Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3409

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
C-09-438737 - KG ZA 13-264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Pensioenverplichtingen ter zake van 'buitenlands pensioen'. Meldplicht ex artikel 2 lid 2 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Omvang pensioendeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/438737 / KG ZA 13-264

Vonnis in kort geding van 19 april 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. K.E.H. Rueb-Braakman te Leiden,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], [streek], Spanje,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Ossentjuk te Leiden.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'de vrouw' en 'de man'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 april 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Partijen zijn op 16 oktober 1967 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

1.2. De man is op 18 juli 1974 in dienst getreden bij de European Space Agency (hierna 'ESA'). Sedert 1 december 2000 ontvangt de man een invaliditeitspensioen van de pensioenverzekeraar van ESA in Parijs, Frankrijk. Op [geboortedatum] 2008 heeft de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, waarna die pensioenuitkeringen zijn voortgezet.

1.3. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 oktober 2011 is tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Deze beschikking is op 12 maart 2012 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

1.4. Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank - onder meer - geoordeeld dat het ESA-pensioen dat de man sinds zijn 65e levensjaar geniet voor verevening op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding ('Wvp') in aanmerking komt en overwogen dat het pensioen een buitenlands pensioen betreft waarop artikel 1 lid 8 Wvp van toepassing is, zodat de vrouw geen recht heeft op rechtstreekse uitbetaling van haar deel van het pensioen door ESA, maar dat zij slechts een recht jegens de man heeft op uitbetaling van haar deel van het pensioen. Op grond daarvan is in die beschikking (i) voor recht verklaard dat de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken bij ESA tussen partijen verevend moeten worden overeenkomstig de bepalingen in de Wvp en (ii) de man, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om voor het einde van iedere maand waarop zijn pensioenuitkering betrekking heeft, het aan de vrouw toekomende bedrag op haar rekening te storten. De man is in hoger beroep gegaan van die beschikking, voor zover daarin is geoordeeld dat het ESA-pensioen valt onder de Wvp. Op 5 september 2012 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd. Hiertegen is geen beroep in cassatie ingesteld.

1.5. De man ontvangt (thans) maandelijks een bedrag ad € 3.160,15 aan pensioen.

1.6. Ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak had de man nog geen enkele betaling verricht uit hoofde van zijn pensioenverplichtingen jegens de vrouw.

2. Het geschil

2.1. Na wijziging van eis vordert de vrouw, zakelijk weergegeven:

A.

- de man te veroordelen tot betaling van de aan de vrouw toekomende pensioenvereveningstermijnen vanaf 16 maart 2012 tot en met april 2013, zijnde een bedrag van € 21.452,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2012;

B.

primair

- de man te veroordelen om met ingang van 1 april 2013 bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.580,08 per maand;

subsidiair

- de man te veroordelen tot uitvoering van de aan hem opgelegde verplichting om voor het einde van iedere maand waarop zijn pensioenuitkering betrekking heeft, het aan de vrouw toekomende bedrag op haar rekening te storten, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.000,-- voor iedere maand dat de man daarmee vanaf 1 mei 2013 in gebreke blijft;

meer subsidiair

- de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.960,96, als voorschot op de toekomstig verschuldigde pensioenver¬eve¬nings¬termijnen over de periode van 1 mei 2013 tot en met april 2014;

een en ander met veroordeling van de man in de werkelijke proceskosten.

2.2. Naast de hiervoor vermelde feiten voert de vrouw daartoe - samengevat - het volgende aan.

De man weigert over te gaan tot betaling van het deel van zijn ESA-pensioen dat de vrouw toekomt, ondanks zijn veroordeling daartoe in de - door het gerechtshof Den Haag - bekrachtigde beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2011. Het (netto) ESA-pensioen bedraagt € 3.160,15. Aangezien het volledige pensioen van de man is opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen, komt de vrouw de helft daarvan toe, ofwel

€ 1.580,08 per maand. De pensioenverplichtingen van de man jegens de vrouw vingen aan op 16 maart 2012. Tot en met april 2013 bedraagt de achterstand in de betalingen derhalve een bedrag van € 22.121,12. Daarop dient echter in mindering te strekken een bedrag van

€ 668,84 dat aan de vrouw is toegekomen uit hoofde van beslaglegging op de AOW-uitkering van de man.

2.3. De man heeft de vorderingen van de vrouw gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

Vooraf

3.1. De man heeft aangevoerd dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Daarin kan hij echter niet worden gevolgd. De vrouw heeft immers aangevoerd dat zij zonder de pensioenuitkering geen middelen (meer) heeft om te voorzien in haar bestaan en dat zij bij het nog langer uitblijven van betaling een bijstandsuitkering zal moeten aanvragen. Reeds hieruit volgt dat is voldaan aan het vereiste spoedeisende belang. Dat klemt te meer nu de man zijn, door de vrouw bestreden, stelling dat de vrouw beschikt over externe financieringsbronnen in het geheel niet nader heeft onderbouwd, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden.

3.2. Door middel van de onderhavige procedure wenst de vrouw te bewerkstelligen dat zij de beschikking krijgt over een voor executie vatbare titel, aan de hand waarvan zij in staat is tot tenuitvoerlegging van de veroordeling van de man tot voldoening aan zijn pensioenverplichtingen jegens de vrouw. De beschikking van de rechtbank van 18 oktober 2011 voldoet in dat opzicht niet, nu daarin geen concrete bedragen worden genoemd.

3.3. Op zichzelf erkent de man zijn pensioenverplichtingen jegens de vrouw, maar volgens hem is hij nog niet gehouden om tot betaling aan de vrouw over te gaan omdat (i) de melding ex artikel 2 lid 2 Wvp nog niet heeft plaatsgevonden en (ii) de omvang van het aan de vrouw toekomende deel van het ESA-pensioen nog niet vaststaat.

3.4. Behoudens de onder 2.1 sub B subsidiair vermelde vordering, betreffen de vorderingen van de vrouw geldvorderingen. Ingevolge vaste jurisprudentie is ten aanzien daarvan in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering(en) in kwestie voldoende aannemelijk is - hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen - maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

3.5. In aanvulling daarop wordt nog opgemerkt dat in kort geding slechts voorlopige voorzieningen kunnen worden getroffen. Toewijzing van een geldvordering in kort geding betekent derhalve dat - in beginsel - slechts sprake is van een veroordeling tot betaling van een voorschot. Voor een definitieve beslissing dienen partijen, althans één van hen, zich te wenden tot de bodemrechter.

Melding ex artikel 2 lid 2 Wvp

3.6. De man voert aan dat artikel 2 lid 6 Wvp bepaalt op welke wijze het recht van de vrouw op haar pensioendeel moet worden geëffectueerd indien - zoals in de onderhavige situatie - sprake is van een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot in plaats van recht op uitbetaling jegens een pensioenfonds. Ingevolge die bepaling is in een dergelijk geval het bepaalde bij of krachtens de Wvp van overeenkomstige toepassing is. De man stelt zich op het standpunt dat zulks meebrengt dat zijn pensioenverplichtingen jegens de vrouw pas ingaan na de melding, zoals voorgeschreven in artikel 2 lid 2 Wvp.

3.7. De man kan daarin echter niet worden gevolgd. Uit de tekst en strekking van artikel 2 Wvp volgt immers dat die meldplicht enkel geldt indien de tot verevening gerechtigde

(ex-)echt¬genoot zijn recht op pensioenverevening wil doen ontstaan jegens het uitvoeringsorgaan c.q. de pensioenverzekeraar. Indien hij dat niet wil of kan - zoals hier aan de orde - heeft hij een recht op uitbetaling jegens de andere (ex-)echtgenoot, zo volgt uit lid 6 van voormeld artikel. Uit dit artikel volgt niet dat dan ook een meldplicht bestaat.

3.8. Overigens zou - in de hypothetische situatie dat de meldplicht hier ook van toepassing is - in de gegeven omstandigheden de vrouw niet kunnen worden tegengeworpen dat zij haar aanspraak op pensioenverevening niet op formele wijze heeft gemeld aan de man. Gelet op de voorgeschiedenis, in het bijzonder de onder 1.4 vermelde procedures, was voor de man volstrekt duidelijk dat de vrouw aanspraak maakt op haar deel van het ESA-pensioen.

Omvang pensioendeel ten behoeve van de vrouw

3.9. De man stelt dat - alvorens hij gehouden is tot daadwerkelijke betaling aan de vrouw - eerst de omvang van het deel dat de vrouw van het ESA-pensioen toekomt moet komen vast te staan, hetgeen nog niet het geval. Opvalt dat de man in de dagvaarding stelt dat zulks een buitengewoon ingewikkelde kwestie is, waarvoor een deskundige moet worden ingeschakeld, maar dat hij zich desondanks op het standpunt stelt dat de vrouw een bedrag van € 1.214,21 per maand toekomt, terwijl van zijn zijde op de zitting is aangegeven dat de berekening van het pensioendeel ten behoeve van de vrouw niet ingewikkeld is. Hoe dan ook, de voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende.

3.10. Vaststaat dat het ESA-pensioen van de man (thans) een bedrag van € 3.160,15 per maand beloopt. Op grond van artikel 3 Wvp heeft de vrouw recht op de helft van het pensioen dat zou moeten worden uitbetaald. De man kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de vrouw geen recht heeft op de helft van zijn pensioenuitkering ad € 3.160,15, aangezien hij in 2000 invalide is geworden, als gevolg waarvan vervolgens geen opbouw van het pensioen meer heeft plaatsgevonden, zodat als uitgangspunt bij de berekening van het pensioendeel dat de vrouw toekomt moet worden gekeken naar de waarde van het pensioen in het jaar 2000. De rechtbank heeft in haar - door het gerechtshof bekrachtigde - beschikking van 18 oktober 2011 immers geoordeeld dat "het ESA-pensioen dat de man sinds zijn 65e jaar geniet voor verevening op grond van de WVP in aanmerking komt", waarbij is meegewogen dat de man in 2000 arbeidsongeschikt is geraakt. Aangenomen moet worden dat het ESA-pensioen dat de man ontving toen hij 65 jaar werd ook € 3.160,15 bedroeg, althans dat het thans ontvangen bedrag het geïndexeerde pensioen vormt van het pensioen dat de man op zijn 65e ontving. Blijkens voormelde beschikking bracht het bereiken van die leeftijd immers geen wijziging mee in de hoogte van het pensioen. In feite veranderde slechts de benaming c.q. het karakter van het pensioen, in die zin dat het geen 'invaliditeitspensioen' meer betrof, maar een 'ouderdomspensioen'.

Afronding

3.11. Het voorgaande betekent dat de verweren van de man geen doel treffen, alsmede dat met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de bodemrechter in een aan hem voorgelegd geschil zal oordelen dat de man vanaf 16 maart 2012 aan de vrouw een bedrag van € 1.580,08 (€ 3.160,15 ÷ 2) verschuldigd is uit hoofde van diens pensioenver¬plich¬t¬¬ingen jegens de vrouw. Gelet hierop en nu voor het overige geen (relevante) verweren zijn gevoerd door de man, zullen de vorderingen zoals vermeld onder 2.1 sub A en sub B primair worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over het onder A gevorderde bedrag is niet toewijsbaar, aangezien de gehele achterstand niet al op 16 maart 2012 verschuldigd was. In verband hiermee zal de wettelijke rente worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de vrouw te bevelen om binnen een bepaalde tijd een bodemprocedure aanhangig te maken, zoals door de man voorgesteld. Dat wordt aan het eigen initiatief van partijen overgelaten.

3.12. Ondanks het gegeven dat partijen gewezen echtelieden zijn, zal - in afwijking van het gebruikelijke beleid - de man, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Bezien in het licht van het bovenstaande moet de onderhavige procedure namelijk als onnodig worden aangemerkt. De proceskosten zullen voor wat betreft het salaris van de advocaat van de vrouw, zoals gewoonlijk, worden begroot overeenkomstig het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Er bestaat geen aanleiding om de man in dat verband te veroordelen in de werkelijke kosten, zoals door de vrouw gevorderd. Bij de begroting van de proceskosten aan de zijde van de vrouw zullen de kosten verbonden aan het uitgebrachte rectificatie-exploot buiten beschouwing worden gelaten, aangezien die kosten voor rekening van de vrouw behoren te blijven.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen de som van € 21.452,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata van de betreffende (maandelijkse) pensioenvereveningstermijnen;

- veroordeelt de man om met ingang van 1 april 2013 voor het einde van iedere maand waarop zijn pensioenuitkering betrekking heeft, aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.580,08;

- veroordeelt de man in de proceskosten tot op dit vonnis in totaal begroot op

€ 1.750,82, waarvan:

a. € 1.658,-- te voldoen aan de vrouw (€ 816,-- aan salaris advocaat en € 842,-- aan griffierecht);

b. € 92,82 inclusief BTW, wegens explootkosten, te vermeerderen met de kosten verbonden aan de publicatie van de dagvaarding in het Leidsch Dagblad, te voldoen aan de griffier van de rechtbank door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.580 ten name van MvVenJ. Arrondissement Den Haag 537, onder vermelding van "proceskostenveroordeling'' en het zaak- en rolnummer;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2013.

jvl