Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3042

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
12/37226
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit, toetsmoment, artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, verblijfstitel, Vo 562/2006, Schengengrenscode

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2003 (LJN: AF5568) overweegt de rechtbank dat ter toetsing voorligt of het terugkeerbesluit ten tijde van het uitvaardigen ervan rechtmatig was. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Beroep ongegrond.

De door eiseres overgelegde ‘récèpissé de demande de carte de séjour’, waarvan niet in geschil is dat deze op eiseres ziet, is opgemaakt te Lille op 4 oktober 2012 en was geldig tot 3 februari 2013. Er staat tweemaal een stempel op met de tekst ‘Republiek Frankrijk, Prefect van het noorden, toelating tot verblijf’. Gelet op de tekst ‘toelating tot verblijf’ is naar het oordeel van de rechtbank sprake van ‘andere toestemming tot verblijf’ als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dat dit niet zo zou zijn omdat geen sprake is van een document dat wordt genoemd in de lijst van verblijfstitels als bedoeld in artikel 2, punt 15, van de Schengengrenscode volgt de rechtbank niet, omdat punt 15 een definitie van de term ‘verblijfsvergunning’ betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is met voornoemd document het verblijfsrecht van eiseres in Frankrijk op

3 december 2012 bevestigd. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013 (LJN: BZ2799), rechtsoverwegingen 7.1 en 7.2, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder het terugkeerbesluit na de overdracht van eiseres aan Frankrijk heeft ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 12/37226

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

van Mongolische nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiseres,

gemachtigde mr. M.O. Wattilete, advcoaat te

Arnhem;

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te Den Haag,

vertegenwoordigd door mr. J.P. Guérain,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 23 november 2012 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit, met daarin opgenomen een inreisverbod voor de duur van twee jaar, uitgereikt.

Bij brief van 26 november 2012 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 27 december 2012 is het beroep voorzien van gronden.

Bij brief van 26 februari 2013 heeft verweerder het aan eiseres opgelegde inreisverbod ingetrokken. De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd meegedeeld dat dit geen aanleiding vormt het beroep in te trekken.

Het beroep is ter zitting van 6 maart 2013 behandeld. Eiseres is niet verschenen en haar gemachtigde is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder het besluit van 23 november 2012 voor zover daarbij een inreisverbod is opgelegd heeft ingetrokken. Gelet hierop heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van haar beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod. Het beroep van eiseres wordt dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

2.2 Met betrekking tot het beroep gericht tegen het bij besluit van 23 november 2012 opgelegde terugkeerbesluit, overweegt de rechtbank het volgende.

2.3 In dit terugkeerbesluit is aan eiseres de verplichting opgelegd terug te keren naar haar land van herkomst dan wel een ander land buiten de Europese Unie waar haar toelating is gewaarborgd. Hierbij is in aanmerking genomen dat gebleken is dat eiseres onrechtmatig in de Europese Unie verblijft dan wel niet gebleken is dat zij rechtmatig binnen de Europese Unie verblijft, aldus het terugkeerbesluit. Eiseres is opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten.

Blijkens verweerders brief van 26 februari 2013 is eiseres op 15 januari 2013 uitgezet naar Frankrijk.

2.4 Eiseres heeft in beroep, onder verwijzing naar de inhoud van het proces-verbaal van gehoor bij Terugkeerbesluit en Inreisverbod van 23 november 2012 en de stukken uit haar bewaringsdossier, betoogd dat zij in Frankrijk onder medische behandeling staat voor haar leverziekte, en aldaar in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Op grond daarvan heeft zij recht op toegang tot en verblijf in Frankrijk. Het opleggen van een terugkeerbesluit druist in tegen dit recht.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Volgens artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) vaardigen de lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.

2.6 Ingevolge artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) stelt verweerder de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:

a. reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan,

b. de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of

c. de vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.

Ingevolge het tweede lid geldt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, als terugkeerbesluit en kan tevens een inreisverbod inhouden.

2.7 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 6 februari 2003 (LJN: AF5568) overweegt de rechtbank dat ter toetsing voorligt of het terugkeerbesluit ten tijde van het uitvaardigen ervan rechtmatig was. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit, op 23 november 2012, bestonden er geen indicaties dat sprake zou kunnen zijn van één van de uitzonderingen genoemd in de leden 2 tot en met 5 van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn en in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, van de Vw 2000, op grond waarvan verweerder van het nemen van een terugkeerbesluit had dienen af te zien. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres blijkens het proces-verbaal van gehoor bij Terugkeerbesluit en Inreisverbod van 23 november 2012, voor zover thans van belang, heeft verklaard dat zij in geen enkel EU land een verblijfsvergunning heeft en dat zij medio maart 2011 Frankrijk is ingereisd maar daar geen legaal verblijf heeft. Voorts was verweerder ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet in het bezit van de stukken uit het bewaringsdossier van eiseres, waaronder het door eiseres overgelegde document, met nummer 7703096025, door verweerder aangeduid als ‘récèpissé de demande de carte de séjour’. Deze stukken zijn eerst op 3 december 2012 door de gemachtigde van eiseres naar de rechtbank verzonden.

2.8 Gelet op het vorenstaande is het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit ongegrond.

2.9 De rechtbank overweegt nog het volgende.

De door eiseres overgelegde ‘récèpissé de demande de carte de séjour’, waarvan niet in geschil is dat deze op eiseres ziet, is opgemaakt te Lille op 4 oktober 2012 en was geldig tot 3 februari 2013. Er staat tweemaal een stempel op met de tekst ‘Republiek Frankrijk, Prefect van het noorden, toelating tot verblijf’. Gelet op de tekst ‘toelating tot verblijf’ is naar het oordeel van de rechtbank sprake van ‘andere toestemming tot verblijf’ als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dat dit niet zo zou zijn omdat geen sprake is van een document dat wordt genoemd in de lijst van verblijfstitels als bedoeld in artikel 2, punt 15, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) volgt de rechtbank niet, omdat punt 15 een definitie van de term ‘verblijfsvergunning’ betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is met voornoemd document het verblijfsrecht van eiseres in Frankrijk op

3 december 2012 bevestigd. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013 (LJN: BZ2799), rechtsoverwegingen 7.1 en 7.2, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder het terugkeerbesluit na de overdracht van eiseres aan Frankrijk heeft ingetrokken.

2.10 Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 2.1 bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 472,--, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van het beroepschrift bij een zaak van gemiddeld gewicht.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 472,--, te voldoen aan eiseres;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Tobé, voorzitter, en mr. J.F.M.J. Bouwman en mr. H.R. Schimmel, rechters. Deze uitspraak is door de voorzitter en door mr. W. Markwat als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.