Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2524

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
SGR 12/9638
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:795, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verrekening loonbelasting.

Eiser is voor 34,44 procent middelijk aandeelhouder van D BV, bij welke BV hij gedurende het jaar 2010 in dienstbetrekking werkzaam was als directeur. In zijn aangifte IB voor dat jaar heeft eiser een uit deze dienstbetrekking genoten loon aangegeven van € 185.212, alsmede een daarop ingehouden bedrag aan loonheffing van € 89.406. De aangifte vermeldt een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 157.800. Het door D BV aan eiser uitbetaalde nettoloon over 2010 bedroeg € 94.200. Verweerder heeft de aanslag conform de aangifte vastgesteld, met dien verstande dat hij de door eiser aangegeven loonheffing niet met de aanslag heeft verrekend omdat D BV de loonheffing niet heeft afgedragen. In geschil is of dit terecht is.

De rechtbank overweegt dat verrekening van niet afgedragen loonbelasting mogelijk is als de werknemer dienaangaande te goeder trouw is. Eiser stelt dat dit het geval is omdat hij niet alle zeggenschap heeft in D BV en het niet afdragen van loonbelasting het gevolg is van financiële problemen bij D BV waarvan hij redelijkerwijs mocht menen dat die van voorbijgaande aard waren. De rechtbank wijst beide stellingen op feitelijke gronden af. Het gelijk is daarom aan verweerder. Omdat partijen gezamenlijk van oordeel zijn dat in dat geval het netto uitbetaalde loon als het belastbare loon moet worden aangemerkt, wordt de aanslag verminderd en het beroep in zoverre gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1354
Vp-bulletin 2013/35
FutD 2013-1521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/9638

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 157.800.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2012 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 8 oktober 2012, ontvangen bij de rechtbank op 10 oktober 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013.

Eiser is daar in persoon verschenen met zijn gemachtigde. Namens verweerder is [B] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is enig aandeelhouder van [C BV] en deze vennootschap houdt 34,44 procent van de aandelen in [D BV]. [D BV] houdt zich bezig met de ontwikkeling van bouwprojecten. [E BV] houdt 32,78 procent van de aandelen in [D BV]. De overige aandelen in [D BV] werden gehouden door [F BV], maar deze aandelen zijn eind 2008 door [D BV] ingekocht. [D BV] is op zoek gegaan naar een nieuwe investeerder bij wie de ingekochte aandelen zouden kunnen worden geplaatst, maar dit heeft tot nu toe niet tot een positief resultaat geleid.

2. Eiser was gedurende het jaar 2010 bij [D BV] in dienstbetrekking werkzaam als directeur. In zijn aangifte IB voor dat jaar heeft eiser een uit deze dienstbetrekking genoten loon aangegeven van € 185.212, alsmede een daarop ingehouden bedrag aan loonheffing van € 89.406. De aangifte vermeldt een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 157.800. Het door [D BV] aan eiser uitbetaalde nettoloon over 2010 bedroeg € 94.200.

3. Verweerder heeft de aanslag conform de aangifte vastgesteld, met dien verstande dat hij de door eiser aangegeven loonheffing niet met de aanslag heeft verrekend omdat [D BV] de loonheffing niet heeft afgedragen. Volgens het aanslagbiljet bedraagt de verschuldigde IB € 71.633. Na verrekening van voorlopige teruggaven en negatieve voorlopige aanslagen van in totaal € 17.773 en het in rekening brengen van € 3.119 heffingsrente resulteert dit in een te betalen bedrag van € 92.525. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

Geschil

4. In geschil is of verweerder de verrekening van loonheffing terecht heeft geweigerd.

5. Eiser neemt het standpunt in dat hij, hoewel [D BV] de loonheffing niet heeft afgedragen, toch recht heeft op verrekening daarvan omdat hij dienaangaande te goeder trouw is. Eiser heeft daarvoor aangevoerd dat [D BV] nog steeds voornemens is de loonheffing af te dragen. Dat [D BV] niet in staat is om aan haar verplichtingen te voldoen is een tijdelijk probleem, aangezien [D BV] nog projecten onder handen heeft waarvan het grootste een winstpotentie heeft van € 13,5 miljoen. Volgens eiser blijkt zijn goede trouw ook uit het feit dat hij genoegen heeft genomen met een lager loon dan hem aanvankelijk was toegekend.

Subsidiair stelt eiser dat, als verrekening van loonheffing niet mogelijk is, het uitbetaalde loon van € 94.200 als brutoloon moet worden aangemerkt en het belastbare inkomen uit werk en woning nader moet worden vastgesteld op € 66.788 (€ 157.800 -/- € 185.212 + € 94.200).

6. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en, primair, tot vermindering van de aanslag tot nihil (€ 71.633 + € 17.773 -/- € 89.406) en, subsidiair, tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.788.

7. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser geen recht heeft op verrekening van loonheffing omdat hij niet te goeder trouw is. Eiser, die verantwoordelijk is voor de financiële gang van zaken bij [D BV], wist dat [D BV] de loonheffing op geen enkel moment in haar administratie heeft afgezonderd met het doel die af te dragen. Feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de financiële problemen bij [D BV] van voorbijgaande aard waren zijn, aldus verweerder, wel gesteld, maar niet gebleken.

In de loop van het geding heeft verweerder zich aangesloten bij het subsidiaire standpunt van eiser.

8. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.788.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt de geheven loonbelasting verrekend met de aanslag IB. De loonbelasting wordt geheven door inhouding op het loon. Onder inhouding is in dit verband te verstaan dat van het loon een bepaald bedrag wordt afgezonderd met het oogmerk dit als loonbelasting op aangifte af te dragen. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 22 juli 1981, 20 547, LJN: AW9782, kan de werknemer, als de inhoudingsplichtige niet aan zijn afdrachtverplichting voldoet, de loonbelasting toch verrekenen als hij te dien aanzien te goeder trouw is. De werknemer is te goeder trouw als hij meende en, met inachtneming van de door hem in acht te nemen zorgvuldigheid, redelijkerwijs ook mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichtingen zou voldoen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 1983, nr. 21 953, LJN: AW8796, volgt dat het op de weg van eiser ligt om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij te goeder trouw is geweest in vorenbedoelde zin. Daarvan kan blijkens het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 1988, nr. 25 408, LJN: ZC3928, ook sprake zijn indien de werknemer ten tijde waarop de inhoudingen moesten plaatsvinden redelijkerwijs mocht menen dat de financiële moeilijkheden van zijn werkgever van zo voorbijgaande aard waren dat daarvoor binnen korte termijn een oplossing zou zijn.

10. Eiser stelt dat hij te goeder trouw is geweest omdat hij, onder meer voor wat betreft het salarisbeleid, niet de volledige zeggenschap over [D BV] heeft. Deze stelling mist feitelijke grondslag. Vast staat dat eiser gedurende het jaar 2010 voor 34,44 procent middellijk aandeelhouder was in [D BV] en dat [E BV] dit was voor 32,78 procent. Omdat de overige aandelen door [D BV] waren ingekocht had eiser dus feitelijk een meerderheidsbelang in [D BV]. Voorts staat vast dat eiser gedurende het gehele jaar 2010 directeur was van [D BV] en uit de stukken komt naar voren dat hij in die functie verantwoordelijk was voor de algehele gang van zaken in het gehele concern. Zo eisers stelling rechtens juist is, laten de feiten en omstandigheden van dit geval geen ander oordeel toe dan dat eiser zonder meer over de door hem bedoelde zeggenschap beschikte. Verder heeft eiser geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat hij niet wist dat afdracht van loonbelasting achterwege bleef. Dat eiser, naar hij stelt, pas na afloop van het jaar werd geconfronteerd met het achterwege blijven van de afdrachten, acht de rechtbank, gezien de tijdige melding van betalingsonmacht, niet aannemelijk.

11. Met wat eiser daarvoor heeft aangevoerd en overgelegd heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2010 in redelijkheid mocht menen dat de financiële problemen van [D BV] van voorbijgaande en weinig ingrijpende aard waren en dat [D BV] ooit nog aan haar verplichtingen zou voldoen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op de balans per 31 december 2009 reeds een groot bedrag aan nog af te dragen loonbelasting staat, dat gesprekken met mogelijke investeerders niets hebben opgeleverd, geen enkel ontwikkelingsproject van de grond gekomen is en voor de ten verkoop aangeboden grond geen serieuze gegadigde kon worden gevonden.

12. Al het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat van inhouding van loonbelasting, ondanks het doen van aangifte en het melden van betalingsonmacht, feitelijk geen sprake is geweest, dat eiser dat wist en dat eiser, met inachtneming van de door hem in acht te nemen zorgvuldigheid, redelijkerwijs niet mocht menen dat [D BV] aan haar verplichtingen zou voldoen. Het gelijk is daarom aan verweerder. De rechtbank sluit zich aan bij het inmiddels gelijkluidend standpunt van partijen dat de aanslag in dat geval moet worden verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.788. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding van de werkelijke kosten, zoals door eiser bepleit, vindt de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank neemt daarvoor in aanmerking dat het beroep slechts gegrond is verklaard omdat verweerder zich heeft aangesloten bij het subsidiaire standpunt van eiser, terwijl eiser dit standpunt eerst in beroep voor het eerst heeft ingenomen. Verder heeft eiser onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder met de behandeling van de zaak onzorgvuldig is geweest en dit voor eiser en zijn gemachtigde tot extra werk en kosten zou hebben geleid. Voor vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar vindt de rechtbank evenmin aanleiding omdat gesteld noch gebleken is dat eiser tijdens de bezwaarfase daarom heeft verzocht. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.788 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.