Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2468

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
C-09-419307 - HA RK 12-257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Deelgeschil. Verzoek komt in wezen neer op een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. Oneigenlijk gebruik deelgeschilprocedure. Verzoek volstrekt onnodig en onterecht ingediend, dus geen kostenbegroting en veroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/419307 / HA RK 12-257

Beschikking van 24 mei 2013

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. L.B. de Jong te Den Haag,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. N.C. Haase te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Allianz worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 15 mei 2012, met producties;

- het op 8 augustus 2012 ingekomen verweerschrift, met producties;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 augustus 2012.

1.2. Naar aanleiding van de faxberichten van 13 november 2012, 12 december 2012 en 18 januari 2013 van de zijde van [verzoeker] is de zaak telkens nader aangehouden, laatstelijk tot 14 maart 2013 pro forma.

1.3. Bij faxbericht van 15 maart 2013 van de zijde van [verzoeker] is de rechtbank bericht dat partijen niet tot een regeling in der minne zijn gekomen en is verzocht de behandeling van de zaak voort te zetten c.q. uitspraak te doen.

1.4. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1. [verzoeker] is op 11 februari 2009 te Den Haag als bestuurder van een personenauto betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De rechterachterzijde van de door [verzoeker] bestuurde auto is, terwijl [verzoeker] op een voorrangsweg reed, aangereden door een van rechts komende bestelauto.

2.2. Allianz heeft als WAM-verzekeraar van de bestuurder van voornoemde bestelauto aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval jegens [verzoeker] erkend.

2.3. Allianz heeft tot op heden een bedrag van in totaal € 4.611,53, inclusief buitengerechtelijke kosten, betaalbaar gesteld.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – naar de rechtbank begrijpt –:

I. te bepalen dat Allianz gehouden is haar medewerking te verlenen aan het entameren van een medische expertise;

II. de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te begroten op een bedrag van € 2.838,15 aan advocaatkosten, te vermeerderen met het griffierecht, en Allianz te veroordelen tot betaling van deze kosten.

3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij ten gevolge van het ongeval ernstig letsel heeft opgelopen, bestaande uit rug-, nek- en schouderklachten, met uitstralende pijnklachten in beide armen. Volgens zijn medisch adviseur is sprake van een postwhiplashsyndroom. Het ongevalsletsel heeft ertoe geleid dat zijn belastbaarheid verder is beperkt. Nu het door hem gestelde causale verband tussen zijn klachten en beperkingen enerzijds en het ongeval anderzijds in de visie van Allianz ontbreekt, is een medische expertise – te verrichten door één van de in het verzoekschrift voorgestelde neurologen – noodzakelijk. Pas nadat de medische gevolgen van het ongeval middels een dergelijke expertise in kaart zijn gebracht, kan de omvang van de schade worden vastgesteld. Allianz is echter niet bereid om haar medewerking te verlenen aan het entameren van een medische expertise.

3.3. Allianz voert gemotiveerd verweer. Primair is Allianz van mening dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Immers, het verzoek is – gelet op de intentie van het verzoekschrift – geen deelgeschil in de zin van artikel 1019w lid 1 Rv en/of de verzochte beslissing zal geen bijdrage kunnen leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). Subsidiair stelt Allianz dat door [verzoeker] op geen enkele wijze is aangetoond dat een medische expertise opportuun is.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Behandeling in een deelgeschilprocedure

4.1. In de eerste plaats dient, gezien het primaire verweer van Allianz, te worden beoordeeld of het onderhavige geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

4.2. [verzoeker] heeft verzocht te bepalen dat Allianz gehouden is haar medewerking te verlenen aan het entameren van een medische expertise. Dat een dergelijk verzoek in een deelgeschilprocedure mogelijk is blijkt met zoveel woorden uit de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (hierna: de Wet deelgeschillen). Het verzoek valt derhalve formeel onder het bereik van artikel 1019w Rv.

4.3. Een soortgelijk verzoek is eerder toegewezen door de rechtbank Dordrecht bij uitspraak van 27 juni 2012 (LJN: BX0795). In die zaak, waarin onder meer werd verzocht de verzekeraar te bevelen (alsnog) medewerking te verlenen aan het in het kader van de verdere schaderegeling op gezamenlijk verzoek laten uitvoeren van een psychiatrische expertise, waren partijen in een eerder stadium reeds overeengekomen om gezamenlijk een medisch deskundige aan te zoeken en aan die deskundige gezamenlijk geformuleerde vragen voor te leggen. In een uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2013 (LJN: BZ8900), waarin het eveneens ging om een verzoek tot het verlenen van medewerking aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek, was ook sprake van de situatie dat partijen eerder reeds afspraken over een buitengerechtelijke expertise hadden gemaakt. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Gebleken is immers dat [verzoeker] en Allianz het niet eens zijn geworden over de noodzaak om een medische expertise te laten verrichten, waarna de discussie tussen partijen is gestopt en het onderhavige verzoek is ingediend.

4.4. Gelet op de discussie tussen partijen en gezien hetgeen in het verzoekschrift en het verweerschrift is opgenomen, liggen in deze procedure dezelfde vragen voor als de vragen die in een procedure ex artikel 202 Rv beoordeeld dienen te worden, te weten de vraag of een medisch deskundigenonderzoek gerechtvaardigd is en zo ja, de vraag door welke deskundige dit onderzoek dient te worden verricht, de vraag welke vraagstelling aan de deskundige dient te worden voorgelegd en de vraag welke medische informatie aan de deskundige ter beschikking dient te worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek hiermee in wezen neer op een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht als bedoeld in voornoemd artikel. Mede gezien de wetsgeschiedenis bij de Wet deelgeschillen is de rechtbank van oordeel dat dit het bereik van de deelgeschilprocedure te buiten gaat. Voor de behandeling van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht bestaat immers reeds een passend procesrechtelijk instrument, specifiek bedoeld om te bewerkstelligen dat de rechter een deskundige benoemt, en de deelgeschilprocedure vormt hierop slechts een aanvulling. Bovendien kent de verzoekschriftprocedure tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht eigen, van de deelgeschilprocedure afwijkende, regels ten aanzien van de vergoeding van kosten.

4.5. De rechtbank wenst tot slot nog op te merken dat de procedure ex artikel 202 Rv onder de gegeven omstandigheden als efficiënter kan worden beschouwd dan de deelgeschilprocedure en dat het partijen vrij staat om, ook nog na benoeming van een deskundige door de rechtbank, de expertise – in verband met de aan een gerechtelijk deskundigenonderzoek verbonden kosten – verder in onderling overleg en buiten de rechtbank om te laten plaatsvinden.

4.6. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, onder de gegeven omstandigheden, door de indiening van het onderhavige verzoek in een deelgeschilprocedure sprake is van een oneigenlijk gebruik van deze procedure. Het onder I. opgenomen verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.7. Ook als het verzoek wordt afgewezen dient in beginsel op grond van artikel 1019aa Rv begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12).

4.8. Zoals hiervoor reeds is overwogen komt het door [verzoeker] ingediende verzoek in wezen neer op een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. Gebleken is reeds dat de deelgeschilprocedure niet bedoeld is voor een verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek. Er bestond (en bestaat) een procesrechtelijk instrument dat duidelijk wel bedoeld is voor de behandeling van een dergelijk verzoek. Met de aanwending van de deelgeschilprocedure in plaats van de procedure tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht bestond dan ook een reëel risico dat de daarmee gepaard gaande werkzaamheden niet tot enig resultaat zouden leiden. De beslissing op dit punt lag naar het oordeel van de rechtbank zo voor de hand dat het indienen van het verzoek volstrekt onnodig en onterecht dient te worden geoordeeld. De kosten van de behandeling van het verzoek komen, gelet op het voorgaande, niet voor vergoeding in aanmerking. Begroting van deze kosten kan derhalve achterwege blijven.

4.9. Gelet op het voorgaande zal ook het onder II. opgenomen verzoek worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op

24 mei 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.