Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2636

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
SGR 12/8074 en SGR 12/8075
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Inkomsten uit handel in verdovende middelen. Vergrijpboete.

In hoger beroep is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van 56 maanden omdat hij met anderen 43,75 kilogram heroïne en 200 kilogram hennep opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland had gebracht door deze goederen aan te bieden en over te dragen aan een transportbedrijf voor vervoer naar Groot Brittannië. De softdrugs waren aangetroffen in pallets met dozen diepgevroren frikadellen. Voor het jaar 2008 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van nihil, maar verweerder legt hem aan aanslag op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000 omdat eiser minimaal dit bedrag moet hebben verdiend met de handel in sofdrugs. Verweerder legt hem ook een vergrijpboete op van € 7.501. In geschil is of de aanslag en de boete juist zijn.

Eiser stelt dat hij de inkomsten niet heeft genoten omdat het drugstransport is onderschept en hij niet is veroordeeld voor medeplichtigheid aan andere drugstransporten.

De rechtbank overweegt dat in het belastingrecht andere bewijsregels gelden dan in het strafrecht en dat, als in een strafrechtelijk onderzoek feiten en omstandigheden naar voren komen die niet als strafbare feiten in de tenlastelegging zijn vermeld maar die wel belastbare feiten zijn in de zin van de belastingwet, er geen rechtsregel is die zich ertegen verzet dat op grond van die feiten en omstandigheden een belastingaanslag wordt opgelegd. Op basis van de gedingstukken acht de rechtbank aannemelijk dat eiser in 2010 bij minimaal drie drugstransporten betrokken is geweest en eiser daarmee voordeel heeft behaald. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van een redelijke schatting van het inkomen. Ook oordeelt de rechtbank dat eiser opzettelijk een onjuiste aangifte heeft ingediend en de vergrijpboete daarom terecht is opgelegd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1366
V-N 2013/32.28.9
FutD 2013-1538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 12/8074 en SGR 12/8075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB) en een aanslag Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd. De aanslag IB is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.680 en de aanslag Zorgverzekeringswet naar een bijdrage-inkomen van € 31.231. Bij het opleggen van de aanslag IB heeft verweerder bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 7.501.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2012 de aanslag ZVW gehandhaafd, de aanslag IB verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000 en de bij de aanslag IB opgelegde boete verminderd tot € 6.760.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2013. Namens verweerder zijn [A] en [B] daar verschenen. Tijdens de zitting heeft eiser de rechtbank telefonisch laten weten dat hij onderweg was naar de zitting maar door de weersomstandigheden ernstige vertraging opliep. Eiser arriveerde bij de rechtbank nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting had gesloten. De rechtbank heeft daarom het onderzoek heropend en eiser de gelegenheid gegeven zijn pleitnota te overleggen. De rechtbank heeft de pleitnota in afschrift verstrekt aan verweerder en verweerder de gelegenheid gegeven daarop schriftelijk te reageren. Per brief van 28 januari 2013, bij de rechtbank ontvangen op 31 januari 2013 heeft verweerder van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Per brief van 11 februari 2013, bij de rechtbank ontvangen op 14 februari 2013, heeft eiser daarop gereageerd.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Namens verweerder zijn daar verschenen [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 14 februari 2008 werden door het bedrijf [C] te [D] zes pallets, met daarop in witte dozen verpakte diepgevroren frikadellen, aangeleverd bij het koel- en vrieshuis [E], eveneens te [D]. De desbetreffende goederen waren bestemd om te worden verzonden naar een adres in Engeland. Door een medewerker van [E] werd met een vorkheftruck schade gereden aan één van de pallets en toen bleek dat een kapot gereden witte doos geen frikadellen maar hennep bevatte. Dit was voor [E] aanleiding om contact op te nemen met de politie, wat uiteindelijk heeft geleid tot aanhouding en strafrechtelijke vervolging van eiser.

2. Tot de gedingstukken behoort een kopie van het Proces-verbaal van de voorgeleiding van eiser voor de hulpofficier van justitie op 7 april 2008. In dit proces-verbaal, dat op 9 april 2008 op ambtsbelofte is opgemaakt door [F], is onder meer het volgende vermeld:

“Bij het uitpakken van de pallets met witte dozen werd vastgesteld dat de onderste laag en de bovenste laag dozen beladen waren met frikadellen. De tussenliggende dozen waren beladen met vermoedelijk hennep. Verder werd bij het lossen van de pallet op de boden tussen dozen een twintigtal straatstenen zichtbaar, kennelijk om de pallet met lading op een bepaald gewicht te krijgen.

Bij het lossen van één (1) pallet bleek in het midden van de dozen een loze ruimte te zijn welke was opgevuld met kleinere pakketten vermoedelijk heroïne.

(…)

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor [D] is naar voren gekomen dat [C] gevestigd is aan de [adres 1] [D] en deel uitmaakt van de [G] B.V. te [H]. (…).

Verder bleek bij navraag bij de Kamer van Koophandel op het adres [adres 1] te [D] de onderneming met de handelsnaam [I] staat ingeschreven en is opgericht op 5-12-2007.

Als bestuurder van dit bedrijf stond vermeld [J], (…), met als datum van infunctietreding 26 november 2007.

(…)

Een formulier “Opgaaf betreffende functionarissen” d.d. 12 februari 2008. Als rechtspersoon staat opgegeven de onderneming [K] B.V. te [H], met als ondernemingsgegevens [L] te [M]. Als directeur / bestuurder staat met ingang van 05 februari 2008 [eiser] vermeld.

(…)

Op 18 februari 2008 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in het bedrijfspand van [I], op het adres [adres 1] te [D].

(…)

Diverse bescheiden zijn inbeslaggenomen en nader onderzocht.

(…)

Er werden een aantal visitekaartjes van [I] inbeslaggenomen, met de naam [N], General Manager [adres 1] [D]. (…)

(…)

Op de factuur van 11 februari 2008 is te lezen dat [C] 300 dozen met de afmetingen 330 x 220 x 165 mm heeft gekocht.

(…)

Op de factuur van 12 februari 2008 is te lezen dat [C] 400 dozen met bovenstaande afmetingen heeft gekocht, alsmede dozensluittape in de kleur wit.

(…)

Dit betreffen fakturen van [E] aan [C]. Hierop staan respectievelijk de volgende transporten van [D] naar [O] (GB) vermeld:

22 januari 2008 - 6 pallets snack

23 januari 2008 - 2 pallets snack

11 februari 2008 - 6 pallets snack

Per 17 oktober 2007 is [C] ingevoerd in het debiteurensysteem van [Q] B.V. (…).

(…)

Uit de debiteurenkaart van [I] komt naar voren dat er door [I] in totaal voor EUR 15.949,45 aan snacks is gekocht.

Op de afzonderlijke facturen is te lezen dat deze bestellingen als volgt zijn gedaan:

Tabel bestellingen

(…)

Op 15 februari 2008 werd door de douane op grond van de Opiumwet de zes pallets met dozen diepgevroren frikadellen met daarin verborgen een op dat moment onbekende hoeveelheid verdovende middelen inbeslaggenomen.

(…)

Op 15 februari 2008 werd de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen gewogen en bemonsterd. Hieruit bleek dat op vijf pallets een hoeveelheid van ongeveer 265,40 kilogram hennep werd aangetroffen en op één pallet een hoeveelheid van 43,75 kilogram heroïne.”

(…)

3. Tot de gedingstukken behoort een kopie van het Algemeen proces-verbaal van het onderzoek “[R]”. In dit proces-verbaal, dat op 11 juni 2008 op ambtsbelofte is opgemaakt door [S] en [F], is onder meer het volgende vermeld:

“Uit verklaringen van diverse getuigen en verdachten komt onder andere naar voren dat:

[Eiser] op het kantoor van [I], [adres 1] aanwezig was en daar werkzaamheden uitvoerde;

[Eiser] diverse contante betalingen heeft gedaan aan derden of dit heeft laten uitvoeren door anderen;

[Eiser] opdracht aan mede verdachten heeft gegeven om bij de lading frikadellen verdovende middelen te verstoppen;

[Eiser] opdracht heeft gegeven de loods aan de [adres 2] op te ruimen;

[Eiser] mede- verdachten betaald heeft voor het bijpakken van de verdovende middelen tussen de lading frikadellen.”

4. Bij vonnis van 6 september 2010 is eiser door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De rechtbank achtte bewezen dat eiser tezamen en in vereniging met anderen 43,75 kilogram heroïne en 200 kilogram hennep opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland had gebracht door deze goederen aan te bieden en over te dragen aan een transportbedrijf voor vervoer naar Groot Brittannië. Bij haar strafmotivering overwoog de rechtbank onder meer het volgende:

“[Eiser] heeft zich aldus begeven op het terrein van de uiterst lucratieve internationale handel in verdovende middelen. [Eiser] (…) heeft zich uitsluitend laten leiden door geldelijk gewin.

(…)

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat [eiser] een belangrijke, aansturende rol heeft gehad. Samen met een ander heeft hij opdracht gegeven tot het transport en daartoe de nodige financiële middelen verstrekt. Het getuigt voorts van een zekere listigheid en professionaliteit dat [eiser] en anderen hierbij bedrijven als dekmantel hebben gebruikt, zodat de verdovende middelen als onderdeel van een deklading uitgevoerd konden worden. Ook heeft [eiser] een ander of anderen ingeschakeld en ertoe bewogen om zich tegen betaling in te laten met de uitvoer van verdovende middelen. Aangenomen wordt dat [eiser] grote sommen geld verdiend zou hebben ingeval de voorgenomen uitvoer zou zijn geslaagd. Al deze omstandigheden zijn in het nadeel van [eiser] meegewogen.”

5. Eiser heeft tegen het in 4 aangehaalde vonnis hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 18 juli 2011 is eiser in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 56 maanden. Evenals de rechtbank achtte het gerechtshof een gevangenisstraf van vijf jaar passend, maar verminderde het de straf met vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Evenals de rechtbank achtte het gerechtshof bewezen dat eiser op 14 februari 2008 te [D] 45 kilogram heroïne en ongeveer 200 kilogram hennep, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland had gebracht door dit aan te bieden aan een transportbedrijf voor vervoer met bestemming Groot Brittannië.

6. Voor het jaar 2008 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van nihil. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat eiser in 2008 € 40.000 heeft verdiend met de handel in verdovende middelen, welke handel heeft geleid tot de in 4 en 5 vermelde veroordelingen van eiser. Verweerder heeft de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.680, welk bedrag voor € 5.680 bestaat uit loon uit dienstbetrekking en voor € 40.000 uit resultaat uit overige werkzaamheden. Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder eiser bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 7.501.

7. Na door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder het loon uit dienstbetrekking gesteld op nihil. Bij de bestreden uitspraken op bezwaar heeft verweerder daarom de aanslag IB en de daarbij opgelegde boete verminderd zoals eerder vermeld.

Geschil

8. In geschil is of de aanslagen en de boete, zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar, terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of eiser in 2008 inkomen heeft genoten uit de handel in verdovende middelen en zo ja, of eiser, door deze inkomsten niet aan te geven, opzettelijk een onjuiste aangifte heeft ingediend waardoor te weinig belasting zou worden geheven.

9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslagen naar te hoge bedragen en de boete ten onrechte is opgelegd. Ter motivering van zijn standpunt heeft eiser – kort weergegeven – aangevoerd dat de strafzaak de grondslag is voor de aanslag, terwijl in de strafzaak nooit een bedrag is genoemd dat hij met de handel in verdovende middelen zou hebben verdiend. Door de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof is niet bewezen verklaard dat überhaupt van enig financieel gewin sprake is geweest.

10. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de belastingaanslagen tot nihil en vernietiging van de boetebeschikking.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslagen en de boete, zoals die luiden na de uitspraak op bezwaar, terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Onder verwijzing naar de in 4 en 5 aangehaalde uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het Gerechtshof stelt verweerder dat eiser een belangrijke bron van inkomsten buiten het zicht van de belastingdienst heeft gehouden en daardoor niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De schatting van € 40.000 aan inkomsten heeft verweerder gebaseerd op de aanzienlijke bedragen die eiser binnen de handel in verdovende middelen heeft betaald en op het feit dat eisers partner een inkomen genoot van € 10.638, dat niet toereikend zou zijn om het gezin van eiser te onderhouden.

12. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

13. Voor de vraag of eiser in 2008 inkomsten heeft genoten uit de handel in verdovende middelen en hij die inkomsten bewust niet heeft aangegeven voor de heffing van IB, ligt de bewijslast in eerste instantie bij verweerder. Verweerder heeft daarvoor verwezen naar de stukken uit het tegen eiser gevoerde strafproces. Uit hetgeen in die stukken is vermeld heeft verweerder geconcludeerd dat eiser betrokken is geweest bij twaalf transporten hennep en/of heroïne naar het Verenigd Koninkrijk en dat de helft van die transporten in 2007 en de andere helft in 2008 moet hebben plaatsgevonden. Hoewel het laatste transport is onderschept, acht verweerder aannemelijk dat eiser inkomsten heeft genoten uit enkele andere transporten die begin 2008 moeten hebben plaatsgevonden.

14. Tegen de in 13 weergegeven stellingen van verweerder heeft eiser aangevoerd dat niet is bewezen dat hij in 2008 betrokken is geweest bij enig ander strafbaar feit dan dat waarvoor hij in twee instanties is veroordeeld, namelijk het transport dat op 15 februari 2008 is onderschept. Van hetgeen hem meer en anders ten laste was gelegd is hij immers vrijgesproken.

15. Het in 14 weergegeven betoog van eiser steunt kennelijk op de gedachte dat, indien het opleggen van een belastingaanslag het gevolg is van een strafrechtelijk onderzoek, voor de vaststelling van de aanslag geen andere feiten en omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen dan die de strafrechter voor bewezen heeft verklaard. Deze opvatting vindt echter geen steun in het recht. De bewezenverklaring in een strafrechtelijk vonnis betreft alleen de strafbare feiten die de verdachte ten laste zijn gelegd. Als in het desbetreffende strafrechtelijke onderzoek feiten en omstandigheden naar voren komen die niet als strafbare feiten in de tenlastelegging zijn vermeld maar die wel belastbare feiten zijn in de zin van de belastingwet, is er geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat op grond van die feiten en omstandigheden een belastingaanslag wordt opgelegd. Daarbij komt dat in het strafrecht andere bewijsregels gelden dan in het belastingrecht; strafbare feiten moeten wettig en overtuigend worden bewezen, belastbare feiten moeten aannemelijk worden gemaakt. In een concreet geval kan dit tot gevolg hebben dat een feit waarvan de verdachte wegens onvoldoende bewijs is vrijgesproken, toch voldoende aannemelijk wordt geacht om ter zake van dat feit een belastingaanslag op te leggen.

16. Uit de in 4 en 5 aangehaalde uitspraken blijkt dat eiser is veroordeeld omdat is bewezen dat hij ongeveer 45 kilogram heroïne en 200 kilogram hennep opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland had gebracht. Gelet op de genoemde hoeveelheden gaat het hierbij uitsluitend om de partij verdovende middelen die is gevonden bij het onderschepte transport. Hoewel dit eiser niet ten laste is gelegd, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ook betrokken is geweest bij eerdere transporten. Op basis van de in het proces-verbaal vermelde inkopen van snacks stelt verweerder dat er twaalf transporten moeten zijn geweest, waarvan de helft in 2008 moet hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt verweerder hierin niet geheel, maar in het proces-verbaal wordt ook melding gemaakt van drie facturen van [E] aan [C] inzake drie transporten naar [O] (GB), waarvan het laatste zou hebben plaatsgevonden op 11 februari 2008. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat eiser, als directeur van [C], in 2008 betrokken is geweest bij drie transporten snacks naar het Verenigd Koninkrijk en dat het daarbij in hoofdzaak ging om de (illegale) uitvoer van heroïne en hennep. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, zoals ook uit het strafdossier naar voren komt, niet is gebleken dat in Engeland ooit frikadellen zijn afgezet.

17. De rechtbank acht ook aannemelijk dat eiser met drie in 16 bedoelde transporten geldelijk voordeel heeft behaald. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ook andere personen aan de transporten hebben meegewerkt en daarvoor ook door eiser of door tussenkomst van eiser, geldelijk zijn beloond. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat eiser, naar hij stelt, met deze transporten nimmer enig voordeel zou hebben behaald. Eiser heeft, naar het oordeel van de rechtbank, ook nauwelijks feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

18. Verweerder heeft de hoogte van de in 2008 door eiser genoten voordelen gesteld op € 40.000. Het is de rechtbank uit eigen wetenschap bekend dat een partij heroïne van 45 kilogram en 200 kilogram hennep in 2008 een straatwaarde had van een aantal miljoenen euro’s. Deze hoeveelheid was verborgen in zes pallets snacks, terwijl volgens de facturen van [E] in 2008 in totaal veertien pallets naar Engeland zijn vervoerd. Ook als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de desbetreffende sofdrugs zijn geleverd aan tussenhandelaren, en de opbrengst dus (veel) lager zal zijn geweest dan de straatwaarde, en de opbrengst met meerdere personen moest worden gedeeld, is een schatting van € 40.000, naar het oordeel van de rechtbank, zeker niet te hoog. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over het inkomen van eisers partner en de daarmee te dekken uitgaven voor het gezin, de auto en de reis naar Thailand, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

19. Vaststaat dat eiser de inkomsten uit de handel in softdrugs niet heeft aangegeven. Met verweerder acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser te goeder trouw kon menen dat deze inkomsten niet tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning zouden behoren. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser opzettelijk een onjuiste aangifte heeft ingediend. Op grond van artikel 67d, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst heeft verweerder daarom terecht een vergrijpboete opgelegd van vijftig procent. Feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging van de boete wegens wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit, zijn gesteld noch gebleken.

20. Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen en de boete, zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar, terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De beroepen dienen daarom ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.