Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3831

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
C-09-441965 - KG ZA 13-474
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Bevoegdheid van de Deken van de Orde van Advocaten - krachtens de Advocatenwet - om op te treden tegen een advocaat wegens uitlatingen jegens de president van een rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/344
Prg. 2013/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/441965 / KG ZA 13-474

Vonnis in kort geding van 14 juni 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. M.J.F. Stelling te Alphen aan den Rijn,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Bruidegom te Rotterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als '[eiser]' en 'de Orde'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 juni 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser] heeft - als advocaat - een 'vredesactivist' bijgestaan, die strafrechtelijk werd vervolgd wegens het betreden van vliegbasis Volkel. De behandeling van de strafzaak werd bepaald op de zitting van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2013 onder voorzitterschap van mr. E.C.P.M. Valckx. Op 10 januari 2013 heeft [eiser], namens zijn cliënt, verzocht haar (mr. Valckx) te wraken. Bij beschikking van 31 januari 2013 heeft de wrakingskamer van de rechtbank Oost-Brabant het wrakingsverzoek afgewezen.

1.2. Bij brief van 1 februari 2013 heeft [eiser] zich gewend tot de president van de rechtbank Oost-Brabant. Verkort weergegeven brengt hij daarin - onder meer - het navolgende onder haar aandacht:

- de drie rechters die de wrakingsbeschikking van 31 januari 2013 hebben gegeven (hierna 'de wrakingsrechters') hebben in de uitoefening van hun functie willens en wetens gekozen voor bedrog en ingestemd met het barbaars immorele en juridisch misdadige 'Kernwapen-arrest' van de Hoge Raad van 21 december 2001; die instemming is een keuze die uitsluitend door totaal verdorven lieden kan worden gemaakt; daarmee is de wrakingsbeschikking een uiting van een volslagen morele, juridische en intellectuele corruptie;

- de wrakingsrechters missen iedere integriteit en hebben malicieus gehandeld;

- aan de orde is de vraag of de wrakingsrechters überhaupt wel beschikken over de vereiste kwaliteiten om op goede wijze als rechter te kunnen functioneren en - in het verlengde daarvan - of zij kunnen worden gehandhaafd als leden van de rechterlijke macht;

- de wrakingsrechters zijn schaamteloze lieden;

- de wrakingsrechters hebben zich willens en wetens gevoegd in het kamp van de totaal verdorvenen, die niet meer weten wat waarheid is en die geen onderscheid meer weten te maken tussen goed en kwaad; zij hebben zich volkomen gewetenloos gedragen;

- de wrakingsrechters zijn onpeilbaar leugenachtig;

- de wrakingsbeschikking wekt de indruk dat, om voor benoeming tot rechter in de rechtbank Oost-Brabant in aanmerking te kunnen komen, men klaarblijkelijk het meestersdiploma van de bedriegersgilde dient te kunnen overleggen;

- [eiser] zal de morele, juridische en intellectuele corruptie van de wrakingsrechters onder de aandacht van derden (het 'publiek') brengen.

1.3. Bij e-mailbericht van 10 maart 2013 heeft de president van de rechtbank Oost-Brabant, mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, het volgende medegedeeld aan de Deken van de Orde (hierna 'de Deken'):

"Vorige week woensdag 27 februari 2013 hebben wij elkaar telefonisch gesproken, onder meer over de negatieve wijze waarop mr. [eiser] zich schriftelijk uitlaat over rechters van onze rechtbank. Ik heb u toegezegd enkele uitlatingen van mr. [eiser] aan u te mailen zodat u een indruk krijgt van mijn klacht. In plaats daarvan stuur ik u de brief die ik op 1 februari j.l. van mr. [eiser] ontving om niet het risico te lopen dat losse uitlatingen de bedoeling van de schrijver in een verkeerd daglicht stellen. De onheuse toonzetting van deze brief komt overeen met de toonzetting in eerdere brieven die de rechtbank van mr. [eiser] heeft ontvangen en die naar mijn oordeel blijk geeft van onvoldoende respect voor de rechterlijke macht."

1.4. Op 18 maart 2013 heeft de Deken een afschrift van het e-mailbericht van de president van de rechtbank Oost-Brabant toegezonden aan [eiser]. In de begeleidende brief nodigt hij [eiser] - naar aanleiding van de inhoud van het e-mailbericht - uit voor een gesprek, met het verzoek om opgave van verhinderdata.

1.5. [eiser] heeft op 26 maart 2013 aan de Deken bericht dat hij niet ingaat op de uitnodiging voor een gesprek - kort gezegd - omdat hij van mening is dat de Deken geen bevoegdheid heeft om hem ter verantwoording te roepen c.q. te beoordelen ter zake van zijn meningsuitingen.

1.6. In reactie daarop heeft de Deken [eiser] - bij brief van 4 april 2013 - uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Orde op 17 april 2013 om 11.30 uur.

1.7. Daarop heeft [eiser] op 8 april 2013 aan de Deken medegedeeld dat hij niet ingaat op de uitnodiging voor dat gesprek. Voorts sommeert hij de Deken om zich te onthouden van iedere handelwijze die onverenigbaar is met artikel 7 van de Grondwet en om binnen een maand een beargumenteerde zienswijze inzake diens vermeende bevoegdheid aan [eiser] te doen toekomen.

1.8. Vervolgens heeft de Deken op 16 april 2013 het volgende geschreven aan [eiser]:

"Uw brief van 8 april 2013 heb ik in goede orde ontvangen. Ik ben echter niet bereid een wetenschappelijke verhandeling op te stellen omtrent mijn bevoegdheid klachten te onderzoeken, althans informatie te verkrijgen in het kader van een mogelijke tuchtrechtelijke klacht.

Als advocaat bent u gebonden aan de Advocatenwet alsmede de Gedragsregels, Richtlijnen en Verordeningen die op advocaten van toepassing zijn. Op grond van artikel 46c lid 2 Advocatenwet ben ik gehouden een onderzoek in te stellen naar iedere bij mij ingediende klacht. Mevrouw mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek heeft mij bericht slechts melding te willen maken van uw handelwijze. In dat kader heb ik op grond van artikel 46 f lid 1 jo 46 c lid 2 Advocatenwet eveneens een bevoegdheid om onderzoek te doen naar uw handelwijze.

U bent als advocaat gebonden aan artikel 46 Advocatenwet. Indien u zich uitlaat of gedraagt op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt, kan ik daarover ambtshalve een klacht tegen u indienen. Alvorens daartoe te beslissen verneem ik graag tijdens een gesprek uw zienswijze hierop. Ik zie niet goed op welke wijze u daarmee in uw grondrechten zou worden aangetast. Voor de goede orde wijs ik u nog even op de eed of de belofte die u bij uw beëdiging heeft afgelegd en waarin u onder meer heeft gezworen of beloofd "eerbied voor de gerechtelijke autoriteiten" te zullen hebben. Als deken heb ik de bevoegdheid alsmede de plicht te controleren of u zich aan deze eed of belofte houdt of heeft gehouden.

De urgentie die wellicht uit mijn eerdere brief aan u sprak had te maken met de korte termijn waarbinnen de afspraak viel, niet zozeer met de zaken die u worden verweten. In die zin is mijn verzoek aan u niet zo urgent als het wellicht op u is overgekomen, maar hecht ik er wel grote waarde aan u in persoon te spreken. Ik ga er daarom vanuit dat ik u op woensdag 17 april a.s. om 11.30 uur op het Bureau van de Haagse Orde mag ontvangen. Mocht u om u moverende redenen aan mijn verzoek nog altijd geen gehoor willen geven dan zal ik helaas tuchtrechtelijke maatregelen moeten overwegen. Ik vertrouw erop dat dit niet noodzakelijk zal blijken te zijn."

1.9. Bij faxbericht van 17 april 2013 te 9.34 uur heeft [eiser] aan de Deken bericht dat hij die dag niet zal verschijnen op het gesprek waarvoor hij is uitgenodigd.

1.10. Op 22 april 2013 heeft [eiser] bij de hoofdofficier van justitie te Den Haag aangifte gedaan van een poging van de Deken om hem ([eiser]) door misbruik van zijn gezag te dwingen tot een gesprek over de meningsuiting van [eiser] en zodoende te dulden dat inbreuk wordt gemaakt op een vrijheid die is gewaarborgd in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

1.11. Bij faxbericht van 25 april 2013 heeft de Deken aan [eiser] bericht dat hij - nu [eiser] niet wenst in te gaan op een uitnodiging voor een gesprek - niet anders kan concluderen dan dat hij de brief van [eiser] van 1 februari 2013 aan de president van de rechtbank Oost-Brabant onnodig grievend acht en dat hij op grond van artikel 46f lid 1 van de Advocatenwet klachten tegen [eiser] zal indienen bij de raad van discipline.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Deken te verbieden om - zolang deze het gemotiveerde standpunt van [eiser] dat artikel 46 van de Advocatenwet geen formeel wettelijke bepaling is zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet niet heeft gefalsificeerd op grond van een geloofwaardige en inzichtelijk gemotiveerde weerlegging van [eiser]s argumentatie - op welke manier dan ook in het kader van het advocatentuchtrecht nadere stappen te nemen op basis van een beoordeling van de meningsuitingen van [eiser];

II. de Deken te gelasten om de hiervoor bedoelde falsificatie binnen zes weken na de datum van het te wijzen vonnis aan [eiser] te doen toekomen, onder de bepaling dat bij gebreke van een zodanige falsificatie de Deken gehouden is om jegens [eiser] uit te gaan van zijn onbevoegdheid om [eiser]s meningsuitingen te beoordelen;

III. de Deken te gelasten om - nadat deze de falsificatie aan [eiser] heeft doen toekomen - aan [eiser] een termijn van zes weken te gunnen teneinde te beoordelen of de Deken het standpunt van [eiser] dat artikel 46 van de Advocatenwet geen formeel wettelijke bepaling is zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet daadwerkelijk heeft gefalsificeerd;

IV. de Deken te gelasten om - voor zover deze vóór het te wijzen vonnis reeds een klacht tegen [eiser] heeft toegezonden aan de raad van discipline - die klacht in te trekken en aan te houden, totdat definitief is vastgesteld of de Deken het standpunt van [eiser] dat artikel 46 van de Advocatenwet geen formeel wettelijke bepaling is zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet al dan niet heeft gefalsificeerd;

een en ander met veroordeling van de Orde in de proceskosten.

2.2. Samengevat voert [eiser] daartoe het volgende aan.

Naar aanleiding van de brief van [eiser] aan de president van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013 meent de Deken dat hij - krachtens de Advocatenwet - bevoegd is (i) een onderzoek in te stellen, (ii) [eiser] verantwoording te laten afleggen en (iii) tuchtrechtelijke sancties toe te passen, waaronder begrepen een 'dekenklacht' in de zin van artikel 46f van de Advocatenwet. Die bevoegdheden komen de Deken echter niet toe, aangezien daardoor de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van meningsuiting van [eiser] wordt geschonden. Artikel 7 van de Grondwet vereist immers voor iedere beperking van de meningsuiting - voor wat betreft de inhoud ervan - een in een formele wet neergelegde, voldoende kenbaar en duidelijk omschreven bepaling. Artikel 46 van de Advocatenwet, dat waakt tegen 'handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt', waarop de Deken zijn optreden baseert, kan niet als een zodanige bepaling worden aangemerkt. Die bepaling betreft namelijk slechts een - door de tuchtrechter in te vullen - 'open norm' en is derhalve onvoldoende concreet. De Deken is jegens [eiser] gehouden zijn - vermeende - bevoegdheid om uit hoofde van de tuchtrechtelijke bepalingen in de Advocatenwet handelend op te treden tegen [eiser] aannemelijk te maken. Dat weigert hij echter, ondanks sommatie.

2.3. De Orde heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal het verweer van de Orde hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatige handelingen van de Deken, die de Orde zijn toe te rekenen, hetgeen op zichzelf niet is betwist. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven.

3.2. Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of de Deken - op grond van de Advocatenwet - gerechtigd is tot de handelingen die hij jegens [eiser] heeft verricht en voornemens is te verrichten wegens de uitlatingen van [eiser] in zijn brief aan de president van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013.

3.3. Voor de onderhavige zaak zijn de navolgende bepalingen in de Advocatenwet van belang:

Artikel 3

1. De advocaten worden door de rechtbank van het arrondissement waarin zij kantoor wensen te houden en aan wier voorzitter zij een verzoek tot inschrijving hebben gedaan op requisitoir van het openbaar ministerie beëdigd. Van de beëdiging wordt door de griffier van de rechtbank kennisgegeven aan de secretaris van de algemene raad met het oog op de verwerking hiervan op het tableau.

2. Zij leggen de navolgende eed of belofte af:

'Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.'

Artikel 46

De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Deze tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in eerste aanleg door de raden van discipline en in hoger beroep, tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline.

Artikel 46d

(…)

4. De klacht wordt schriftelijk ter kennis van de raad van discipline gebracht. De deken stelt daarvan steeds de advocaat tegen wie de klacht is gericht en de klager schriftelijk op de hoogte. Indien hij op grond van zijn onderzoek van oordeel is dat de klacht kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, deelt hij dat met redenen omkleed bij de terkennisbrenging van de klacht aan de klager, aan de advocaat tegen wie de klacht is gericht en aan de raad van discipline mee.

5. Bij het ter kennis brengen aan de raad van discipline van de in het vierde lid bedoelde klacht, legt de deken een verklaring over waaruit blijkt of tegen de advocaat, tegen wie de klacht is ingediend, eerder tuchtrechtelijke klachten zijn ingediend. Indien de advocaat eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, vermeldt de verklaring tevens de maatregel die is opgelegd.

Artikel 46f

1. Indien de deken buiten het geval van een klacht op de hoogte is gebracht van bezwaren tegen een advocaat, kan hij deze ter kennis van de raad van discipline brengen. Hij stelt daarvan de advocaat tegen wie de bezwaren zijn gerezen schriftelijk op de hoogte.

2. Artikel 46d, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.4. Artikel 46f van de Advocatenwet geeft de Deken de bevoegdheid om (i) ambtshalve een onderzoek te verrichten, nadat hij bekend is geworden met gedragingen c.q. uitlatingen van een in 'zijn' arrondissement gevestigde advocaat, die zouden kunnen worden aangemerkt als handelingen die een behoorlijk advocaat niet betamen en (ii) indien de uitkomst van het onderzoek daartoe volgens hem aanleiding geeft, zijn bevindingen c.q. bezwaren aan de raad van discipline voor te leggen. In feite is hij daartoe zelfs verplicht uit hoofde van een goede uitoefening van zijn functie als Deken. Het is aan de Deken om te bepalen of hij gebruik maakt van voormelde bevoegdheden, terwijl hij het onderzoek geheel naar eigen inzicht kan inrichten, mits hij daarbij de van hem vereiste zorgvuldigheid jegens de betreffende advocaat in acht neemt. De Deken is vervolgens (ook) vrij om conclusies aan de uitkomsten van het onderzoek te verbinden en deze ter kennis te brengen van de raad van discipline. De Deken is niet gehouden om over een en ander verantwoording af te leggen aan de advocaat in kwestie. Daarvoor dient - in het voorkomende geval - de tuchtrechtelijke procedure bij de raad van discipline en eventueel, in hoger beroep, bij het hof van discipline, nadat de advocaat in die procedure(s) dienaangaande bezwaren naar voren heeft gebracht.

3.5. De Deken heeft - nadat hij kennis had genomen van het e-mailbericht van de president van de rechtbank Oost-Brabant van 10 maart 2013 en de brief van [eiser] aan die president van 1 februari 2013 - besloten om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 46f van de Advocatenwet en heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de gedragingen en uitlatingen van [eiser]. Zoals hiervoor overwogen, stond hem dat vrij. Niet kan worden aangenomen dat de Deken in het kader van het onderzoek de door hem jegens [eiser] in acht te nemen zorgvuldigheid heeft geschonden. De Deken heeft [eiser] immers verschillende malen uitgenodigd voor een gesprek, teneinde hem in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze te geven. Op de zitting heeft de Deken uitdrukkelijk aangegeven nog steeds open te staan voor een gesprek. [eiser] weigert echter stellig en consequent een gesprek met de Deken aan te gaan. Vervolgens is het aan de Deken om te bepalen of hij de zaak ter kennis brengt van de raad van discipline, bij welke beslissing de weigering van [eiser] tot een gesprek met hem kan meewegen. Ten tijde van de mondelinge behandeling had de Deken nog geen bezwaren tegen [eiser] ter kennis gebracht van de raad van discipline, maar uit het hiervoor onder 1.11 vermelde faxbericht kan worden afgeleid dat zulks alsnog zal gebeuren.

3.6. De in de onderhavige procedure aangevoerde klachten over het optreden van de Deken - in het bijzonder gelegen in een schending van de vrijheid van meningsuiting - dient [eiser] aan de orde te brengen in de tuchtrechtelijke procedure bij de raad van discipline en - in het voorkomende geval - bij het hof van discipline. Aangenomen moet worden dat die procedures een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang vormen. De door [eiser] in dat verband aangevoerde bezwaren - gebaseerd op een eerdere beslissing van het hof van discipline in een met de onderhavige zaak vergelijkbare kwestie - die in grote lijnen overeenkomen met de door [eiser] in zijn brief aan de president van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013 geuite klachten over de wrakingsrechters, doen daaraan niet af. Om die reden kan een in een (formele) wet geregelde tuchtrechtsgang immers niet worden opzijgezet.

3.7. Het voorgaande betekent dat de Deken niet kan worden verplicht het standpunt van [eiser] dat artikel 46 van de Advocatenwet geen beperking stelt c.q. kan stellen aan zijn vrijheid van meningsuiting te weerleggen. Reeds hierop stuit de onder 2.1 sub I vermelde vordering af. Dit brengt mee dat ook de overige vorderingen (sub II tot en met IV) niet voor toewijzing in aanmerking komen. Daarbij wordt nog buiten beschouwing gelaten dat de vorderingen van [eiser] te algemeen en te weinig concreet zijn geformuleerd, waardoor niet kan worden uitgesloten dat toewijzing ervan tot executieproblemen zou hebben geleid. Zo zou onder meer een meningsverschil kunnen ontstaan over de vraag of sprake is van een "geloofwaardige en inzichtelijk gemotiveerde weerlegging".

3.8. De vorderingen van [eiser] zullen derhalve worden afgewezen, met veroordeling van hem - als de in het ongelijk gestelde partij - in de proces- en nakosten, zoals verzocht te voldoen binnen twee weken na de betekening van dit vonnis. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om [eiser] te veroordelen in de "volledige proceskosten", zoals gevraagd door de Orde.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Orde begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht, te voldoen binnen twee weken na de betekening van dit vonnis;

- veroordeelt [eiser] tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013.

jvl