Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2585

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
09/817224-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is naar Bureau Jeugdzorg gegaan met het vooropgezette plan om daar iemand te spreken te krijgen om over de situatie van zijn kinderen te praten, desnoods afgedwongen. Toen verdachte niet de gewenste persoon te spreken kreeg, omdat hij geen afspraak had gemaakt, heeft verdachte, nadat hij enige tijd in de hal had staan wachten, twee messen uit zijn tas gepakt en is hiermee over de balie gesprongen. Achter de balie bevonden zich de receptioniste en een bewaker. Vervolgens heeft verdachte deze twee personen onder bedreiging van de messen gedwongen achter de balie te blijven. Gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en houden aan algemene en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/817224-13

Datum uitspraak: 10 juni 2013

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

wonende te [adres]

geboren op [datum] 1978 te [plaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland" HvB de

Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 mei 2013.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.M.L. Theelen, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. M.C. Stolk heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 600, subsidiair 12 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 21 januari 2013 te 's-Gravenhage, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk twee, althans een of meerdere (vlees) mes(sen) (dreigend) in de directe nabijheid van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, hand(en) vastgehouden en/of aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] getoond en/of gezegd dat hij, verdachte, de messen niet los wilde laten;

2.

hij, op of omstreeks 21 januari 2013 te 's-Gravenhage, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet een ander, te weten (de medewerkers van) Bureau Jeugdzorg te dwingen met hem, verdachte te spreken, immers heeft verdachte deze [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gedwongen in het kantoor/achter de balie van Bureau Jeugdzorg te Den Haag te blijven door voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (in hun directe nabijheid) een of meerdere mes(sen) te tonen en/of hen mede te delen dat deze actie als een gijzeling moest worden gezien;

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat verdachte:

1.

op 21 januari 2013 te 's-Gravenhage, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk twee messen (dreigend) in de directe nabijheid van voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, handen vastgehouden en aan voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] getoond en gezegd dat hij, verdachte, de messen niet los wilde laten;

2.

op 21 januari 2013 te 's-Gravenhage, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat opzet een ander, te weten (de medewerkers van) Bureau Jeugdzorg te dwingen met hem, verdachte te spreken, immers heeft verdachte deze [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] gedwongen in het kantoor/achter de balie van Bureau Jeugdzorg te Den Haag te blijven door voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (in hun directe nabijheid) meerdere messen te tonen en hen mede te delen dat deze actie als een gijzeling moest worden gezien;

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is naar Bureau Jeugdzorg gegaan met het vooropgezette plan om daar iemand te spreken te krijgen om over de situatie van zijn kinderen te praten, desnoods afgedwongen. Hiertoe had verdachte diverse messen meegenomen. Toen verdachte niet de gewenste persoon te spreken kreeg, omdat hij geen afspraak had gemaakt, heeft verdachte, nadat hij enige tijd in de hal had staan wachten, twee messen uit zijn tas gepakt en is hiermee over de balie gesprongen. Achter de balie bevonden zich de receptioniste en een bewaker. Vervolgens heeft verdachte deze twee personen onder bedreiging van de messen gedwongen achter de balie te blijven. Door zo te handelen heeft verdachte angst veroorzaakt bij de slachtoffers, hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1], en omstanders. Ook heeft verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke bewegingsvrijheid van de slachtoffers door hen tegen hun wil daar te houden.

Het handelen van verdachte heeft grote gevolgen gehad op het leven van het slachtoffer [slachtoffer 1], temeer nu verdachte voor haar uit het niets deze feiten pleegde. Ook in de maatschappij veroorzaakt dergelijk gedrag gevoelens van angst en onrust. Aan de ernst van het feit draagt voorts bij dat het gewelddadige gedrag van verdachte was gericht tegen personen die met een publieke taak en hulpverlening zijn belast.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 15 maart 2013, waaruit blijkt dat hij in het verleden eerder wegens geweldsdelicten is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van een Pro Justitia rapport betreffende verdachte, opgesteld op 8 april 2013 door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog.

In dit rapport komt naar voren dat verdachte ten tijde van het delict afhankelijk was van cannabis. Tevens is bij verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO, met voornamelijk antisociale, maar ook ontwijkende trekken. Verdachte is op dit moment gemotiveerd om zijn leven anders in te richten. Indien er geen interventie plaatsvindt wordt het recidiverisico op de meer lange termijn als matig/hoog ingeschat. Verdachte kan naar het oordeel van de psycholoog als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 3 april 2013, ondertekend door L. van Os, reclasseringswerker en M. Verburgt, leidinggevende. Uit dit advies komt naar voren dat verdachte niet over adequate oplossingstrategieën beschikt. Hij had een passieve houding en heeft problemen niet aangepakt. De reclassering acht het vertoonde delictgedrag zeer zorgelijk en acht het wenselijk dat verdachte behandeld en begeleid gaat worden. Verdachte staat positief tegenover behandeling en begeleiding, aldus het rapport.

De rechtbank onderschrijft de gegeven adviezen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd open te staan voor begeleiding door de reclassering.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank betrekt hierbij dat verdachte in het verleden eerder veroordeeld is wegens geweldsdelicten. Daarnaast zijn de bewezenverklaarde feiten gericht tegen hulpverleners die het beste voorhadden met verdachte en met zijn kinderen. Het is op deze grond dat de rechtbank de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst delicten te plegen. Tevens zal de rechtbank het geadviseerde reclasseringstoezicht opleggen om de kans op recidive te verkleinen.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 600,-.

De rechtbank acht deze vordering als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 600,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 21 januari 2013 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 januari 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 282 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot ZES (6) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een De Waag of soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor cannabisafhankelijkheid en een persoonlijkheidsstoornis NAO;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Exodus, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling heeft opgesteld;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van cannabis en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 januari 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 600,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Milius, voorzitter,

mrs M.L. Harmsen en N.F.H. van Eijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Durieux, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013.