Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:10002

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
AWB 12/1200
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het geval twijfel is gerezen aan de gestelde identiteit en nationaliteit dient bij een besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel een taalanalyse als bewijsmiddel van de op de staatssecretaris rustende last om aannemelijk te maken dat zich de intrekkingsgrond voordoet.

Nu uit de taalanalyse blijkt dat eiser eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap van Bangladesh, heeft verweerder, door deze taalanalyse ten grondslag te leggen aan zijn standpunt dat de vreemdeling niet afkomstig is uit Myanmar, voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1200

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 februari 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum] 1977, van gestelde Myanmarese nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. A.H.A. Kessels),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. J.M. Hollebrandse).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2012 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 en de daaraan voorafgaande verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 7 augustus 2001 (de ingangsdatum van de vergunning voor bepaalde tijd).

Op 11 januari 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. D. Bozanovic. Ook was ter zitting aanwezig P. Ghosh, tolk in de Bengaalse taal. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst.

Het onderzoek is vervolgens voortgezet op 23 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J.M. Hollebrandse. Ook was ter zitting aanwezig de heer Kabir, als tolk in de Bengaalse taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1 Eiser heeft op 7 augustus 2001 asiel aangevraagd. Aan zijn aanvraag heeft eiser – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat hij uit Myanmar afkomstig is en tot de bevolkingsgroep van de Rohingya behoort. De Rohingya’s worden onderdrukt. Eisers vader werkte voor de RSO, een verboden organisatie. In 1992 waren de autoriteiten op zoek naar eisers vader, maar ze troffen hem niet thuis. Toen is eiser meegenomen naar een legerkamp waar hij dwangarbeid moest verrichten en werd mishandeld. Hij is ontsnapt uit het kamp en naar Bangladesh gevlucht. Omdat hij illegaal was in Bangladesh heeft hij dat land in 2001 weer verlaten. Hij is toen naar Nederland gevlucht. Naar aanleiding van dit relaas is eiser met ingang van 7 augustus 2001 bij besluit van 5 december 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 11 augustus 2004 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 verleend.

1.2 Naar aanleiding van de aanvraag van 29 mei 2006 tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinsvorming door de gestelde echtgenote van eiser,[naam], en haar dochter [naam], is bij verweerder twijfel gerezen op diverse punten, waaronder de herkomst van eiser. Vanwege deze twijfel zijn er door het ministerie van Buitenlandse Zaken twee verificatieonderzoeken verricht. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een individueel ambtsbericht van 9 juli 2007 (kenmerk [nummer]) en een aanvullend ambtsbericht van 11 november 2008 (kenmerk [nummer]). Een van de conclusies uit deze ambtsberichten is dat de familie van eiser niet afkomstig is uit Myanmar. Voorts is er een taalanalyse verricht door Bureau Land en Taal (BLT). De resultaten hiervan zijn neergelegd in een Rapport Taalanalyse, opgemaakt op 28 juli 2010. Volgens dit rapport is eiser eenduidig te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Bangladesh. Naar aanleiding van de zienswijze van eiser heeft het BLT op 23 mei 2011 gereageerd. Ook zijn de door eiser overgelegde documenten onderzocht door bureau Documenten.

2.1 Bij besluit van 4 januari 2012 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken, omdat uit genoemde onderzoeken gebleken is dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt in het kader van zijn asielaanvraag en de vergunning destijds niet zou zijn verleend als verweerder met de juiste gegevens omtrent eisers herkomst bekend was geweest. Eiser is volgens deze onderzoeken immers niet afkomstig uit Myanmar, maar uit Bangladesh. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat alleen het rapport taalanalyse reeds voldoende is om tot de intrekking over te gaan.

2.2 Eiser heeft daartegen – kort samengevat – aangevoerd dat enkel de resultaten van de taalanalyse niet voldoende zijn om over te gaan tot intrekking van de asielvergunning. Weliswaar is de uitkomst van de taalanalyse door een contra-expertise bevestigd, maar er zijn enkele kanttekeningen te plaatsen bij de taalanalyse. Daarnaast heeft eiser diverse gronden aangevoerd die betrekking hebben op de ambtsberichten van 9 juli 2007 en 11 november 2008 alsmede op de door hemzelf overgelegde documenten.

3.

Op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

4.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder andere de uitspraak van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013: CA3608) ligt het, indien verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt, omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 voordoet, op zijn weg aannemelijk te maken dat daarvan sprake is.

4.2

Uit dezelfde uitspraak volgt dat – anders dan bij een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarbij verweerder, in het geval twijfel is gerezen aan de gestelde identiteit en nationaliteit, door een taalanalyse de desbetreffende vreemdeling tegemoet komt in de voldoening van de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken – een taalanalyse in het geval die twijfel is gerezen bij een besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bewijsmiddel dient van de op de staatssecretaris rustende last om aannemelijk te maken dat zich de in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vermelde grond voordoet. Wanneer de staatssecretaris aldus aan zijn bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het geleverde bewijs te weerleggen.

In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege verweerder door het inzetten van het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder gedeelde verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst die bij voormeld bureau in dienst is en van wie de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en een extern ingeschakelde taalanalist die op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient verweerder, indien hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van te vergewissen dat de taalanalyse naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is.

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank geldt bovenstaande jurisprudentie eveneens in geval van intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

5.1

Volgens de taalanalist, wiens moedertaal Rohingya is, en die daarnaast Arakanees, Birmees en Bengali spreekt, spreekt eiser “Akyab” (Bengali). De rechtbank stelt vast dat in de taalanalyse aan de hand van de, door voorbeelden ondersteunde, bevindingen betreffende onder meer uitspraak, woordkeuze en grammatica van eiser wordt beargumenteerd en geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Myanmar, maar eenduidig te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Bangladesh. De taalanalyse is daarmee zorgvuldig, inzichtelijk en concludent.

5.2

Eiser heeft aangevoerd dat hij Akyab spreekt, en dat Akyab een synoniem is voor Rohingya, de taal van de Rohingya’s. Dit is volgens eiser hetzelfde als het Chittagong Bengali, zoals dat in Myanmar wordt gesproken. Eiser vindt het bevreemdingwekkend dat de taalanalist achter “Akyab” tussen haakjes “Bengali” heeft geschreven, aangezien Bengali de taal is van Bangladesh. Deze opmerkingen van eiser worden naar het oordeel van de rechtbank afdoende weerlegd door de reactie van het BLT van 23 mei 2011. Hieruit blijkt dat de taal die eiser spreekt volgens de taalanalist niet de taal is die door de etnische Rohingya’s uit Myanmar wordt gesproken, maar een vorm van Bengali. Uit deze reactie blijkt bovendien dat het Chittagong Bengali zeer nauw verwant is aan het Rohingya en dat de Rohingya’s niet het Chittagong Bengali maar het Rohingya als moedertaal hebben. De taalanalist heeft “Akyab” tussen aanhalingstekens gezet, omdat hij van mening is dat de benaming “Akyab” niet gangbaar is als benaming van de taal van de Rohingya’s in Myanmar. Daarbij wordt verwezen naar de themarapportage van het BLT, getiteld: “Myanmar: De taal van de Rohingya’s” van juni 2006, waarin valt te lezen hoe het gebruik van de benaming “Akyab” geduid moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat BLT voldoende duidelijk heeft toegelicht wat de verschillen zijn tussen Akyab, Rohingya en Chittagong Bengali en dat eiser geen van deze talen, maar Bengali spreekt.

5.3

Ook eisers stelling dat rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat hij nog jong was toen hij Myanmar moest verlaten, sindsdien jarenlang in Bangladesh heeft gewoond, met een vrouw uit Bangladesh is getrouwd en alleen nog maar contact met mensen uit Bangladesh heeft gehad, waardoor zijn taal is aangepast aan de taal die mensen in Bangladesh spreken, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de reactie van het BLT van 23 mei 2011 blijkt dat de periode die van belang is voor de verwerving van een eerste taal ruim samenvalt met de periode dat eiser zou hebben verbleven in Myanmar. Eiser zou Myanmar hebben verlaten op zijn vijftiende. Dit betekent dat eiser het Rohingya als eerste taal in Myanmar moet hebben verworven en dat het onmogelijk moet worden geacht dat het Rohingya daarna geheel zou zijn opgegaan in een andere taal. Op grond van de gestelde herkomst en levensloop van eiser mag daarom volgens het BLT in redelijkheid worden verwacht dat eiser een beheersing op moedertaalniveau heeft van het Rohingya. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor eisers stelling dat rekening gehouden dient te worden met eisers psychische gesteldheid. Niet gebleken is dat de psychische problemen van eiser dusdanig ernstig zijn dat deze tot een andersluidende conclusie hadden moeten leiden.

5.4

De taalanalyse van 28 juli 2010 is daarmee naar het oordeel van de rechtbank naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent. In hetgeen eiser heeft aangevoerd zijn geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van de taalanalyse gelegen. Nu uit de taalanalyse blijkt dat eiser eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap van Bangladesh, heeft verweerder, door deze taalanalyse ten grondslag te leggen aan zijn standpunt dat de vreemdeling niet afkomstig is uit Myanmar, voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat de intrekkingsgrond bedoeld in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 zich voordoet. Het was vervolgens aan eiser om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen. Eiser heeft verklaard dat de contra-expertise – welke niet door eiser is overgelegd – de conclusie van het BLT bevestigt. Dit betekent dat eiser er niet in is geslaagd het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen.

5.5

Gelet op het voorgaande behoeven de gronden die betrekking hebben op de individuele ambtsberichten van 9 juli 2007 en 11 november 2008 geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor de gronden die betrekking hebben op de door eiser overgelegde documenten. Daarbij merkt de rechtbank op dat de documenten alle afkomstig zijn uit Bangladesh en niet uit Myanmar, zodat deze eisers herkomst uit Myanmar reeds om die reden niet kunnen bevestigen.

6.

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat verweerder op grond van een belangenafweging had moeten afzien van intrekking van de verblijfsvergunning. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de intrekking louter van reparatoire en niet van punitieve aard is. Met de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat er bij de verlening of de verlenging onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden, wordt slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. De intrekking is gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot intrekking van de aan eiser verleende vergunning kon overgaan.

7.

Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Sumer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JSu

Coll.: JvB

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.