Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
758477-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn verre oom met meerdere messteken om het leven gebracht om hem van zijn geld te kunnen beroven. Daarmee heeft hij welbewust uit zelfzucht een ander het leven ontnomen. Dit is een buitengewoon ernstig feit, waarmee aan de nabestaanden een onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel leed is toegebracht. De rechtbank neemt het verdachte bovendien uiterst kwalijk dat hij een kwetsbaar slachtoffer heeft uitgekozen. Daarnaast heeft verdachte nadat hij zijn oom had gedood en bestolen, geprobeerd om ook [slachtoffer B] met een mes te doden, toen deze hem op de plaats van het misdrijf aantrof. Daarmee heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van [slachtoffer B] en hem veel leed berokkend en psychische schade toegebracht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) JAREN.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/758477-12

Datum uitspraak: 13 juni 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting[naam PI]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 oktober 2012, 3 januari 2013, 21 maart 2013 en 30 mei 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Rijsdorp en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Namens [zoon slachtoffer A], een zoon van het slachtoffer, is ter terechtzitting een schriftelijke nabestaandenverklaring voorgelezen.

Namens [slachtoffer B] is ter terechtzitting een schriftelijke slachtofferverklaring voorgelezen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 juni 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer A] op/in de borst en/of buik en/of keel en/of hals, althans in het lichaam gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer A] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juni 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer A] meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp op/in de borst en/of buik en/of hals en/of keel, althans in het lichaam gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer A] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (van euro 8000,--, althans enig geldbedrag toebehorende aan [slachtoffer A] en/of andere(n)) (strafbaar gesteld in artikel 310 Wetboek van Strafrecht), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 288 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juni 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer A] op/in de borst en/of buik en/of keel en/of hals, althans in het lichaam gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer A] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 09 juni 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer B] van het leven te beroven, opzettelijk

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal in de richting van het lichaam van die [slachtoffer B] heeft gestoken en/of

- (met kracht) met zijn hand de keel van die [slachtoffer B] heeft dichtgeknepen en/of (vervolgens) enige tijd dichtgeknepen gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juni 2012 te 's-Gravenhage [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal in de richting van het lichaam van die [slachtoffer B] gestoken en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer B] getoond en/of

- (met kracht) met zijn hand de keel van die [slachtoffer B] dichtgeknepen en/of (vervolgens) enige tijd dichtgeknepen gehouden, en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Jij bent nu aan de beurt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen1

3.1 Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 9 juni 2012, omstreeks 13.15 uur, heeft [slachtoffer B](hierna: [slachtoffer B] ) zich gemeld in het politiebureau Hoefkade te Den Haag met de mededeling dat hij die ochtend zijn oom dood had aangetroffen in diens woning aan de Falckstraat [nummer] te Den Haag. Ook een verre neef van hem (te weten: verdachte) was op het moment dat hij daar aankwam in die woning en deze had hem onverhoeds meerdere malen geprobeerd te steken met een mes. Op enig moment had hij de woning kunnen ontvluchten en was hij met zijn broer naar het politiebureau gekomen.2

Verbalisanten vonden vervolgens in de betreffende woning het levenloze lichaam van [slachtoffer A] (hierna: [slachtoffer A]), geboren op [geboortedatum] 1932 te [geboorteplaats] (Marokko).

Uit sectie door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat [slachtoffer A] is overleden als gevolg van meerdere bij leven opgelopen steek- en snijverwondingen aan de voorzijde van zijn lichaam, in de hals en de romp.3

Omdat [slachtoffer B] bloed op zijn kleding en verwondingen aan zijn handen had, werd hij in eerste instantie aangehouden als verdachte. Na nader onderzoek en verhoor door de politie werd hij aangemerkt als getuige.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het verdachte is die het slachtoffer om het leven heeft gebracht, en zo ja, of dit moet worden gekwalificeerd als moord, gekwalificeerde doodslag, of doodslag.

Ook moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer B] door messteken en/of door het dichtknijpen van de keel om het leven te brengen of hem met een mes heeft bedreigd.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

(moord) gevorderd. Naar haar mening kan niet bewezen worden dat verdachte van te voren al van plan was het slachtoffer om het leven te brengen. Zij heeft geconcludeerd dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (gekwalificeerde doodslag) wel wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Volgens de officier van justitie is het - gelet op de door het Openbaar Ministerie uitgezette tijdlijn - welhaast onmogelijk dat een ander dan verdachte het slachtoffer op deze wijze om het leven heeft gebracht onder wegneming van het geld van het slachtoffer. Voorts heeft zij gewezen op de consistente verklaringen van [slachtoffer B] en de belastende resultaten van het forensisch technisch onderzoek en het DNA-onderzoek.

De officier van justitie heeft voorts - gelet op de verklaring van [slachtoffer B] en de resultaten van het forensisch technisch onderzoek en het DNA-onderzoek - het onder 2 primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) wettig en overtuigend bewezen geacht, met uitzondering van het onderdeel: " bij de keel pakken en dichtknijpen", nu dit onderdeel onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat het goed mogelijk is dat niet verdachte, maar iemand anders het slachtoffer heeft neergestoken. Ook heeft verdachte een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat zowel zijn DNA op de broekzak van het slachtoffer als ook bloedsporen van het slachtoffer op zijn jas zijn terechtgekomen. Deze sporen zijn ontstaan nadat hij het slachtoffer al overleden op de grond had aangetroffen. Voorts acht de raadsman de verklaringen van [slachtoffer B] onbetrouwbaar, nu deze tegenstrijdigheden bevatten.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

3.4.1. Voor de vraag of verdachte degene is geweest die [slachtoffer A] om het leven heeft gebracht, zijn de navolgende bewijsmiddelen van belang.

3.4.1.1 de verklaring van [slachtoffer B]

[slachtoffer B] heeft verklaard dat hij die ochtend op verzoek van [zoon slachtoffer A] , de zoon van het slachtoffer [slachtoffer A] , zijn oom is gaan ophalen om hem naar Schiphol te brengen, vanwaar hij naar Marokko zou gaan.

Omstreeks 11.35 uur belde hij bij hem thuis aan, maar er werd niet opengedaan. Vervolgens heeft hij de zoon gebeld en deze zou zijn vader gaan bellen. Terwijl hij wachtte kwam een vrouw naar beneden en zij liet hem het portiek binnen. Hij is vervolgens naar de eerste verdieping gelopen en heeft aangebeld bij zijn oom. Aanvankelijk werd niet opengedaan maar na diverse malen aanbellen werd de deur geopend, door verdachte, die een ver familielid is van hem. [slachtoffer B] en verdachte begroetten elkaar en [slachtoffer B] deed zijn schoenen uit. Verdachte liep ondertussen naar de keuken en [slachtoffer B] liep richting de woonkamer en zag toen de arm van zijn oom in de deuropening tussen woonkamer en de hal liggen. Hij vroeg aan verdachte of alles goed was en verdachte zei: "Alles goed". Verdachte, die op dat moment op een afstand van 1,5 meter van hem stond, haalde daarop opeens een mes tevoorschijn en probeerde hem daarmee in zijn linkerzij te steken. [slachtoffer B] kon het mes ontwijken en pakte de hand van verdachte met daarin het mes vast. Er ontstond een worsteling waarbij [slachtoffer B] op de grond viel en zijn bril en mobiele telefoon verloor. Verdachte bleef stekende bewegingen maken in de richting van de buik van [slachtoffer B] . Op een gegeven moment stopte verdachte daarmee en moest [slachtoffer B] naar de slaapkamer lopen. Hij zag toen het lichaam van zijn oom op de grond liggen. In de slaapkamer moest hij op het bed gaan zitten. Verdachte liep daar heen en weer en zei dat [slachtoffer B] zijn plannen had gedwarsboomd. [slachtoffer B] probeerde verdachte te overreden om hem te laten gaan. Dit duurde tenminste een kwartier. In de tussentijd ging de telefoon van [slachtoffer B] , die hij in de hal had verloren, steeds over. Daarop haalde verdachte de telefoon en zei, ondertussen dreigend met het mes, dat [slachtoffer B] de volgende keer moest opnemen en dan moest zeggen dat ze al op Schiphol waren. [slachtoffer B] zei dat hij beter kon zeggen dat ze onderweg waren. Even later moest hij met die boodschap naar [zoon slachtoffer A] bellen. [slachtoffer B] praatte met verdachte over hun jeugd en hun kinderen en smeekte hem om genade. Op zeker moment draaide verdachte het mes weg en zei dat [slachtoffer B] hém maar moest vermoorden. Hij legde het mes op een kastje in de slaapkamer en herhaalde dat [slachtoffer B] zijn plannetje had gedwarsboomd. Daarna probeerde hij [slachtoffer B] met één hand te kelen. Na een korte worsteling kon [slachtoffer B] de woning uitvluchten en op zijn sokken naar buiten rennen. Zijn schoenen liet hij in de woning achter, net als zijn telefoon en zijn bril.4

3.4.1.2 het forensisch technisch onderzoek en het DNA-onderzoek

In de woning werden - voor zover van belang - de navolgende goederen en sporen aangetroffen.

Op de vloer in de gang op circa twee meter achter de toegangsdeur, werd onder meer één paar donkerbruine instappers aangetroffen. Tussen de donkerbruine instappers lag een opgevouwen bril met een zwart montuur.5

[slachtoffer B] herkende de donkerbruine instappers en de bril als zijn eigendom.6

In de slaapkamer werd op een kastje een keukenmes gevonden, waarvan het lemmet bebloed was. In de keuken werden diverse messen aangetroffen die op dit mes leken.7 Uit NFI onderzoek blijkt dat hierop één DNA-profiel is verkregen, wat matcht met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer A] .8

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat [slachtoffer A] met dit mes om het leven is gebracht.

Het lichaam van [slachtoffer A] lag in de woonkamer direct achter de geopende deuropening. Op de sofa nabij zijn hoofd lag een jas, met de binnenzijde naar boven. Half uit de binnenzak stak een stapel pasjes. Op de jas lag het Marokkaanse paspoort van [slachtoffer A] . Hij was gekleed in een broek, hemd, blouse, trui en een hesje met aan de voorzijde diverse zakken. De ritssluitingen van enkele zakken stonden open en de steekzakken van de broek waren binnenste buiten gekeerd. De bovenkleding was opgestroopt. Er waren steekverwondingen zichtbaar op het ontblote deel van de buik. Op de vloer rondom de buik waren enkele bloedsporen aanwezig. Op de kraag van de trui zat bloed. Rondom het lichaam waren verder geen bloedsporen zichtbaar. Uit onderzoek is gebleken dat er geen latent bloed (resten) in de woning is achtergelaten.9

Uit de wijze waarop de zakken van het slachtoffer werden aangetroffen, maakt de rechtbank op dat het slachtoffer is beroofd.

Het NFI heeft de broek bemonsterd op aanwezig celmateriaal van degene die mogelijk de zakken heeft doorzocht. Van de bemonstering van de rand van de rechterbroekzak zijn twee DNA-profielen verkregen. Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer A] . Het DNA-nevenprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte, waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op de één miljard.10

Hieruit kan blijken dat verdachte de rand van deze broekzak heeft aangeraakt.

[slachtoffer B] droeg ten tijde van zijn aanhouding een jas, broek, overhemd en plastic slippers. Op zijn rechterhand zat een klein wondje. Op zijn linker onderarm had hij twee kleine verwondingen. De jas was beschadigd en er zaten enkele bloedvlekken op. Het NFI heeft in de jas ondermeer twee gaatjes met rechte draadeinden waargenomen. De kenmerken van deze gaatjes wijzen erop dat zij zijn ontstaan door een scherprandig voorwerp, bijvoorbeeld een mes.11

De bloedsporen op de jas zijn bemonsterd en onderzocht op DNA. Het verkregen DNA-profiel matcht met dat van [slachtoffer A] , waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op de één miljard. Het NFI concludeert verder dat op de jas veel contactsporen van bloed zijn aangetroffen die zijn ontstaan door (bewegend) contact met een bebloed object of een bebloede persoon.12

Uit de Interpretatie forensische onderzoeksresultaten blijkt dat op het slachtoffer geen sporen zijn aangetroffen van het verstoren van bloed, en dat het daarom niet waarschijnlijk wordt geacht dat de contactsporen op de jas van [slachtoffer B] zijn veroorzaakt door direct contact met het slachtoffer in de situatie zoals deze werd aangetroffen.13

Op verdachte's jas, in zijn hotelkamer in Frankrijk aangetroffen,14 zijn aan de buitenkant verschillende bloedvlekken waargenomen, met name op het linkervoorpand en de voorzijde van de linkermouw. Op de buitenkant van de rechtermanchet is aan de achterzijde eveneens een bloedvlek gevonden. Door het NFI zijn deze bloedvlekken bemonsterd voor een DNA-onderzoek. Daaruit is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer A] , waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op de één miljard.15

3.4.1.3 de tijdlijn met betrekking tot de activiteiten [slachtoffer A] , [slachtoffer B] en verdachte op 9 juni 2012

Getuige [getuige 1] , een buurvrouw van [slachtoffer A] , is rond 11.00 uur met slachtoffer [slachtoffer A] naar huis gelopen en het moet ongeveer 11.30 uur zijn geweest toen zij thuis kwamen, waarna ze [slachtoffer A] met zijn sleutel zijn voordeur zag openmaken, volgens haar verklaring.16

Verdachte is om 11.17 uur op Holland Spoor uit een trein gestapt. Hij loopt met versnelde pas naar de uitgang van het station in de richting van de Parallelweg.17 De politie heeft vastgesteld dat de afstand tussen station Hollands Spoor en de Falckstraat drieënhalve minuut lopen is.18

[slachtoffer B] rijdt om 11.37 uur vanaf de Hoefkade de Falckstraat in. Om 12.13 uur rijdt [slachtoffer B] vanaf de Falckstraat weer de Hoefkade op.19

Verdachte komt om 12.15 uur vanuit de richting van de Falckstraat het station Holland Spoor binnen en om 12.20 uur stapt hij in een trein.20

[zoon slachtoffer A], de zoon van het slachtoffer, heeft verklaard dat hij rond 12.10 uur is gebeld door [slachtoffer B] dat ze onderweg waren naar Schiphol, en dat hij daarvoor tussen 11.30 en 12.00 uur diverse malen de huistelefoon van zijn vader en het nummer van [slachtoffer B] had gebeld maar dat er niet werd opgenomen.21

3.4.1.4 verklaringen van verdachte in het vooronderzoek

Verdachte is door de politie achtmaal verhoord en heeft ook bij zijn inbewaringstelling een verklaring afgelegd.22 De verklaringen van verdachte zijn gelijkluidend waar het gaat om (de aanleiding voor) zijn bezoek aan [slachtoffer A] op 9 juni 2012 en komen ook overeen waar het de gebeurtenissen betreft die zich volgens verdachte toen in de woning hebben voorgedaan. De rechtbank zal de verschillende verklaringen van verdachte dienaangaande daarom als volgt samenvatten.

Verdachte is die dag naar zijn verre oom [slachtoffer A] gegaan om te vragen of hij bij hem kon komen wonen, omdat hij een GBA-adres nodig had. Vanaf station Den Haag HS is hij rechtstreeks naar de woning van [slachtoffer A] gelopen. Daar heeft hij aangebeld maar er werd niet opengedaan. Vervolgens kwam een donkere neger bij de hoofdingang naar beneden die hem heeft binnengelaten. Bij de woning van [slachtoffer A] zag verdachte de voordeur openstaan. Binnen zag hij het lijk van [slachtoffer A] in de woonkamer liggen en veel bloed. Hij sprak [slachtoffer A] diverse malen aan maar deze reageerde niet. Op zijn knieën heeft hij geluisterd of [slachtoffer A] nog ademde. Het kan zijn dat hij toen met zijn wang de wang van [slachtoffer A] heeft aangeraakt. Door de shock heeft hij daar anderhalf tot drie minuten gezeten. Vervolgens is hij rond gaan kijken of er misschien nog iemand in de woning was en zag hij in de keuken een mes liggen. Na vijf minuten ging de voordeurbel. Verdachte deed open en zag [slachtoffer B] voor de deur staan. Deze kwam binnen, zag het lijk van [slachtoffer A] en begon hem meteen te beschuldigen. [slachtoffer B] veegde toen met een handgebaar zijn eigen bril van zijn neus af en die bril viel daardoor op de grond. Verdachte zei dat hij niets had gedaan. Verdachte pakte met een doekje het mes uit de keuken en zei tegen [slachtoffer B] dat [slachtoffer A] waarschijnlijk met dat mes was doodgestoken. [slachtoffer B] ging op enig moment in de slaapkamer zitten. [slachtoffer B] zei dat verdachte het mes mee moest nemen want anders zou de politie zijn DNA erop vinden. De telefoon van [slachtoffer B] ging steeds af maar hij nam niet op. Even later belde [slachtoffer B] naar de zoon van [slachtoffer A] en zei dat hij zou bellen zodra zij op Schiphol waren. Op een gegeven moment liep [slachtoffer B] weg uit de woning, onder achterlating van zijn sleutels en zijn telefoon. Verdachte ging hem achterna om de sleutels en de telefoon aan hem terug te geven, maar [slachtoffer B] reageerde niet en reed ineens weg. Het hele gebeuren in de woning duurde volgens verdachte vijf tot zeven minuten. Daarna raakte hij in een shock en wist hij niet wat hij moest doen. Hij is toen naar Rotterdam en Dordrecht gegaan en vervolgens naar Frankrijk gereisd.

3.4.1.5 de verklaringen van verdachte ter terechtzitting van 30 mei 201323

Ter terechtzitting heeft verdachte op de volgende punten zijn eerdere verklaringen aangevuld.

Ten eerste heeft hij verklaard dat hij, toen hij die ochtend rond 11.17 uur op station Den Haag HS was gearriveerd, eerst naar een cafetaria is gelopen om een pakje sigaretten te kopen. De automaat was echter stuk en er moest iemand bijgehaald worden. Daarna is hij rustig naar de woning van [slachtoffer A] gelopen, waar hij pas rond 11.45 uur aankwam.

Ten tweede heeft hij verklaard dat hij, toen hij bij het lichaam van [slachtoffer A] stond, een zakdoekje uit zijn broekzak heeft gehaald om zijn neus te snuiten. Dat zakdoekje heeft hij vervolgens op de linkerbroekzak van [slachtoffer A] laten vallen en dat heeft hij toen weer opgepakt.

Ten derde heeft hij verklaard niet te kunnen uitleggen hoe bloed van [slachtoffer A] op zijn jas terecht is gekomen. Wellicht heeft hij, buigend over zijn oom om te luisteren of hij nog ademde, met zijn jas het slachtoffer [slachtoffer A] aangeraakt.

3.4.2 Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank stroken de verklaringen van verdachte niet met de onder 3.4.1.3 geschetste tijdlijn, wat betreft zijn aankomsttijdstip en verblijf binnen in de woning.

Uit de camerabeelden en het onderzoek van de politie volgt dat verdachte rond 11.20 uur moet zijn aangekomen bij de woning van [slachtoffer A] . De verklaring van verdachte dat dit veel later was, acht de rechtbank onaannemelijk, nu hij dit pas ter terechtzitting voor het eerst heeft verklaard.

Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] volgt dat [slachtoffer A] rond 11.30 uur terug was in zijn woning. [slachtoffer B] arriveerde rond 11.37 uur in de Falckstraat, had een paar minuten nodig om binnen te komen en rond 12.13 uur is hij met zijn auto de Falckstraat uitgereden. Hieruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer B] aanmerkelijk veel langer dan 5 à 7 minuten in de woning van [slachtoffer A] is geweest, zoals door verdachte is verklaard. Verdachte heeft daarom ook hieromtrent een ongeloofwaardige verklaring afgelegd.

De verklaring van verdachte strookt voorts op essentiële en voor hem zeer belastende punten niet met de resultaten van het forensisch technisch onderzoek en het DNA-onderzoek. Verdachte heeft geen verklaring kunnen geven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de rechterbroekzak van het slachtoffer. De eerst ter terechtzitting door verdachte genoemde omstandigheid dat hij een zakdoek op de linkerbroekzak van het slachtoffer heeft laten vallen, kan dit niet verklaren. Het verweer van de raadsman dat verdachte zich door de zenuwen heeft vergist in de broekzak, schuift de rechtbank terzijde. Verdachte heeft immers op nadere vragen van de rechtbank uitdrukkelijk en meermalen aangegeven én aangewezen dat het om de linkerbroekzak ging en heeft na confrontatie met de bevindingen van het DNA-onderzoek bevestigd dat hij geen verklaring heeft voor de aanwezigheid van zijn DNA op de rechterbroekzak van het slachtoffer.

Ook heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat op zijn jas bloedsporen van [slachtoffer A] zijn aangetroffen. De verklaring van verdachte dat dit komt doordat hij met zijn jas wellicht [slachtoffer A] heeft aangeraakt, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Er is bloed van het slachtoffer op verschillende plekken van de jas aangetroffen, waardoor zijn verklaring minder aannemelijk is. Als daarnaast de jas van verdachte bloed op het lichaam van het slachtoffer had geraakt, waren de bloedsporen op het lichaam van [slachtoffer A] naar alle waarschijnlijkheid verstoord geweest. Uit het forensisch technisch onderzoek is echter gebleken dat de bloedsporen op het lichaam van [slachtoffer A] niet zijn verstoord. Aangezien in de woning van [slachtoffer A] ook geen restsporen van bloed zijn aangetroffen, gaat de rechtbank er daarom van uit dat de bloedsporen rechtstreeks van [slachtoffer A] op de jas van verdachte terecht zijn gekomen. Dit gegeven kan slechts leiden tot één conclusie. De bloedsporen zijn bloedspatten die op de jas van verdachte terecht zijn gekomen toen verdachte [slachtoffer A] meerdere malen met een mes stak.

Verdachte heeft bovendien geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor zijn latere gedragingen. Dat hij geen enkele handeling heeft verricht om de politie te waarschuwen over het aantreffen van het slachtoffer, dat hij na vertrek van [slachtoffer B] uit de woning van het slachtoffer eerst via Delft en Rotterdam, waar hij 11 uur achtereen in een casino heeft doorgebracht, via België naar Frankrijk is gereisd, en daar ongeveer 3 weken in een hotel heeft verbleven, kan door de - door verdachte aangevoerde - shock over het dood aantreffen van zijn verre oom niet worden verklaard. Een andere meer aannemelijke verklaring voor deze gedragingen heeft verdachte niet gegeven.

Uit het voortgaande concludeert de rechtbank dat verdachte op essentiële en hem zeer belastende punten een onaannemelijke en ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd.

Dit in samenhang met de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer A] door messteken om het leven heeft gebracht.

De rechtbank acht het door de raadsman summier onderbouwde andere scenario, namelijk dat in de periode van ongeveer 11.30 uur tot ruim genomen 11.45 uur

( aankomst [slachtoffer B] per auto om 11.37 plus enkele minuten wachten buiten) een ander dan verdachte in de woning van [slachtoffer A] is binnen geweest en [slachtoffer A] om het leven heeft gebracht, niet aannemelijk geworden. Dat verweer wordt dan ook verworpen.

De wijze waarop verdachte [slachtoffer A] om het leven heeft gebracht, te weten door meermalen met een mes krachtig te steken in het lichaam van [slachtoffer A] , laat geen andere conclusie toe dan dat er sprake is geweest van boos opzet op de dood van [slachtoffer A] .

3.4.3 Kwalificatie

3.4.3.1 voorbedachte raad

De rechtbank is - net als de officier van justitie en de raadman - van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

3.4.3.2 oogmerk van verdachte

Uit het forensisch en technisch onderzoek kan worden afgeleid dat de kleding van [slachtoffer A] is doorzocht. Voorts werd noch op het lichaam van [slachtoffer A] noch in zijn woning enig geldbedrag aangetroffen. De rechtbank acht het zeer onaannemelijk dat [slachtoffer A] op reis naar Marokko zou gaan zonder enig geldbedrag op zak. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat hij geld bij zich had, dan wel nog geld in zijn woning had liggen. Dit wordt mede ondersteund door de verklaring van de zoon van [slachtoffer A] , die beschrijft dat zijn vader altijd cash geld meenam naar Marokko en spreekt over een groot geldbedrag (rond de € 7.000) dat zijn vader nu zou meenemen.24 Getuige [getuige 2] , een achterneef van [slachtoffer A] , heeft verklaard dat ook hij een geldbedrag aan [slachtoffer A] had meegegeven (€ 3.000).25

De rechtbank neemt voorts in overweging dat verdachte nadat hij de woning aan de Falckstraat had verlaten, een abnormaal uitgavenpatroon heeft vertoond. Verdachte is direct na het verlaten van de woning naar een casino gegaan en heeft de rest van de dag en de hele avond in casino's doorgebracht. Hoeveel verdachte daar heeft uitgegeven is niet geverifieerd kunnen worden. Voor zover te achterhalen, is in elk geval uit onderzoek gebleken dat verdachte in de periode van 9 juni 2012 tot zijn aanhouding op 26 juni 2012 voor een totaalbedrag van € 3.149,95 heeft uitgegeven. Dit terwijl uit de rekeningafschriften van december 2011 tot en met juni 2012 van de bankrekening van verdachte blijkt dat hij op 13 juni 2012 een negatief saldo van € 3,52 had en dat hij, als zijn salaris gestort werd, meteen vrijwel het complete bedrag opnam. Veelal deed hij dat bij geldautomaten in casino's. Sinds maart 2012 was er bovendien sprake van loonbeslag waardoor verdachte per maand maar rond de € 840,- van zijn salaris gestort kreeg.26 Uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat verdachte een gokprobleem had en hoge schulden. Volgens getuigen vergokte hij soms zijn salaris binnen één dag. In de periode vóór 9 juni 2013 had hij bij diverse familieleden, collega's en vrienden geld geleend, of geprobeerd te lenen.27 Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij naar de woning van [slachtoffer A] ging, € 2.480 op zak had. Dit bedrag had hij de afgelopen maanden gespaard, aldus verdachte.28 Gelet op de voornoemde bevindingen acht de rechtbank dit volstrekt onaannemelijk. Bovendien is dit gestelde bedrag nog onvoldoende om de uitgaven te dekken die verdachte volgens voormeld onderzoek in de periode tot zijn aanhouding heeft gedaan.

Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte het geld, dat [slachtoffer A] bij zich had of had klaargelegd, heeft gestolen.

De vraag die vervolgens voorligt, is of verdachte [slachtoffer A] heeft doodgestoken met het oogmerk om deze diefstal te plegen, dan wel na betrapping van het gestolen geld te behouden en/of zijn diefstal te verhullen. De rechtbank antwoordt deze vraag bevestigend. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt een andere aanleiding voor het steken aannemelijk te achten. Er zijn geen aanwijzingen dat de verhouding tussen [slachtoffer A] en verdachte verstoord was. Daarentegen zijn er wel aanwijzingen, zoals hiervoor overwogen, dat verdachte in de betreffende periode op zoek was naar geld en daarom [slachtoffer A] heeft bestolen. Aannemelijk is dat [slachtoffer A] zich daartegen heeft verzet. Dat [slachtoffer A] zich heeft verweerd wordt ondersteund door bevindingen in het forensische onderzoek, waarbij letsels zijn gevonden aan de linkerhandrug en de linkerelleboog van het slachtoffer, in de vorm van huidontvellingen en bloeduitstortingen.29 Bij gebreke van enig ander aannemelijk motief moet worden aangenomen dat verdachte het dodelijk geweld heeft gepleegd om [slachtoffer A] te kunnen bestelen van zijn geld.

3.4.4 Eindconclusie ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer A] heeft gedood om hem te kunnen bestelen van zijn geld, hetgeen een gekwalificeerde doodslag oplevert (feit 1 subsidiair).

3.4.5 Conclusie ten aanzien van feit 2

Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer B] te doden door hem met een mes te steken en zijn keel dicht te knijpen en dichtgeknepen te houden (feit 2 primair).

De rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer B] . Zijn verklaring omtrent het verlies van zijn bril en het achterlaten van zijn schoenen wordt ondersteund door het forensisch technisch onderzoek. Voorts is gebleken dat hij beschadigingen aan zijn jas had die mogelijk zijn veroorzaakt door messteken. Tevens is uit DNA-onderzoek gebleken dat [slachtoffer B] contactsporen van bloed van [slachtoffer A] op zijn jas had. Nu de bloedsporen op het lichaam van [slachtoffer A] niet zijn verstoord, ondersteunt dit zijn verklaring dat hij een worsteling had met verdachte, waardoor bloed van [slachtoffer A] via verdachte op zijn jas terecht is gekomen. Ten slotte ondersteunt de verklaring van [zoon slachtoffer A] [slachtoffer A] die van [slachtoffer B] omtrent de telefonische contacten die zij met elkaar hebben gehad.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen en de omstandigheden waaronder verdachte heeft gehandeld, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat verdachte het opzet had [slachtoffer B] van het leven te beroven.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

op 09 juni 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer A] meerdere malen met een mes in de borst en buik en hals gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer A] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van enig geldbedrag toebehorende aan [slachtoffer A] , strafbaar gesteld in artikel 310 Wetboek van Strafrecht, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

op 09 juni 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer B]van het leven te beroven, opzettelijk

- met een mes meermalen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer B] heeft gestoken en

- met kracht met zijn hand de keel van die [slachtoffer B] heeft dichtgeknepen en vervolgens enige tijd dichtgeknepen gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn verre oom met meerdere messteken om het leven gebracht om hem van zijn geld te kunnen beroven. Daarmee heeft hij welbewust uit zelfzucht een ander het leven ontnomen. Dit is een buitengewoon ernstig feit, waarmee aan de nabestaanden een onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel leed is toegebracht, zoals ook zeer treffend is verwoord in de schriftelijke nabestaandenverklaring van de zoon van het slachtoffer, die de rechtbank ter terechtzitting heeft voorgelezen. Het handelen van verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. De rechtbank neemt het verdachte bovendien uiterst kwalijk dat hij een kwetsbaar slachtoffer heeft uitgekozen - [slachtoffer A] was immers 80 jaar oud en slecht ter been - en dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van het slachtoffer, die de hem bekende verdachte in zijn woning heeft toegelaten, toen verdachte onverwachts langs kwam.

Ook buiten de kring van de nabestaanden heeft dit feit grote onrust en gevoelens van verontwaardiging teweeg gebracht.

Verdachte heeft nadat hij zijn oom had gedood en bestolen, geprobeerd om ook [slachtoffer B] met een mes te doden, toen deze hem op de plaats van het misdrijf aantrof. Daarmee heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van [slachtoffer B] en hem veel leed berokkend en psychische schade toegebracht. Vooral de omstandigheid dat [slachtoffer B] eerst zijn oom levenloos moest aantreffen en daarna zelf het slachtoffer werd van een ernstig geweldsdelict, is voor hem bijzonder traumatisch gebleken. Dit blijkt ook uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring die ter zitting door de rechtbank is voorgelezen.

Gezien de schok die zeker door het eerste bewezenverklaarde feit aan de rechtsorde en in het bijzonder aan de nabestaanden is toegebracht, kan op de bewezenverklaarde feiten niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van zeer lange duur.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Justitieel Documentatie d.d. 6 juli 2012, niet eerder door een rechter is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van Palier, forensische & intensieve zorg, d.d. 26 november 2012, betreffende verdachte. Dit rapport biedt geen aanknopingspunten voor matiging van de aan verdachte op te leggen straf.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de Pro Justitia rapporten van drs. B.J.H. van der Hoeven, psychiater, d.d. 20 december 2012, en van dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, d.d. 14 december 2012. De rapporteurs concluderen dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van pathologisch gokken en dat deze stoornis ten tijde van het ten laste gelegde ook aanwezig was. Gelet op de ontkennende houding van verdachte hebben de rapporteurs geen conclusie getrokken ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De verdediging heeft niet bepleit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was. Verdachte heeft ontkend dat hij een gokprobleem heeft. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde volledig toerekeningsvatbaar.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden. Deze straf is een lagere dan gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer B] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 10.289,06.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.289,06, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2012, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.289,06, subsidiair 61 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2012, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B] .

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - nu hij vrijspraak van de ten laste gelegde feiten heeft bepleit - afwijzing, subsidiair niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij bepleit. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht - indien de rechtbank de feiten wettig en overtuigend bewezen acht - het gevorderde bedrag te matigen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank zowel feit 1 als feit 2 betrekken. Naar haar oordeel zijn deze feiten - gelet op de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan - dermate nauw met elkaar verweven dat de benadeelde partij bij beide feiten als slachtoffer kan worden aangemerkt.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten "Eigen bijdrage GGZ", "Reiskosten psychiater", "Parkeergeld" en "Reiskosten SHN", is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 3.500,- toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.789,06.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 juni 2012, nu vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.789,06, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer B] .

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 851,- zal teruggegeven aan de rechthebbende, te weten aan de erfgenamen van [slachtoffer A] .

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het in beslag genomen geld aan verdachte terug te geven.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de erfgenamen van [slachtoffer A] gelasten van het op de beslaglijst genoemd geldbedrag van € 851,-, nu uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat [slachtoffer A] de rechtmatige eigenaar was van het geld.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 45, 57, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan aan een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot doodslag;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering of om overlevering, in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer B]een bedrag van € 3.789,06, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.789,06, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de teruggave aan de erfgenamen van [slachtoffer A] van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 851, -.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.N. Pabbruwe, voorzitter,

mrs M.A.J. van de Kar en E.C.M. Bouman, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng en mr. J.M. Woertman, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer 2012/121828, onder de naam TGO Hotel 12 van het Team Grootschalig Optreden van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen.

2 Dossier "Ambtshandelingen", proces-verbaal van bevindingen, blz. 36-37, proces-verbaal van bevindingen, blz. 38-41.

3 Dossier "Forensisch Dossier", rapport "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" van het NFI, d.d. 2 juli 2012, blz. 165-167.

4 Dossier "Verdachten Dossier V/ Amar [slachtoffer B] , proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer B] , blz. 20-24, 31 en 38, en proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer B], op 14 januari 2013 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 6 tot en met 8, 10 en 11.

5 Dossier "Forensisch Dossier", proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, blz. 13.

6 Dossier "Verdachten Dossier V/ Amar [slachtoffer B] , proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer B] , blz. 40.

7 Dossier "Forensisch Dossier", proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, blz. 14.

8 Dossier "Forensisch Dossier", rapport "Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer A] in 's-Gravenhage op 9 juni 2012" van het NFI, d.d. 14 november 2012, blz. 255 en 259.

9 Dossier "Forensisch Dossier", proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, blz. 14, blz. 21.

10 Dossier "Forensisch Dossier", rapport "Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer A] in 's-Gravenhage op 9 juni 2012" van het NFI, d.d. 30 november 2012, blz. 270 en 274.

11 Dossier "Forensisch Dossier",rapport "Vergelijkend vezelonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer A] in 's-Gravenhage op 9 juni 2012" van het NFI, d.d. 24 augustus 2012, blz. 225 en 227.

12 Dossier "Forensisch Dossier", rapport "Bloedspoorpatroononderzoek en het DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer A] in 's-Gravenhage op 9 juni 2012" van het NFI, d.d. 14 november 2012, blz. 315, 321 en 324.

13 Dossier "Forensisch Dossier", blz. 239

14 Dossier "Forensisch Dossier", proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, blz. 13-16 en 21-22.

15 Dossier "Forensisch Dossier", rapport "Bloedspoorpatroononderzoek en het DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer A] in 's-Gravenhage op 9 juni 2012" van het NFI, d.d. 14 november 2012, blz. 318, 322 en 324.

16 Dossier "Getuigenverhoren", proces-verbaal verhoor getuige A.G. [getuige 1] , blz. 15 en 16.

17 Dossier "Ambtshandelingen", proces-verbaal onderzoek camerabeelden Schiphol en Holland Spoor van het dossier, blz. 121 en 122.

18 Dossier "Ambtshandelingen", proces-verbaal van bevindingen, blz. 143.

19 Dossier "Ambtshandelingen", proces-verbaal uitkijken beelden van Hans Seksshop (Hoefkade), blz. 110.

20 Dossier "Ambtshandelingen", proces-verbaal onderzoek camerabeelden Schiphol en Holland Spoor, blz. 122.

21 Dossier "Getuigen verhoren" 0/OPV/G, proces-verbaal van verhoor getuige [zoon slachtoffer A] dd 14-6-2012 p 50.

22 Dossier "Verdachten Dossier V/ [verdachte]", proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], blz. 32 en 33, 20-24, 31, 38, 126 tot en met 132, en proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, op 6 juli 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris, de punten 2 tot en met 6.

23 Proces-verbaal ter terechtzitting van 30 mei 2013, inhoudende - onder meer - de verklaring van de verdachte.

24 Dossier "Getuigenverhoren", proces-verbaal verhoor getuige [zoon slachtoffer A], blz. 256.

25 Dossier "Getuigenverhoren", proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], blz. 264.

26 Dossier "Ambtshandelingen", een geschrift, te weten een kopie van een transactieoverzicht an de bankrekening van verdachte, blz. 309-311.

27 Dossier "Getuigenverhoren", proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], blz. 119 en 123 tot en met 125, proces-verbaal verhoor getuige [verdachte], blz. 136 tot en met 140, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], blz. 145, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5], blz. 155 en 156.

28 Proces-verbaal ter terechtzitting van 30 mei 2013, inhoudende - onder meer - de verklaring van de verdachte.

29 Dossier "Forensisch Dossier", proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek, blz. 238.