Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2966

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
C-09-441957 - KG ZA 13-473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kortgedingrechter in Den Haag heeft bepaald dat een huisarts in Zoetermeer met ingang van 1 oktober 2013 een maatschap moet verlaten. Zijn collega’s hadden een kortgeding aangespannen om dit af te dwingen. Ook mag de huisarts vanaf dat moment niet langer gebruikmaken van de praktijkruimte in het gezondheidscentrum van de maatschap, op straffe van een dwangsom van 1000 euro per dag.

Voor de rechter is duidelijk geworden dat er geen enkele basis meer bestaat voor een vruchtbare samenwerking tussen de partijen, terwijl het doel van de overeenkomst die partijen destijds hebben gesloten is gericht op een goede, collegiale samenwerking. Volgens de rechter hebben de eisers in dit geding de samenwerking met de huisarts op goede gronden opgezegd. Omdat de huisarts een eigen patiëntenbestand heeft kan hij zijn praktijk elders voortzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/441957 / KG ZA 13-473

Vonnis in kort geding van 13 juni 2013

in de zaak van

1. de maatschap

[HUISARTSEN X],

gevestigd te [plaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [plaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [plaats],

4. [eiser sub 4],

wonende te [plaats],

5. [eiser sub 5],

wonende te [plaats],

6. de stichting

STICHTING GEORGANISEERDE EERSTELIJNSZORG ZOETERMEER,

gevestigd te Zoetermeer,

eisers,

advocaat mr. D.J.G. Timmermans te Leiden,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. R. Paardekooper te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds '[HUISARTSEN X]', '[eiser sub 2]', '[eiser sub 3]', '[eiser sub 4]', '[eiser sub 5]' en 'SGEZ' (gezamenlijk ook wel als 'eisers') en anderzijds '[gedaagde]'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 juni 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4], [eiser sub 5] en [gedaagde] hebben besloten te gaan samenwerken in de vorm van een maatschap onder de naam [HUISARTSEN X]. Daartoe hebben zij op 30 september 2007 een samenwerkingovereenkomst ondertekend. Voor zover hier van belang houdt deze het volgende in:

"In aanmerking nemende:

(…)

- dat partijen op diverse aspecten van de bedrijfsvoering en praktijkuitoefening willen gaan samenwerken, dat de deelnemers een [HUISARTSEN X] ([HUISARTSEN X]) vormen waarbij de samenwerking tussen huisartsen en fysiotherapeut een fundamenteel onderdeel is;

(…)

3.1 Partijen voeren ieder afzonderlijk een huisartsenpraktijk (voorzieningenrechter: [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [gedaagde]) dan wel een fysiotherapiepraktijk (voorzieningenrechter: [eiser sub 5]) en wensen op de navolgende deelterreinen samen te werken:

a. huisvesting;

b. personeel;

c. inkoop;

d. telefonie

e. zorgontwikkeling.

(…)

3.2 Ieder van partijen oefent de praktijk zelfstandig en onder volledig behoud van zijn eigen professionele verantwoordelijkheid uit. Ieder van partijen behoudt zijn eigen patiëntenbestand.

(…)

4.1 Ieder van partijen is gehouden zich tegenover de ander te gedragen zoals een goed en redelijk handelend huisarts of fysiotherapeut en collega betaamt. Partijen streven onderling naar een goede collegiale samenwerking. Hiertoe worden meningsverschillen tijdig en zorgvuldig bespreekbaar gemaakt.

4.2 Ieder van partijen is gehouden het beroep van huisarts uit te oefenen conform de professionele standaard die daarvoor binnen de beroepsgroep landelijk en/of regionaal geldt (…).

(…)

5.1 De partijen hebben ieder afzonderlijk een huurovereenkomst voor de praktijkruimten gelegen aan de [straatnaam] ..te [plaats], partijen genoegzaam bekend. De huurovereenkomst is als Appendix 2 aangehecht.

5.2 In geval deze samenwerkingsovereenkomst eindigt met een van de partijen zal die partij ook zijn huurovereenkomst opzeggen en treden de afspraken in werking over de opvolging.

(…)

19.1 Deze overeenkomst eindigt ten aanzien van de partij op wie de in sub a tot en met i bedoelde omstandigheden van toepassing zijn door:

(…)

b. opzegging door een der partijen

(…)

(…)

19.3 Ingeval sprake is van een dringende reden kan deze overeenkomst met onmiddellijke ingang worden

opgezegd door alle overige partijen. Van een dringende reden voor opzegging is sprake indien zich

met betrekking tot een van partijen een zodanige situatie voordoet dat van de andere partijen in

redelijkheid niet kan worden gevergd de samenwerking nog langer te continueren.

(…)

20.1 De partij ten aanzien van wie deze samenwerkingsovereenkomst eindigt zal de praktijkuitoefening in de praktijkruimte met ingang van de einddatum van de overeenkomst staken."

1.2. [HUISARTSEN X] is gevestigd in het gezondheidscentrum aan de [straatnaam] te [plaats]. In verband met het gebruik van hun praktijkruimten in dat centrum hebben [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4], [eiser sub 5] en [gedaagde] ieder afzonderlijk een huurovereenkomst gesloten met SGEZ.

1.3. Op 5 juli 2010 is tegen [gedaagde] door de ouders van één van zijn patiënten een klacht ingediend wegens vermeend alcoholgebruik. In oktober 2010 heeft [gedaagde] in verband met een alcoholprobleem zijn werkzaamheden als huisarts neergelegd. Met het oog op de behandeling daarvan is [gedaagde] vervolgens gedurende zeven weken op vrijwillige basis opgenomen geweest in een kliniek. In aansluiting daarop heeft ambulante begeleiding plaatsgevonden. Na een "klein jaar" heeft [gedaagde] zijn werkzaamheden hervat.

1.4. Op 14 oktober 2012 is [gedaagde] met zijn auto tegen de pui van het gezondheidscentrum aangereden, waarbij aanzienlijke schade is toegebracht aan het pand. Na het ongeval heeft [gedaagde] het pand en zijn auto onbeheerd achtergelaten. Op verzoek van [gedaagde] heeft zijn assistente (aanvankelijk) tegenover de politie verklaard dat zij de bestuurder van de auto was.

1.5. Op 15 oktober 2012 is [gedaagde] onder invloed van alcohol op zijn werk verschenen, waarna hij een aanvang heeft gemaakt met zijn werkzaamheden.

1.6. Bij brief van 29 oktober 2012 hebben [eiser sub 4], [eiser sub 5], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] - onder meer - aan [gedaagde] bericht dat (i) zij er geen vertrouwen meer in hebben dat [gedaagde] zichzelf en zijn praktijk weer onder controle kan krijgen, zodat de basis voor de samenwerking is verdwenen, (ii) de overeenkomst tot samenwerking wordt beëindigd omdat van hen niet kan worden gevergd de samenwerking nog langer te continueren, (iii) [gedaagde] niet meer voor hen kan waarnemen (iv) aan SGEZ zal worden verzocht de huurovereenkomst met [gedaagde] op korte termijn te beëindigen.

1.7. Naar aanleiding van hetgeen op 14 en 15 oktober 2012 is voorgevallen heeft [eiser sub 2] bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna 'de Inspectie') melding gemaakt van zijn vermoeden dat [gedaagde] (weer) een alcoholprobleem heeft. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspectie een onderzoek uitgevoerd. De uitkomsten daarvan heeft de Inspectie bekendgemaakt in een brief van 31 mei 2013 aan [gedaagde]. Deze houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"Conclusie en maatregelen inspectie

De continuïteit van de zorgverlening en door de genomen maatregelen ter voorkoming van alcoholgebruik tijdens uw dienst is de patiëntveiligheid in uw praktijk geborgd. De inspectie ziet wel een aantal potentiële risico's. Dit betreft dan met name een terugval in alcoholmisbruik en de mogelijke opzegging van de huurovereenkomst van uw praktijklocatie.

Te nemen maatregelen

1. U zet minimaal 1 jaar de werkwijze voort die erin voorziet dat u nuchter begint aan uw werkzaamheden (voorzieningenrechter: vóór de aanvang van de werkzaamheden neemt een assistente een alcoholtest af bij [gedaagde]). De inspectie adviseert u om dit blijvend te doen.

2. U informeert de inspectie proactief - dat wil zeggen zo spoedig mogelijk na optreden - indien de continuïteit van zorg (mogelijk) in het geding komt, zoals bij beëindiging van de huurovereenkomst of beëindiging van de WAGRO (voorzieningenrechter: waarnemings-) overeenkomst.

3. U informeert de inspectie terstond wanneer er sprake is van een positieve alcoholtest.

Afsluiting

Met inachtneming van bovenstaande is de inspectie van mening dat er zich op dit moment geen omstandigheid voordoet die de veiligheid van patiënten of de continuïteit van zorg bedreigt."

2. Het geschil

2.1. [HUISARTSEN X], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] vorderen - zakelijk weergegeven - [gedaagde], op straffe van verbeurte van een dwangsom, met ingang van zeven dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, dan wel 1 augustus 2013, althans 1 december 2013 (i) te gebieden het gebruik van het gezondheidscentrum aan de [straatnaam] te [plaats] te staken, (ii) te verbieden het gezondheidscentrum te betreden en (iii) te veroordelen zijn verplichting om de huurovereenkomst op te zeggen na te komen, dan wel hen te machtigen om namens [gedaagde] de huurovereenkomst op te zeggen.

2.2. Daarnaast vordert SGEZ - verkort weergegeven - [gedaagde], op straffe van verbeurte van een dwangsom - te gebieden de door hem gehuurde praktijkruimte in het gezondheidscentrum met ingang van zeven dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, dan wel 1 augustus 2013, althans 1 december 2013 te ontruimen en ontruimd te houden en ter vrije beschikking te stellen aan SGEZ.

2.3. Samengevat voeren eiser daartoe het volgende aan.

Na de voorvallen op 14 en 15 oktober 2012 hebben [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] er geen enkel vertrouwen meer in dat [gedaagde] zijn praktijk nog onder controle kan krijgen. Gevreesd moet worden dat de alcoholproblematiek, waarvoor hij in 2010 en 2011 al is behandeld, weer is teruggekeerd, dan wel zal terugkeren. De basis voor iedere verdere (collegiale) samenwerking is in ieder geval volledig weggevallen. Om die reden hebben [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] de samenwerkingsovereenkomst bij brief van 29 oktober 2012 opgezegd. Als gevolg hiervan moet [gedaagde] de huurovereenkomst met SGEZ opzeggen, waartoe hem - onverplicht - een termijn van zes maanden is gegund. [gedaagde] weigert echter zijn praktijkruimte te verlaten.

2.4. [gedaagde] heeft de vorderingen van eisers gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [gedaagde] heeft aangevoerd dat eisers geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Daarin kan hij echter niet worden gevolgd. Indien [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] op goede gronden de samenwerking met [gedaagde] hebben opgezegd en zulks meebrengt dat [gedaagde] zijn praktijkruimte al had moeten hebben verlaten, is daarmee het spoedeisende belang bij de vorderingen gegeven.

3.2. Weliswaar worden de over en weer aangevoerde feiten en/of omstandigheden ter ondersteuning van de wederzijdse standpunten bestreden, doch duidelijk is geworden dat er geen (enkele) basis meer bestaat voor een vruchtbare samenwerking tussen enerzijds [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] en anderzijds [gedaagde], alsmede dat eerstgenoemden er totaal geen vertrouwen meer in hebben dat hun relatie met [gedaagde] op een zodanige wijze zal verbeteren dat de samenwerking kan worden voortgezet. In feite heeft [gedaagde] op de zitting bevestigd dat de onderlinge sfeer slecht is en dat van 'samenwerking' geen sprake (meer) is. Zo uitte hij het ene na het andere verwijt jegens de andere maten en erkende hij dat er enkel nog gedag wordt gezegd. Volgens hem is het echter geen enkel probleem indien hij zijn werkzaamheden in het gezondheidscentrum - geheel los van de anderen - voortzet. Dat gaat echter geheel voorbij aan de strekking en het doel van de overeenkomst van 30 september 2007. Deze is immers gericht op een goede, collegiale samenwerking.

3.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormt het voorgaande een "dringende reden" in de zin van artikel 19.3 van de samenwerkingsovereenkomst. Onder de gegeven omstandigheden kan redelijkerwijs van [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] in ieder geval niet worden verlangd dat zij de samenwerking met [gedaagde] continueren. Daarbij kan - in beginsel - in het midden blijven aan wiens gedragingen de conflictueuze situatie (in overwegende mate) te wijten is. Overigens kan op grond van de processtukken en de verklaringen ter zitting niet worden aangenomen dat [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] geen stappen hebben ondernomen om weer een 'werkbare' situatie te doen ontstaan.

3.4. Het vorenstaande betekent dat [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] op 29 oktober 2012 de samenwerking met [gedaagde] op goede gronden hebben opgezegd. Gelet op het bepaalde in de artikelen 5.2 en 20.1 van de samenwerkingsovereenkomst brengt zulks mee dat [gedaagde] jegens [HUISARTSEN X], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] gehouden is om de huurovereenkomst met SGEZ betreffende zijn praktijkruimte te beëindigen. Dat [gedaagde] daartoe een termijn van zes maanden is gegund kan [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] niet worden tegengeworpen. De onder 2.1 vermelde vordering is daarmee - los van de in acht te nemen termijn - toewijsbaar.

3.5. SGEZ is - als verhuurder van de praktijkruimten - geen partij bij de samenwerkingsovereenkomst, zodat de opzegging van die overeenkomst ten aanzien van [gedaagde] voor haar geen zelfstandige grond kan vormen voor de door haar beoogde ontruiming van de praktijkruimte van [gedaagde] (zie r.o. 2.2). Toewijzing van de onder 2.1 vermelde vordering brengt echter mee dat [gedaagde] geen belang meer heeft bij continuering van de huurovereenkomst met SGEZ. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de kantonrechter zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst betreffende de praktijkruimte van [gedaagde], indien een daartoe strekkende vordering aan hem zou worden voorgelegd. Dit brengt mee dat ook de onderhavige vordering van SGEZ tot ontruiming van de praktijkruimte toewijsbaar is. Daarvoor is reden te meer nu [gedaagde] zijn eigen patiëntenbestand heeft en het dus mogelijk moet zijn dat hij zijn praktijk op een ander adres voortzet.

3.6. Teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen andere praktijkruimte te vinden en zijn patiënten te informeren over zijn verhuizing, zal hem redelijkerwijs tot 1 oktober 2013 de gelegenheid worden geboden om aan het vonnis te voldoen. Alsdan heeft hij sedert de brief van 29 oktober 2012 ruim elf maanden de tijd gehad om zich elders te vestigen als huisarts, hetgeen als voldoende moet worden beschouwd.

3.7. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd, zoals gevorderd. Verder zal worden bepaald dat de dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.8. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- beveelt [gedaagde] het gebruik van het gezondheidscentrum aan de [straatnaam] te [plaats] te staken met ingang van 1 oktober 2013 en verbiedt hem vanaf die datum het gezondheidscentrum te betreden;

- beveelt [gedaagde] de huurovereenkomst betreffende zijn praktijkruimte in het gezondheidscentrum per 1 oktober 2013 op te zeggen en machtigt [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] om dat namens [gedaagde] te doen voor zover deze daarmee in gebreke blijft;

- veroordeelt [gedaagde] zijn praktijkruimte in het gezondheidscentrum met ingang van 1 oktober 2013 met al de zijnen en al het zijne te ontruimen en ontruimd te houden en die praktijkruimte ter vrije en algehele beschikking van SGEZ te stellen, zulks onder afgifte van de sleutels van de praktijkruimte aan SGEZ;

- bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van € 1.000,-- verbeurt voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat hij in gebreke blijft aan het vorenstaande te voldoen, met een maximum van € 100.000,--;

- bepaalt dat de dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.7 vermeld;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van eisers begroot op € 1.499,79, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 589,-- aan griffierecht en € 94,79 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2013.

jvl