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt immers niet dat voor Dublin-terugkeerders in een vergelijkbare situatie als de hare wel een risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM.


4.3 De berichten, genoemd in rechtsoverweging 3 onder e en g kunnen ook niet afdoen aan het eerdere besluit omdat deze gaan over de situatie op Lampedusa, respectievelijk de detentieomstandigheden, en niet is gebleken dat eiseres in vergelijkbare omstandigheden terecht zal komen. Hetzelfde geldt voor de notitie, genoemd in rechtsoverweging 3. onder a, nu deze slechts een weergave van de overige genoemde stukken bevat. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de interim measures, genoemd in rechtsoverweging 3 onder l onvoldoende grond bieden voor een ander oordeel, omdat deze niet gemotiveerd zijn en eiseres niet heeft onderbouwd waarom in haar geval sprake zou zijn van een gelijke situatie.

5.

Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het bestreden besluit en de overwegingen waarop dat besluit rust.

6.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AG

Coll.: MK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.