Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2957

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
C-09-441476 - KG ZA 13-428
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:3527, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil postzegelhandelaren en PostNL ongeschikt voor kort geding. PostNL heeft op 28 januari 2013 bekendgemaakt dat de guldenzegels per 1 november 2013 niet langer geldig zijn. De kortgedingrechter in Den Haag heeft beslist dat PostNL, in afwachting van een beslissing van de bodemrechter, niet gehouden is de guldenpostzegels na 1 november 2013 te accepteren. Op veel punten verschillen de partijen in dit geschil diepgaand van mening. Voor een grondig onderzoek naar de feiten is in kortgeding geen plaats. Op dit moment valt niet in te schatten hoe de bodemrechter zal oordelen in een aan hem voorgelegd geschil over de ongeldigverklaring van de guldenzegels. Om die reden heeft de kortgedingerechter de eisen van de postzegelhandelaren op dit moment verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/441476 / KG ZA 13-428

Vonnis in kort geding van 12 juni 2013

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

DE NEDERLANDSCHE VEREENIGING VAN

POSTZEGELHANDELAREN,

gevestigd te Den Haag,

2. de vennootschap onder firma

POSTZEGELSHOP ANNETTE V.O.F.,

gevestigd te Zeist,

3. [eiser sub 3],

wonende te [adres],

eisers,

advocaat mr. M. Schut te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE POSTNL B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds 'NVPH', 'Annette' en '[eiser sub 3]' (gezamenlijk ook wel als 'eisers') en anderzijds 'PostNL''.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 mei 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Na de privatisering van het Staatsbedrijf der PTT werd op 1 januari 1989 PostNL, althans haar rechtsvoorganger PTT Post B.V., opgericht. Blijkens het handelsregister houdt PostNL zich bezig met "Het uitoefenen, al dan niet op grond van daartoe door de staat der Nederlanden verleende concessies, van activiteiten in de ruimste zin op het gebied van het vervoer van postzendingen en goederen, en het verrichten van geldhandelingen, alsmede het ten behoeve en in opdracht van derden aanbieden van produkten en diensten".

1.2. Op grond van een aanwijzing/concessie van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is PostNL belast met de zogenaamde 'universele postdienst', op grond waarvan zij gehouden is om op een wettelijk omschreven niveau postvervoer in Nederland te verzorgen. Uit hoofde daarvan geeft zij - onder andere - postzegels uit, die kunnen worden gebruikt als 'frankeermiddel' ('betalingswijze') voor de door haar te verrichten postvervoersdiensten.

1.3. NVPH is een vakorganisatie voor de beroepspostzegelhandel. Zij is opgericht in 1928 en heeft thans meer dan honderd leden. Blijkens artikel 3 van haar statuten luidt haar doelstelling "de instandhouding en de bevordering van de filatetelie (voorzieningenrechter: bedoeld zal zijn "filatelie") in het algemeen en van de beroepsfilatelie in het bijzonder".

1.4. Annette is opgericht op 1 maart 2010 en houdt zich bezig met de detailhandel in postzegels via postorder en internet. Haar vennoten zijn [vennoot 1]en [vennoot 2].

1.5. [eiser sub 3] is (al circa 60 jaar) een - hobbymatig - verzamelaar van postzegels.

1.6. Na de invoering van de euro op 1 januari 2002 zijn door (de rechtsvoorganger van) PostNL geen postzegels meer uitgegeven met een frankeerwaarde in guldens c.q. guldencenten (hierna 'guldenzegels'). De daarvóór uitgegeven guldenzegels bleven echter wel hun geldigheid als frankeermiddel behouden.

1.7. Op 28 januari 2013 heeft PostNL - middels een persbericht - kenbaar gemaakt dat de guldenzegels vanaf 1 november 2013 ongeldig zijn als frankeermiddel bij de verzending van poststukken.

1.8. Op 5 maart 2013 heeft NVPH PostNL gesommeerd om de guldenzegels na 1 november 2013 als geldig betaalmiddel voor haar diensten te blijven aanvaarden, dan wel voor de ongeldigverklaring van die zegels een ruimere termijn - van tenminste twee jaar - te hanteren, met de mogelijk om de zegels gedurende die periode in te ruilen tegen andere - voor onbepaalde tijd geldige - zegels.

1.9. Op 17 april 2013 hebben Annette en [eiser sub 3] PostNL gesommeerd om hun guldenzegels ook na 1 november 2013 als betaling te aanvaarden, althans dat aan hen een reële mogelijkheid wordt geboden om die zegels in te ruilen tegen zegels die hun waarde voor onbepaalde tijd zullen behouden.

2. Het geschil

2.1. Zakelijk weergegeven vorderen eisers PostNL - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen:

primair

- vanaf 1 november 2013 guldenzegels te (blijven) aanvaarden als geldig frankeermiddel voor de door PostNL uit te voeren postvervoersdiensten;

subsidiair

- guldenzegels bij aanbieding in te ruilen tegen 'eurozegels', met een equivalente nominale waarde en een geldigheid voor onbepaalde tijd;

een en ander totdat definitief is beslist in een door eisers aanhangig te maken bodemprocedure over de ongeldigverklaring van guldenzegels.

2.2. Daarnaast vordert NVPH - verkort weergegeven - PostNL, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te bevelen om het in de onderhavige procedure te wijzen vonnis openbaar te maken door middel van publicatie van een mededeling in drie landelijke dagbladen en op de homepage van de website van PostNL gedurende zes maanden.

2.3. Samengevat voeren eisers daartoe het volgende aan.

PostNL is niet gerechtigd om (eenzijdig) over te gaan tot ongeldigverklaring van de guldenzegels, meer specifiek de vanaf 1 januari 1977 uitgegeven guldenzegels en de daarvóór uitgegeven guldenzegels van het type 'Juliana Regina' en de cijferzegels van het type 'Crouwel'. Bovendien kan de wijze waarop zij daaraan vorm heeft gegeven niet door de beugel, nu een (veel) te korte termijn tussen de ingangsdatum van de ongeldigheid en de mededeling daarvan in acht is genomen en geen mogelijkheid wordt geboden om de guldenzegels in te ruilen tegen eurozegels. Al van oudsher heeft PostNL (althans haar rechtsvoorganger[s]) zich bij de verkoop van postzegels voor onbeperkte tijd verplicht om de zegels in de toekomst te blijven aanvaarden als betaalmiddel voor de door haar te verrichten diensten uit hoofde van de door de bezitters van die zegels verstrekte opdrachten tot postbezorging. De kopers/bezitters van de guldenzegels mochten er in ieder geval op vertrouwen dat de zegels te allen tijde hun (frankeer)waarde blijven behouden. Op dit moment zijn nog veel ('postfrisse'/ongebruikte) guldenzegels in omloop. Zelf schat PostNL de waarde daarvan tussen € 20 miljoen en € 200 miljoen, terwijl volgens haar nog jaarlijks voor een bedrag van circa € 2 miljoen aan guldenzegels wordt gebruikt als frankeermiddel. De handel in guldenzegels is ook nog levendig. De ongeldigverklaring werkt derhalve (zeer) nadelig voor iedereen die nog in het bezit is van guldenzegels, zoals Annette, [eiser sub 3] en de leden van NVPH, die de vorderingen instelt als 'belangenbehartiger' in de zin van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek ('BW'). De guldenzegels worden per 1 november 2013 immers waardeloos, terwijl de thans aanwezige 'voorraad' niet kan worden verbruikt in een periode van slechts negen maanden. Door de plotselinge ongeldigverklaring van de guldenzegels en de wijze waarop dat gebeurt schiet PostNL toerekenbaar tekort in haar verplichtingen jegens de bezitters van de zegels, dan wel handelt zij onrechtmatig jegens hen. Op de zitting hebben eisers de grondslag van hun vorderingen nog aangevuld met een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Door middel van de onderhavige procedure beogen eisers te bewerkstelligen dat de status quo met betrekking tot de guldenzegels voorlopig wordt gehandhaafd, in afwachting van de beslissing van de rechter in een door hen - binnen twee maanden - aanhangig te maken bodemprocedure. Daarvoor is reden temeer, nu PostNL geen, althans onvoldoende, belang heeft bij de ongeldigverklaring van de guldenzegels per 1 november 2013.

2.4. PostNL heeft de vorderingen van eisers gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal haar verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Zoals hiervoor al aangegeven strekken de vorderingen van eisers ertoe, dat vooralsnog - in afwachting van de beslissing van de bodemrechter - geen uitvoering wordt gegeven aan de door PostNL op 28 januari 2013 bekendgemaakte ongeldigverklaring van de guldenzegels per 1 november 2013. Bij de beoordeling van de vorderingen zal - op basis van de thans voorhanden zijnde stukken en de gemotiveerde stellingen van partijen over en weer - mede moeten worden ingeschat hoe de bodemrechter zal beslissen in een aan hem voor te leggen geschil. Van toewijzing van (één van) de vorderingen kan alleen dan sprake zijn, indien met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de bodemrechter in een aan hem voorgelegde procedure zal beslissen dat de guldenzegels niet ongeldig mogen worden verklaard, althans dat voor de bekendmaking van een dergelijke maatregel een ruimere termijn dan negen maanden in acht moet worden genomen en/of de mogelijkheid moet worden geboden de guldenzegels in te ruilen tegen eurozegels.

3.2. PostNL heeft de vorderingen van eisers en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen uitvoerig en gemotiveerd bestreden. Zonder volledig te zijn, heeft zij - verkort weergegeven - onder andere het navolgende aangevoerd.

(i) NVPH is niet-ontvankelijk in haar vorderingen, aangezien zij niet voldoet aan de formele en materiële eisen die artikel 3:305a BW stelt;

(ii) eisers hebben de verkeerde partij gedagvaard, nu de onder 1.2 bedoelde concessie is verleend aan de naamloze vennootschap PostNL N.V.; op grond van interne afspraken binnen de PostNL-groep is PostNL belast met de feitelijke uitvoering van de onder de concessie vallende diensten, hetgeen haar nog geen partij maakt in het onderhavige geschil;

(iii) het is PostNL wel degelijk toegestaan om over te gaan tot ongeldigverklaring van de guldenzegels;

(iv) PostNL heeft bij de kopers c.q. de (huidige) bezitters van de guldenzegels niet het verrouwen gewekt dat de zegels onbeperkt als geldig frankeermiddel zouden kunnen worden gebruikt; in 1967 en 1985 is ook al een groot aantal postzegels ongeldig verklaard; daar komt bij dat destijds de termijn tussen de ongeldigheid en de bekendmaking daarvan steeds (aanzienlijk) korter was dan negen maanden en ook toen geen inruilmogelijkheid werd geboden;

(v) PostNL heeft zwaarwegende belangen bij de ongeldigverklaring van de guldenzegels, bijvoorbeeld uit het oogpunt van efficiency, doelmatigheid, rechtszekerheid en fraudepreventie; van de tussen 40 en 11 jaar geleden uitgegeven guldenzegels is thans nog slechts minder dan 1% - als geldig frankeermiddel - in omloop; de guldenzegels voldoen niet meer aan de eisen van de hedendaagse tijd, waardoor zij fraudegevoelig zijn; gebleken is dat zij - in ieder geval - vanaf 2010 op grote schaal zijn vervalst (door de 'georganiseerde misdaad') voor frauduleuze doeleinden, alsmede dat - ondanks een jegens een aantal fraudeurs uitgesproken veroordelend civielrechtelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam en een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie - de fraude nog steeds voortduurt; controle van de guldenzegels op echtheid is disproportioneel kostbaar en brengt mee dat de postbezorging (ernstig) wordt vertraagd;

(vi) eisers hebben geen belang bij hun vorderingen, althans de belangen die zij stellen doen zich niet voor; zo kan er slechts sprake zijn van wanprestatie c.q. onrechtmatig handelen jegens de eerste kopers van de guldenzegels, waartoe eisers niet behoren; voorts worden hobbyisten/verzamelaars niet geraakt door de ongeldigverklaring; voor speculanten zou dat anders kunnen liggen, maar voor het bewuste risico dat zij hebben gelopen is PostNL niet aansprakelijk; bovendien moet het er voor worden gehouden dat eisers de guldenzegels ná de bekendmaking van de ongeldigverklaring op 28 januari 2013 hebben aangeschaft, zodat PostNL ook om die reden niet aansprakelijk is voor de eventuele schade van eisers als gevolg van de maatregel;

(vii) de vorderingen van eisers uit hoofde van wanprestatie, dan wel onrechtmatig handelen zijn verjaard;

(viii) eisers hebben afstand gedaan van hun rechten, althans hun rechten verwerkt;

(ix) er is sprake van 'eigen schuld' van de zijde van eisers; ze hebben namelijk geweten, althans kunnen weten dat de guldenzegels ooit ongeldig zouden worden verklaard en hebben (meer dan) voldoende tijd gehad om de zegels te gebruiken;

(x) de door PostNL in acht genomen termijn van negen maanden tussen de ongeldigheid en de bekendmaking ervan is alleszins redelijk;

(xi) de eis is te algemeen en te ruim geformuleerd; zo is bijvoorbeeld geen rekening gehouden met het gegeven dat de daadwerkelijke waarde (de 'verzamelwaarde') van bepaalde guldenzegels hoger ligt dan de frankeerwaarde, zodat deze buiten het gevorderde dienen te blijven; verder is niet voorzien in een 'opt out' mogelijkheid ex artikel 3:305a lid 5 BW; voorts is nakoming van het gevorderde hoe dan ook absoluut en praktisch onmogelijk, terwijl de vordering tot openbaarmaking van het vonnis niet noodzakelijk is;

(xii) PostNL loopt een groot restitutierisico voor wat betreft de door haar te lijden schade indien de vorderingen van eisers in kort geding worden toegewezen en nadien door de bodemrechter worden afgewezen; een eventueel toewijzend vonnis in de onderhavige procedure mag derhalve niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard; voor zover dat toch aangewezen is, moet daaraan - op de voet van artikel 233 lid 3 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ('Rv'), juncto artikel 6:51 BW - de voorwaarde worden verbonden dat eisers zekerheid stellen tot een bedrag van € 26 miljoen;

(xiii) gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, lenen de vorderingen van eisers zich niet voor een kort geding; de vraag rijst waarom eisers niet al eerder een bodemzaak aanhangig hebben gemaakt; daarin zou thans reeds een comparitie van partijen hebben plaatsgevonden, althans zijn gelast en zou wellicht vóór 1 november 2013 een vonnis zijn gewezen

3.3. Voor wat betreft een substantieel deel van de hiervoor weergegeven kwesties zijn, mede gelet op de gemotiveerde onderbouwing door PostNL van haar verweren, de voor de beoordeling daarvan relevante feiten binnen het beperkte kader van dit kort geding niet, althans onvoldoende helder geworden. Dienaangaande is nader - grondiger - onderzoek nodig, waarvoor in deze procedure geen plaats is. Eisers hebben op de zitting ook erkend dat het een complexe zaak betreft. Op grond van het voorgaande valt tevens niet in te schatten hoe de bodemrechter zal oordelen in een aan hem voorgelegd geschil over de ongeldigverklaring van de guldenzegels. Een en ander leidt tot het oordeel dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist, zoals bedoeld in artikel 256 Rv, ook al moet met de daarin gegeven bevoegdheid terughoudend worden omgegaan. Eisers hadden direct na de bekendmaking van de ongeldigverklaring, dan wel kort daarna, een bodemprocedure aanhangig dienen te maken. Mede gelet op het bij deze rechtbank gehanteerde rolbeleid, moet worden aangenomen dat daarin thans inmiddels een - al dan niet meervoudige - comparitie van partijen zou zijn gelast en mogelijk zelfs al zou hebben plaatsgevonden. Vervolgens zou wellicht vóór 1 november 2013 ook al een vonnis zijn gewezen. Daarnaar gevraagd, hebben eisers aangeven dat zij nog geen bodemprocedure aanhangig hebben gemaakt omdat zij tot voor kort geen inhoudelijke reactie van PostNL op hun bezwaren hadden ontvangen. Die omstandigheid is echter - wat daar verder ook van zij - geen valide argument om te wachten met het aanhangig maken van een bodemprocedure.

3.4. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van eisers zullen worden afgewezen.

3.5. Eisers zullen - als de in het ongelijk gestelde partij - hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van eisers af;

- veroordeelt eisers hoofdelijk, in die zin dat door betaling van de één de ander wordt bevrijd, in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van PostNL begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2013.

jvl