Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA4039

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
AWB 12/8638 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de rechtsbijstand. Pricipiele bezwaren tegen (eerste) boetebesluit in kader Zorgverzekeringswet. Zwaarwegend belang in de zin van artikel 4, zevende lid, van het Brt? Het pricipiele bezwaar komt pas aan de orde bij het tweede boetebesluit en de bijbehorende last om alsnog een zorgverzekering af te sluiten, bij gebreke waarvan een ambtshalve zorgverzekering namens de betrokkene zal worden afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/8638 WRB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde mr. P.J. de Bruin),

en

de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: G. van Dort)

Procesverloop

Op 25 april 2012 is verweerder verzocht om ten behoeve van eiser een toevoeging af te geven in verband met het indienen van een bezwaarschrift tegen een aan eiser bij besluit van 1 september 2011 opgelegde bestuurlijke boete door het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) vanwege het niet voldoen door eiser aan de zorgverzekeringsplicht.

Bij besluit van 16 mei 2012, verzonden op 18 mei 2012, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand van 20 juli 2012, bij besluit van 24 juli 2012, verzonden op 26 juli 2012, ongegrond heeft verklaard.

Eiser heeft hiertegen bij brief van 5 september 2012, nader aangevuld op 19 september 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en te kennen gegeven geen aanleiding te zien tot indienen van een verweerschrift.

De zaak is op 21 februari 2013 ter zitting behandeld, gevoegd met de zaken onder de nummers AWB 12/8645 en AWB 12/8646. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek heropend en bepaald dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld binnen twee weken een (volledige) kopie van het besluit van het CVZ waarbij aan eiser de bestuurlijke boete is opgelegd, te overleggen.

Bij brief van 18 april 2013 is het boetebesluit overgelegd door de gemachtigde van eiser.

Alle partijen hebben schriftelijk toestemming verleend om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

De rechtbank heeft vervolgens het (voor)onderzoek gesloten.

Overwegingen

1 Verweerder heeft de verzochte toevoeging afgewezen omdat de aan eiser bij besluit van 1 september 2011 opgelegde bestuurlijke boete een bedrag van € 343,73 betreft en derhalve sprake is van een financieel belang van minder dan € 500,--, zoals neergelegd in artikel 12, tweede lid, sub b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en artikel 4 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingscriteria (Brt), en er geen sprake is van een zwaarwegend belang als bedoeld in artikel 4 van het Brt.

2 Eiser stelt dat sprake is van een zwaarwegend belang. Hij voert in beroep ter onderbouwing daarvan aan dat de verplichte zorgverzekering voor hem een zeer zwaarwegend probleem is. Hij heeft grote bezwaren van levensbeschouwelijke aard tegen de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten. Zoals ook uit de bezwaarstukken blijkt, komen die bezwaren er in de kern op neer dat hij op deze wijze wordt gedwongen mee te doen met een geneeskundig systeem waar hij niet achter staat en dat mensen alleen maar zieker maakt. Eiser wil zelf de verantwoordelijkheid dragen voor zijn gezondheid en doet geen beroep op de reguliere gezondheidszorg. Deze gedwongen deelname is volgens eiser in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), onder meer de artikelen 8 en 9, en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Hij acht zich aangetast in zijn levenssfeer en zijn eigendomsrecht en beroept zich op de vrijheid van levensbeschouwing. Voorts voert eiser in beroep aan dat er naast de levensbeschouwelijke bezwaren grote juridische bezwaren zijn tegen de verplichte verzekering. De zorgverzekering is een schadeverzekering waarop Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is, alsmede de regels van Boek 3 van het BW, en in het bijzonder de artikel 3:33 en 3:59 van het BW. Voorts heeft de wetgever volgens eiser een truc bedacht om het CVZ voor betrokkene een zorgverzekering te laten afsluiten die in strijd is met het Nederlandse rechtssysteem.

3 Verweerder heeft het standpunt gehandhaafd dat de gevraagde toevoeging terecht is geweigerd nu het op geld waardeerbare belang in kwestie beneden een bedrag van € 500,-- blijft en evenmin is gebleken van een voldoende zwaarwegend ander, niet direct op geld waardeerbaar, belang dat een toevoeging rechtvaardigt.

4 Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.

Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld omtrent de overeenkomstig het tweede lid in acht te nemen criteria.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Brt wordt rechtsbijstand op basis van een toevoeging, als zijnde van onvoldoende belang, niet verleend indien het op geld waardeerbare belang beneden een bedrag van € 500,-- blijft.

Ingevolge het zevende lid kan in afwijking van het eerste tot en met vierde lid rechtsbijstand of een toevoeging worden verleend indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht.

5 De rechtbank overweegt als volgt

5.1 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat, los van de zwaarwegende immateriële belangen van eiser, het financiële belang groter is dan het bedrag van € 343,74 dat aan boete is opgelegd. Hij heeft gesteld dat het systeem van de verplichte zorgverzekering aldus werkt dat indien niet binnen drie maanden na het opleggen van de boete alsnog een zorgverzekering wordt afgesloten een tweede boete zal volgen en dat indien daarna nog steeds geen zorgverzekering is afgesloten het CVZ ambtshalve een zorgverzekering namens eiser zal afsluiten en maandelijks een (bestuursrechtelijke) premie zal heffen die hoger zal zijn dan de gemiddelde zorgverzekeringspremie. Tegen een dergelijk besluit staan geen rechtsmiddelen open, zodat eiser alleen tegen de boete kan opkomen. Het financiële belang ziet volgens eiser dus niet alleen op de hoogte van de opgelegde boete, maar tevens op de premie die eiser maandelijks zal moeten gaan betalen, hetgeen neerkomt op een bedrag van, naar de gemachtigde van eiser heeft gesteld, € 130,00 per maand, zijnde € 1.560,00 per jaar.

Verweerder heeft zich ter zitting naar aanleiding hiervan op het standpunt gesteld dat indien de in het geding zijnde boete inderdaad kan leiden tot de door eiser gestelde verplichte premie-inning, het financiële belang inderdaad hoger is dan € 500,--, omdat alsdan van de jaarpremie dient te worden uitgegaan bij het beoordelen van het financiële belang.

5.2 De rechtbank overweegt dat uit de Zorgverzekeringswet, zoals gewijzigd bij de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering en de daarbij behorende Memorie van Toelichting (TK 2009-2010, 32 150, 3), de volgende systematiek naar voren komt. Met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 is iedereen die in Nederland woont of werkt verplicht om een zorgverzekering af te sluiten. Het CVZ spoort actief mensen op die geen zorgverzekering hebben afgesloten. Dit gebeurt door de administratie van de zorgverzekeraars en van de Sociale Verzekeringsbank met elkaar te vergelijken. Indien uit deze vergelijking blijkt dat iemand niet verzekerd is, ontvangt de betrokkene een brief van het CVZ met het verzoek om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten (artikel 9a van de Zorgverzekeringswet (Zvw)). Indien niet binnen deze periode van drie maanden een zorgverzekering is afgesloten legt het CVZ op grond van artikel 9b van de Zvw een bestuurlijke boete op, die door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens het CVZ wordt geïnd. Dit boetebedrag is gelijk aan drie keer de standaardpremie. Indien de betrokkene hierna niet alsnog binnen drie maanden een zorgverzekering afsluit legt het CVZ een tweede bestuurlijke boete op, wederom gelijk aan drie maal de standaardpremie (artikel 9c van de Zvw). Deze tweede boete gaat vergezeld van een last inhoudende dat betrokkene alsnog binnen drie maanden een zorgverzekering moet afsluiten, bij gebreke waarvan het CVZ, handelend als wettelijk vertegenwoordiger van de betrokkene, namens betrokkene een zorgverzekering zal afsluiten, de zogenaamde ambtshalve verzekering (artikel 9c, derde lid, jo. 9d van de Zvw). Deze ambtshalve verzekering wordt afgesloten voor een periode van 12 maanden. Het CVZ houdt de premie voor deze ambtshalve verzekering direct in op het loon of de uitkering van de betrokkene. Van dit systeem zijn uitsluitend gemoedsbezwaarden en militairen in werkelijke dienst uitgezonderd. Tegen het eerste en het tweede boetebesluit, alsmede tegen de last als bedoeld in artikel 9d, derde lid, van de Zvw, staan bezwaar en (hoger) beroep bij de bestuursrechter open. Tegen het sluiten van de ambtshalve zorgverzekering staat geen bezwaar en (hoger) beroep open.

5.3 De rechtbank overweegt dat het door eiser aangehaalde rechtsgevolg van het afsluiten door het CVZ van een ambtshalve zorgverzekering, met de bijbehorende directe premie-inning, gelet op de hierboven geschetste systematiek uitsluitend voortvloeit uit de last, die tegelijk met de tweede boete wordt opgelegd, en nog niet uit het eerste boetebesluit. Weliswaar wordt bij het eerste boetebesluit al aangegeven dat bij het niet afsluiten van een zorgverzekering een tweede boetebesluit met bijbehorende last zal volgen, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank slecht een mededeling van informatieve aard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat pas bij het tweede boetebesluit, waarbij tevens de last wordt opgelegd om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten bij gebreke waarvan het CVZ een ambtshalve zorgverzekering zal afsluiten, met de bijbehorende directe premie-inning, sprake is van de door eiser aangehaalde situatie, dat het besluit kan leiden tot het innen van een jaarpremie die de grens van € 500,-- te boven gaat.

5.4 Nu de bezwaarprocedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd blijkens de overgelegde stukken het eerste boetebesluit van 1 september 2011 betreft, doet zich naar het oordeel van de rechtbank thans nog niet de situatie voor dat de drempel van € 500,-- wordt overschreden.

5.5 Derhalve dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of ter zake van dit eerste boetebesluit sprake is van zwaarwegende belangen in de zin van artikel 4, zevende lid, van het Brt.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat met zwaarwegende belangen wordt gedoeld op de situatie dat naast het relatief kleine op geld waardeerbare belang een zwaarwegend ander, in hoofdzaak immaterieel, belang op het spel staat. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich niet voordoet. De inhoudelijke, principiële, bezwaren van eiser, waaronder het bezwaar dat de ambtshalve verzekering in strijd is met onder meer de artikelen 8 en 9 van het EVRM, en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, richten zich tegen de ambtshalve verzekering, die, zoals uit het voorgaande blijkt, pas aan de orde is bij het tweede boetebesluit en de bijbehorende last. Eiser kan in het kader van bezwaar tegen het tweede boetebesluit en de bijbehorende last zijn principiële bezwaren tegen de ambtshalve zorgverzekering aan de orde stellen. Zoals uit hegeen hierboven is overwogen blijkt, geldt bij het tweede boetebesluit en de daarbij behorende last dat, gelet op het gevolg van het niet voldoen aan dat tweede boetebesluit, te weten de ambtshalve verzekering en de directe premie-inning, dat in dat geval de financiële drempel van € 500,-- (ruimschoots) wordt overschreden, zodat een toevoeging voor die bezwaarprocedure niet geweigerd zal kunnen worden wegens een gebrek aan financieel belang.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskosteveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.