Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3059

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
13/467
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag, DRC, Zuid-Kivu, vestigingsalternatief Kinshasa, alleenstaande moeder, levensomstandigheden, C2/6.1. Vc

Naar het oordeel van de rechtbank vormt het rapport Unicef Humanitarian Action Update, Democratic Republic of the Congo, UNICEF, van 4 augustus 2012, een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in voormelde zin. In het document wordt beschreven de voedselcrisis in de DRC: ongeveer één miljoen kinderen lijdt aan ernstige, acute ondervoeding (severe acute malnutrition of SAM). In sommige delen van het land is er zelfs sprake van een percentage van globale acute ondervoeding dat hoger is dan 15%. Weliswaar wordt dat niet hogere vóórkomen van ondervoeding bij kinderen niet gerapporteerd over Kinshasa, maar ten aanzien van het vóórkomen van ernstige acute ondervoeding wordt voor Kinshasa geen uitzondering gemaakt op het landelijke cijfer.

Bij een vóórkomen van meer dan een miljoen gevallen van kinderen met ernstige acute ondervoeding kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat “de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie”, in ieder geval niet voor iemand in de situatie van eiseres, met een zeer jong kind. Derhalve is niet voldaan aan de eis die verweerder zichzelf stelt in paragraaf C2/6.1 onder c, van de Vc 2000 voor het kunnen tegenwerpen van een vestigingsalternatief. De rechtbank kan in het midden laten of ten aanzien van Kinshasa een uitzondering bestaat op de voedselsituatie in de rest van het land van herkomst, nu verweerder het bestaan van zo’n uitzonderingssituatie niet heeft gesteld of daarover gegevens in het geding heeft gebracht. Verweerder heeft ter zitting slechts gesteld dat niet uitgesloten wordt geacht dat de voedselsituatie in Kinshasa beter is dan in de rest van het land.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/467

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], mede namens haar minderjarige kind

[K],

geboren op [geboortedatum],

beiden van Kongolese nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiseres,

gemachtigde mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te

Zwolle;

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te Den Haag,

vertegenwoordigd door mr. L.M. Kloetstra,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 19 december 2012 heeft eiseres opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 3 januari 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Bij brief van 4 januari 2013 is daartegen beroep ingesteld. Eiseres mocht de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten en heeft bij verzoek van 4 januari 2013 verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege zou worden gelaten tot in beroep is beslist. Het beroep en het verzoek zijn voorzien van gronden bij brief van 30 januari 2013.

Het verzoek is ter zitting van 5 februari 2013 behandeld. Eiseres - destijds verzoekster - is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Steenstra. Bij uitspraak van 13 februari 2013, Awb 13/471, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat uitzetting van verzoekster - thans eiseres - achterwege dient te blijven tot op het beroep is beslist.

Naar aanleiding van hetgeen in deze uitspraak is bepaald, heeft verweerder op 28 februari 2013 een verweerschrift ingediend.

Namens eiseres heeft haar gemachtigde bij brief van 8 mei 2013 hierop gereageerd. Dit heeft verweerder aanleiding gegeven op 15 mei 2013 een aanvullend verweerschrift uit te brengen.

Het beroep is ter zitting van 24 mei 2013 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.M. Kloetstra.

2. Overwegingen

2.1 Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kan dat besluit door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van dit rechtsbeginsel.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.2 Eiseres heeft eerder, op 21 november 2011, een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 2 februari 2012. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 22 augustus 2012, Awb 12/7290, door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem ongegrond verklaard.

Voor zover thans van belang is in de voorgaande procedure aan eiseres artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) tegengeworpen. Het relaas bezat in de eerdere procedure geen positieve overtuigingskracht. Eiseres kon in de eerdere procedure geen geslaagd beroep doen op artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83 EG, inzake minimum normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (hierna: Definitierichtlijn). Weliswaar was in Zuid-Kivu sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, maar er bestond een vestigingsalternatief in Kinshasa of andere gebieden waar geen sprake was van een dergelijke situatie, en die evenmin als categoriaal beschermingswaardig zijn gedefinieerd. Evenmin kon eiseres in de vorige procedure een geslaagd beroep doen op artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onder verwijzing naar de omstandigheid dat zij een alleenstaande vrouw was.

Gelet op het onder 2.1 weergegeven toetsingskader dient het thans aangevoerde afbreuk te kunnen doen aan het vorenvermelde, in rechte vaststaande, asielbesluit van 2 februari 2012.

2.3 Eiseres heeft aan haar opvolgende aanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Zij stelt dat zij als gevolg van een post traumatisch stresssyndroom in de eerdere procedure niet goed heeft kunnen verklaren. Zij betwist voorts dat Kinshasa als vestigingsalternatief aan haar kan worden tegengeworpen, waarbij zij erop wijst dat zij thans niet alleen een alleenstaande vrouw is, maar een alleenstaande moeder, zodat zij extra risico loopt bij terugkeer.

Ter ondersteuning van haar aanvraag heeft eiseres de volgende stukken overgelegd:

1 Diverse documenten met betrekking tot haar medische situatie;

2 Awaiting Justice One Year After Ethnic Attack, Human Rights Watch, van 4 oktober 2012;

3 Security Situation of Banyamulenge in DRCongo, UBUNTU, van 25 september 2012;

4 UNHCR urges states against returning people to eastern Democratic Republic of the Congo, UN High Commissioner for Refugees, van 20 november 2012;

5 Country Advice Democratic Republic of Congo, Australian Government, Refugee Review Tribunal, van 29 maart 2010;

6 Recent information on treatment afforded to Banyamulenge Tutsis by State agents and non-State agents in the DRC, particularly eastern DRC, researched and compiled by the Refugee Documentation Centre of Ireland, van 20 maart 2009;

7 Mail van dr. Herbert Weiss aan Landeninformatie Vluchtelingenwerk, van 31 augustus 2012;

8 Unicef Humanitarian Action Update, Democratic Republic of the Congo, UNICEF, van 4 augustus 2012.

2.4 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres afkomstig is uit Zuid-Kivu en dat haar etniciteit Tutsi (Banyamulenge) is. Evenmin is in geschil is dat in Zuid-Kivu sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Het geschil spitst zich thans toe op de vraag of voor eiseres een vestigingsalternatief in Kinshasa beschikbaar is.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank betreffen de documenten genoemd onder 1 geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden in voormelde zin. Voor zover de documenten dateren van na het eerdere afwijzende besluit, is op voorhand uitgesloten dat deze stukken kunnen afdoen aan het eerdere afwijzende besluit, in het bijzonder aan de overwegingen met betrekking tot het ontbreken van positieve overtuigingskracht, nu hieruit niet blijkt dat eiseres in de bestuurlijke fase van de eerdere procedure niet in staat was om goed te kunnen verklaren.

2.6 Het document genoemd onder 2, Awaiting Justice One Year After Ethnic Attack, Human Rights Watch, van 4 oktober 2012, dat weliswaar dateert van na het eerdere afwijzende besluit, en derhalve nieuw is, vormt naar het oordeel van de rechtbank evenmin een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in voormelde zin omdat de inhoud van het document geen betrekking heeft op Kinshasa. Reeds om die reden kan het document op voorhand niet afdoen aan het eerdere afwijzende besluit met betrekking tot het vestigingsalternatief in Kinshasa.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank vormt het rapport genoemd onder 3, Security Situation of Banyamulenge in DRCongo, UBUNTU, van 25 september 2012, dat weliswaar nieuw is, evenmin een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid omdat de organisatie UBUNTU een belangengroepering is. Daargelaten de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze organisatie, kan het rapport niet dienen als novum nu de inhoud ervan niet afkomstig is uit een objectieve bron, en de informatie in het rapport niet door enig ander concreet bewijs wordt gestaafd. Ook dit rapport kan daarom op voorhand niet afdoen aan het eerdere afwijzende besluit met betrekking tot het vestigingsalternatief in Kinshasa.

2.8 Ten aanzien van het onder 4 genoemde document, UNHCR urges states against returning people to eastern Democratic Republic of the Congo, UN High Commissioner for Refugees, van 20 november 2012, stelt de rechtbank vast dat het dateert van na het eerdere afwijzende besluit, en derhalve nieuw is. Voorts overweegt de rechtbank dat in het document staat:

“UNHCR also cautions against returning them (people fleeing the conflict in the Kivus and nearby affected areas) to safer parts of DRC, unless they have strong and close links there.”

Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat de UNHCR de bedoelde niet-conflict gebieden als veilig(er) aanmerkt, zodat het document niet kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit gebaseerd op de tegenwerping van Kinshasa als vestigingsalternatief. Derhalve is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in voornoemde zin. Dit geldt evenzeer voor het door eiseres genoemde eerdere document van de UNHCR, van

15 november 2012, nu niet is gebleken dat dit in essentie een andere inhoud heeft.

2.9 De documenten genoemd onder 5 en 6 zijn reeds gelet op hun datum, gelegen vóór het eerdere afwijzende besluit, geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in voormelde zin.

2.10 Ten aanzien van de mail van dr. Herbert Weiss aan Landeninformatie Vluchtelingenwerk, van 31 augustus 2012, stelt de rechtbank vast dat deze dateert van na het eerdere afwijzende besluit. Eveneens stelt de rechtbank vast dat dr. Weiss volgens beide partijen een erkende deskundige is, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank met zich brengt dat hij zijn verklaringen niet op alle punten met een gedetailleerde bronvermelding hoeft te onderbouwen, nu deze verklaringen immers zijn gebaseerd op zijn specifieke deskundigheid. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, geen aanleiding de verklaring van dr. Weiss op dit punt anders te beschouwen dan de adviezen van andere deskundigen, zoals opstellers van ambtsberichten of medische rapporten.

Desondanks is de rechtbank van oordeel dat op voorhand is uitgesloten dat de inhoud van de mail kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit ten aanzien van het vestigingsalternatief in Kinshasa, omdat uit de verklaring van dr. Weiss niet kan worden afgeleid dat Kinshasa voor Tutsi’s (Banyamulenge) op dit moment niet meer als veilig heeft te gelden.

2.11 Naar het oordeel van de rechtbank vormt het rapport Unicef Humanitarian Action Update, Democratic Republic of the Congo, UNICEF, van 4 augustus 2012, wel een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in voormelde zin. De rechtbank overweegt daartoe dat het document dateert van na het eerdere afwijzende besluit, en derhalve niet in de eerdere procedure overgelegd had kunnen worden, en dat het document afkomstig is uit een gezaghebbende, onafhankelijke bron. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het document niet van een vóórkomen van cholera in de DRC dat dusdanig is dat om die reden niet verwacht mag worden dat iemand zich daar vestigt.

Dit ligt naar het oordeel van de rechtbank anders ten aanzien van de in hetzelfde document genoemde voedselcrisis in de DRC: ongeveer één miljoen kinderen lijdt aan ernstige, acute ondervoeding (severe acute malnutrition of SAM). In sommige delen van het land is er zelfs sprake van een percentage van globale acute ondervoeding dat hoger is dan 15%. Weliswaar wordt dat niet hogere vóórkomen van ondervoeding bij kinderen niet gerapporteerd over Kinshasa, maar ten aanzien van het vóórkomen van ernstige acute ondervoeding wordt voor Kinshasa geen uitzondering gemaakt op het landelijke cijfer.

Bij een vóórkomen van meer dan een miljoen gevallen van kinderen met ernstige acute ondervoeding kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat “de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie”, in ieder geval niet voor iemand in de situatie van eiseres, met een zeer jong kind. Derhalve is niet voldaan aan de eis die verweerder zichzelf stelt in paragraaf C2/6.1 onder c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 voor het kunnen tegenwerpen van een vestigingsalternatief. De rechtbank kan in het midden laten of ten aanzien van Kinshasa een uitzondering bestaat op de voedselsituatie in de rest van het land van herkomst, nu verweerder het bestaan van zo’n uitzonderingssituatie niet heeft gesteld of daarover gegevens in het geding heeft gebracht. Verweerder heeft ter zitting slechts gesteld dat niet uitgesloten wordt geacht dat de voedselsituatie in Kinshasa beter is dan in de rest van het land.

2.12 Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit ten aanzien van de weigering eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

2.13 Gelet op het voorgaande kan ook het aan eiseres opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar, geen stand houden, zodat de rechtbank het bestreden besluit ook in zoverre zal vernietigen.

2.14 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 944,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 472,--; wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 januari 2013;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 944,--,=, te voldoen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, en door deze en mr. W. Markwat als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing