Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3125

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
C-09-433322 - HA RK 12-742
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Vader van verzoekers heeft vrijwillig afstand gedaan van de Nederlandse nationaliteit waardoor de minderjarige verzoekers eveneens de Nederlandse nationaliteit verloren. Voorts beroep op art 8 lid 1 VRK en op art 9 EVN afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/433322 / HA RK 12-742

Beschikking van 6 juni 2013 (bij vervroeging)

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarigen:

a) [A],

b) [B],

c) [C],

d) [D],

verzoekster,

advocaat mr. E. El Assrouti te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

hierna te noemen: ‘de IND’)

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 14 december 2012 ingekomen verzoekschrift,

- de brief van mr. Cappon van 25 april 2013,

- de brief van de officier van justitie van 7 mei 2013.

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Verzoekster is verschenen, vergezeld van mr. El Assrouti en de heer [tolk] als tolk. Namens de IND is mr. Cappon verschenen. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.

2. De feiten

2.1. Verzoekster (van Marokkaanse nationaliteit) is op 15 augustus 1994 in Marokko in het huwelijk getreden met de heer [X]. De heer [X] heeft bij Koninklijk Besluit van 4 december 1985 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Hij behield daarbij tevens zijn Marokkaanse nationaliteit. De vier uit het huwelijk geboren kinderen verkregen bij hun geboorte zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit. Op 4 juli 2008 zijn verzoekster en [X] gescheiden.

2.2. Op 2 april 2012 heeft [X] bij de gemeente Amsterdam door ondertekening van een eenzijdige verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit, afstand gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit. Sindsdien is hij uitsluitend in het bezit van de Marokkaanse nationaliteit.

2.3. Bij brief van 4 april 2012 heeft de gemeente Amsterdam verzoekster bericht dat haar vier minderjarige kinderen als gevolg van het afstand doen van het Nederlanderschap door hun vader, [X], het Nederlanderschap hebben verloren.

3. Het verzoek

3.1. Verzoekster verzoekt de rechtbank vast te stellen dat haar vier minderjarige kinderen nimmer de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en deze heden ten dage nog bezitten. Zij voert daartoe het volgende aan.

3.2. Zij had door de gemeente Amsterdam moeten worden gehoord nadat de vader het voornemen kenbaar had gemaakt om afstand te doen van zijn Nederlandse nationaliteit. [X] heeft, mede door zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, nimmer geweten dat ook zijn kinderen het Nederlanderschap zouden verliezen door zijn afstand van de Nederlandse nationaliteit. De rechtshandeling van [X], het afstand doen van het Nederlanderschap, is hierdoor nietig of vernietigbaar en het rechtsgevolg – verlies van het Nederlanderschap van de kinderen – dient daarom te worden teruggedraaid.

3.3. Voorts acht verzoekster de betreffende bepalingen in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in strijd met artikel 8, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (VRK). Een kind heeft op grond van voormeld artikel het recht zijn nationaliteit te behouden.

3.4. Ten slotte voert verzoekster aan dat de bepalingen in de RWN op dit punt in strijd zijn met artikel 9 van het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Haar kinderen kunnen thans de Nederlandse nationaliteit op geen enkele wijze herverkrijgen, hetgeen in strijd is met genoemd artikel 9.

4. Het standpunt van de IND en van de officier van justitie

4.1. De IND is van mening dat de vier minderjarige kinderen van verzoekster op grond van artikel 16, eerste lid, sub d, RWN van rechtswege hebben gedeeld in het verlies van het Nederlanderschap van hun vader en dat zij daarom niet meer de Nederlandse nationaliteit bezitten. Het verzoek dient volgens de IND te worden afgewezen.

4.2. De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

5. De beoordeling

5.1. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN bepaalt dat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren gaat indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge (onder meer) artikel 15, eerste lid, onder b, RWN. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door het afleggen van een verklaring van afstand. Niet staat ter discussie dat de vader van de minderjarigen op 2 april 2012 bij de gemeente Amsterdam afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit. De vier kinderen waren op dat moment allen nog minderjarig, zodat zij eveneens de Nederlandse nationaliteit verloren.

5.2. Verzoekster voert aan dat zij door de gemeente Amsterdam als belanghebbende gehoord had moeten worden. Nu dat niet naar behoren is gebeurd, kan de afstandverklaring volgens haar geen gevolgen hebben voor haar kinderen.

De rechtbank stelt voorop dat een wettelijk grondslag voor het horen van verzoekster als belanghebbende, ontbreekt. Voor zover er al een verplichting zou zijn geweest om verzoekster te horen, overweegt de rechtbank als volgt. De Staat heeft onbetwist gesteld dat de gemeente Amsterdam altijd de ouders van de betreffende minderjarigen op de hoogte stelt van de gevolgen van de afstandverklaring voor die minderjarigen. Verzoekster heeft zelf aangevoerd dat zij inderdaad een brief van de gemeente Amsterdam heeft ontvangen, maar dat zij geen kennis heeft genomen van de inhoud daarvan omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is. Dat de door Bureau Jeugdzorg toegewezen gezinsmanager, die voor verzoekster de post zou beheren, ten tijde van de ontvangst van de brief met vakantie was, en dat verzoekster toen de brief ter vertaling heeft voorgelegd aan de vader van de kinderen en dat deze verklaarde dat de brief weinig voorstelde en dat zij zich geen zorgen hoefde te maken, kan verzoekster niet baten. De gevolgen van het feit dat verzoekster haar post door iemand anders laat beheren en voor vertaling van stukken vertrouwt op derden, komt voor haar eigen rekening en risico. Uit het vorengaande leidt de rechtbank af dat de gemeente Amsterdam verzoekster naar behoren in kennis heeft gesteld van de gevolgen indien de vader conform zijn voornemen afstand zou doen van zijn Nederlandse nationaliteit. Verzoekster is de mogelijkheid geboden om haar standpunt met betrekking tot de afstandsverklaring aan de gemeente Amsterdam kenbaar te maken. Dat zij geen gebruik heeft gemaakt van deze vorm van inspraak kan er niet toe leiden dat daarom aan de afstandsverklaring ten aanzien van de minderjarigen rechtsgevolg wordt onthouden.

5.3. Of de vader nimmer uitdrukkelijk heeft geweten dat ook zijn kinderen het Nederlanderschap zouden verliezen als gevolg van zijn afstand van de Nederlandse nationaliteit, valt in de onderhavige verzoekschriftprocedure, waarin de vader geen partij is, niet te beoordelen. De rechtbank merkt hierbij wel op dat de vader conform artikel 63 lid 2 Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap een kennisgeving heeft ondertekend waarin hij verklaart er mee bekend te zijn dat zijn verlies van het Nederlanderschap tevens op grond van artikel 16, eerste lid en onder d, RWN in bepaalde gevallen het verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft voor zijn minderjarige kinderen. Het staat dan ook allerminst vast dat de vader bij het afstand doen van zijn Nederlandse nationaliteit heeft gedwaald.

5.4. Verzoekster doet een beroep op artikel 8, eerste lid, VRK. Dit artikel bepaalt dat de Staten die partij zijn, zich verbinden tot eerbiediging van het recht van het kind zijn of haar identiteit te behouden, met inbegrip van nationaliteit, naam en familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging. In de onderhavige zaak kregen de minderjarigen bij hun geboorte een dubbele nationaliteit. Het is dan aan de ouders te bepalen welke van die nationaliteiten de identiteit van het kind het meest weergeeft. Na meerderjarigheid heeft het kind, als oud-Nederlander, de mogelijkheid van optie en van vereenvoudigde naturalisatie, om het Nederlanderschap te herkrijgen. Een beroep op artikel 8 VRK kan, voor zover al zou moeten worden aangenomen dat dit een ieder verbindende bepaling is, er daarom niet toe leiden dat vastgesteld kan worden dat de minderjarigen - ondanks de afstandsverklaring van hun vader van de Nederlandse nationaliteit - naast de Marokkaanse nationaliteit ook in het bezit zijn gebleven van de Nederlandse nationaliteit.

5.5. Ten slotte voert verzoekster aan dat de betreffende bepalingen in de RWN in strijd zijn met artikel 9 EVN, omdat de minderjarigen de Nederlandse nationaliteit op geen enkele manier kunnen herverkrijgen, althans niet binnen afzienbare tijd. Artikel 9 EVN bepaalt dat elke Staat die partij is, het herverkrijgen van zijn nationaliteit door voormalige onderdanen die hun wettige en gewone verblijfplaats op zijn grondgebied hebben, vergemakkelijkt. De rechtbank is van oordeel dat nu artikel 6 , eerste lid, aanhef en onder f, RWN de minderjarige de mogelijkheid geeft om bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd, als oud-Nederlander, te opteren voor de Nederlandse nationaliteit, in het in artikel 9 EVN neergelegde recht voldoende wordt voorzien.

5.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

6. De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Wien, mr. J.J. van der Helm en mr. A.M. Brakel en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2013.?