Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2640

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
438672 FA RK 13-1853
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:3302
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot teruggeleiding naar Venezuela. Minderjarige (6 jaar oud) verblijft reeds 3,5 jaar in Nederland. Sprake van ongeoorloofde overbrenging. Teruggeleiding geweigerd op grond van artikel 12 lid 2 HKOV. Minderjarige inmiddels geworteld in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 13-1853

Zaaknummer: C/09/438672

Datum beschikking: 6 juni 2013

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 8 maart 2013 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende te Venezuela,

advocaat: mr. A.J. van Steensel te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. E.J.A. van den Hoogen te Oss.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 29 maart 2013, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 12 april 2013 van de zijde van de moeder;

- de brief d.d. 16 april 2013, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- het verweerschrift.

Op 18 april 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld door de heer H. van Brandwijk, tolk in de Spaanse taal, en bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. S.J. Hoekstra-van Vliet. Tijdens de regiezitting zijn partijen een contactregeling tussen de vader en de minderjarige overeengekomen voor de duur van de procedure. Deze contactregeling is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst.

Op 18 april 2013 heeft de rechtbank een tussenbeschikking gegeven. In deze beschikking is de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 18 april 2013 opgenomen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Na de regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau, onderdeel van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke schikking te komen. Op 25 april 2013 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation heeft geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot een internationale omgangsregeling, maar dat partijen het niet eens zijn geworden over de verblijfplaats van de minderjarige.

Bij brieven d.d. 26 april 2013 en 21 mei 2013 van de zijde van de vader zijn nadere producties overgelegd, waaronder genoemde vaststellingsovereenkomst.

De minderjarige is op 23 mei 2013 in raadkamer gehoord.

Op 23 mei 2013 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld door de heer H. van Brandwijk, tolk in de Spaanse taal, en bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.

Daartoe is opgenomen de tekst 'zoals dat thans luidt' of 'thans nog'.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige naar Venezuela te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen, dan wel - indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen - te bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Venezuela, met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn op [datum huwelijk] met elkaar gehuwd te [plaats], Venezuela.

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [minderjarige 1], op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Venezuela.

- Eind 2008 heeft de vader bij de rechtbank te [plaats], Venezuela, een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, op welk verzoek nog niet is beslist.

- Op 11 december 2008 heeft de moeder met de minderjarige de echtelijke woning te [plaats], Venezuela, verlaten en is met de minderjarige met onbekende bestemming vertrokken.

- Bij uitspraak d.d. 12 januari 2009 heeft de rechtbank te [plaats], Venezuela, bepaald dat lopende de echtscheidingsprocedure de moeder de verzorgende ouder is, maar dat de ouders gezamenlijk het gezag over de minderjarige blijven uitoefenen. Voorts is bij deze uitspraak bepaald dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder, is een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vastgesteld en is bepaald dat de minderjarige alleen met een ouder het land mag uitreizen, indien de andere ouder daarvoor toestemming heeft gegeven.

- De moeder en de minderjarige zijn op 23 november 2009 naar Nederland afgereisd, alwaar zij sedert 25 november 2009 verblijven.

- De vader is door de moeder niet op de hoogte gesteld van haar vertrek met de minderjarige naar Nederland en de vader heeft hiervoor ook geen toestemming gegeven.

- De vader heeft bij brief d.d. 10 juni 2010 van de Officier van Justitie te [plaats], Venezuela, vernomen dat de minderjarige in november 2009 via Colombia Venezuela heeft verlaten. Deze Officier van Justitie heeft op 16 juni 2010 namens de vader bij de Centrale Autoriteit te Venezuela een verzoek tot teruggeleiding ingediend.

- In november 2012 is de vader naar Nederland gereisd en heeft hij vernomen dat de minderjarige in [woonplaats], woont.

- Op 7 november 2012 heeft de vader een verzoek tot teruggeleiding ingediend bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

- De vader heeft de Venezolaanse nationaliteit, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse, tevens Venezolaanse nationaliteit.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Venezuela zijn partij bij het Verdrag. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is deze rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde achterhouding in de zin van het Verdrag, wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarige onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland zijn gewone verblijfplaats in Venezuela had. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden. Nu voorts niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland en dat de overbrenging van de minderjarige naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Venezolaans recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de minderjarige naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van het tweede lid van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu de moeder met de minderjarige op 11 december 2008 de echtelijke woning te [plaats], Venezuela, heeft verlaten en de minderjarige in ieder geval vanaf 25 november 2009 zonder toestemming van de vader verblijft in Nederland en het verzoek tot teruggeleiding op 8 maart 2013 bij de rechtbank is ingediend, is er meer dan één jaar verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging en het tijdstip van indiening van het verzoek. Nu de moeder heeft gesteld dat de minderjarige in zijn nieuwe omgeving in Nederland is geworteld, dient de rechtbank dient te beoordelen of er sprake is van worteling - in de zin van artikel 12 lid 2 van het Verdrag - van de minderjarige in Nederland.

Voor de beantwoording van deze vraag dient zowel gekeken te worden naar de fysieke als de emotionele band die de minderjarige inmiddels met zijn huidige verblijfplaats heeft verkregen. Het gaat niet alleen om het nieuwe gezinsverband, maar ook om meer externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, sport en school.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de minderjarige in Nederland is geworteld het volgende aangevoerd. De minderjarige, die thans 6 jaar oud is, verblijft sinds november 2009, dus drieënhalf jaar, in Nederland. De minderjarige gaat al ruim twee jaar in Nederland naar school, maakt gebruik van buitenschoolse opvang, zit op zwemles en heeft inmiddels het A-, B- en C-zwemdiploma gehaald. De moeder heeft in februari 2010 een affectieve relatie gekregen met de heer [naam] en hieruit is op [geboortedatum] [minderjarige 2] geboren, het halfzusje van de minderjarige. Hoewel de relatie tussen de moeder en de heer [naam] inmiddels in augustus 2012 is geëindigd, heeft de minderjarige nog steeds een emotionele relatie met de heer [naam] en brengt hij één avond per week bij hem door, samen met zijn halfzusje. De zus van moeder, tante van de minderjarige, woont al sinds het jaar 2000 in [plaats] en zij en de minderjarige hebben veelvuldig contact met deze tante.

De vader heeft betwist dat de minderjarige geworteld is in Nederland en heeft daartoe gesteld dat de minderjarige in Nederland op verschillende adressen heeft gewoond, dat de minderjarige pas sinds 2011 op school zit en aangegeven heeft dat hij het daar niet zo naar zijn zin heeft, dat hij nauwelijks vriendjes heeft en dat zijn prestaties op school beneden de maat zijn.

De rechtbank heeft bij het gesprek met de minderjarige in raadkamer geconstateerd dat de hij vloeiend Nederlands spreekt. De minderjarige heeft aangegeven dat hij het leuk vindt op school en dat hij hier vriendjes heeft. Hij heeft voorts aangegeven dat hij wel Spaans kan verstaan, maar dat hij het niet goed kan spreken en dat hij zich niets van zijn verblijf in Venezuela kan herinneren. De vader heeft niet betwist dat de minderjarige reeds drieënhalf jaar in Nederland verblijft, in Nederland naar school en buitenschoolse opvang gaat, hier op zwemles zit of heeft gezeten, een halfzusje heeft en een tante met wie hij veelvuldig contact heeft. Voorts heeft de vader ter zitting zelf verklaard dat hij heeft gemerkt dat de minderjarige zich ongemakkelijk voelt als er Spaans wordt gesproken. De rechtbank constateert dat het leven van de minderjarige zich al geruime tijd geheel in Nederland afspeelt en dat de minderjarige zelf niet beter weet dan dat dit zijn leven is. De rechtbank komt gelet op al deze feiten en omstandigheden tot de conclusie dat er sprake is van worteling in Nederland. Dat de minderjarige kennelijk op verschillende adressen gewoond heeft in Nederland doet hier niets aan af. De andere feiten waarop de vader zich beroept, te weten dat de minderjarige het op school niet zo naar zijn zin heeft, dat hij nauwelijks vriendjes heeft en dat zijn prestaties op school beneden de maat zijn, al hetgeen de rechtbank overigens niet is gebleken, doen aan zijn worteling in Nederland niet af.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van worteling van de minderjarige in Nederland, zal de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Venezuela afwijzen.

Nu de rechtbank het verzoek van de vader zal afwijzen, behoeven de overige verweren van de moeder geen bespreking meer.

De Als er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

kosten

De rechtbank zal het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding afwijzen. Een dergelijk verzoek is immers slechts voor toewijzing vatbaar wanneer de terugkeer van het kind wordt gelast.

De vaststellingsovereenkomst

Partijen zijn in de door de vader overgelegde vaststellingsovereenkomst twee contactregelingen overeengekomen, één voor het geval de teruggeleiding naar Venezuela zou worden gelast en één voor het geval dat het teruggeleidingsverzoek wordt afgewezen. Zij zijn verder overeengekomen dat één van de twee genoemde regelingen, afhankelijk van de beslissing van de rechtbank Den Haag of het gerechtshof Den Haag in geval van hoger beroep, zal worden opgenomen in de te wijzen beschikking. De vader heeft ter terechtzitting verzocht de tussen partijen overeengekomen contactregeling voor het geval de rechtbank mocht bepalen dat de minderjarige niet behoeft te worden teruggeleid, vast te leggen in de beschikking. De moeder heeft zich daarmee akkoord verklaard.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige inmiddels in Nederland is gelegen en beide ouders ter terechtzitting de bevoegdheid van deze rechtbank om op het verzoek tot opname van de vaststellingsovereenkomst in deze beschikking te beslissen hebben aanvaard, acht de rechtbank zich bevoegd om te dien aanzien naar Nederlands recht te beslissen. De rechtbank zal het verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen als na te melden.(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Venezuela, naar Venezuela;

wijst af het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding;

neemt op de door de vader en de moeder getroffen onderlinge regeling ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid aangaande genoemde minderjarige, zoals neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst met uitzondering van hetgeen is opgenomen in artikel 3 A en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, I.D. Bellaart en J. Brandt, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2013.