Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2450

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
SGR 12/2274
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navordering i.v.m. verzwegen inkomsten uit KB Lux-rekening. De vaststellingsovereenkomst is naar inhoud en wijze van totstandkoming rechtsgeldig, zodat eiseres daaraan gebonden is. Eiseres heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/2274

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 13 april 2002 aan eiseres een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 (aanslagnummer [nummer 1]) opgelegd. In deze navorderingsaanslag is het totaalbedrag van de nagevorderde inkomstenbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 en de nagevorderde vermogensbelasting 1991 tot en met 2000 alsmede de verhogingen en de vergrijpboetes en de over die jaren verschuldigde heffingsrenten begrepen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 februari 2012 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is daar verschenen [A]. Namens verweerder zijn verschenen [B], [C], [D] en [E]. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres, geboren op [datum] 1931, en [F], geboren op [datum] 1933 (de zus), zijn zussen (hierna gezamenlijk genoemd: de gezusters).

2. In hun aangiften voor de jaren 1990 tot en met 2000 hebben de gezusters geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux).

3. In de periode 11 december 2001 tot en met 11 maart 2002 is door de FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de gezusters betreffende het opzettelijk niet aangeven van rente, die is genoten op een rekening bij de KB Lux. In dit kader zijn de gezusters beiden op 11 december 2001 bezocht door medewerkers van de FIOD-ECD. Daarbij hebben de gezusters aangegeven niet over een rekening bij de KB Lux te beschikken.

4. Omstreeks 28 januari 2002 heeft de KB Lux de gezusters op hun verzoek afschriften verstrekt van de bankrekening bij de KB Lux met nummer [nummer 2]. De gezusters hebben deze bankafschriften op 7 februari 2002 aan medewerkers van de FIOD overhandigd. Op 12 februari 2002 is door de FIOD een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt. Dit luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(…)Aan de hand van de door de verdachten [eiseres] en [de zus] overhandigde rekeningoverzichten van rekening [nummer 2] bij de kredietbank te Luxemburg blijkt dat de verdachten [eiseres en de zus], ieder voor de helft gerechtigd, de navolgende bedragen per jaar aan rente hebben genoten:

Rente

Dit proces-verbaal werd door mij opgemaakt op ambtsbelofte.

Gesloten en getekend te Haarlem op 12 februari 2002.

(…).

5. Op basis van de overgelegde bankafschriften heeft verweerder het bedrag van de bij eiseres na te vorderen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 en de heffingsrente daarover alsmede de voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1995 en voor de vermogensbelasting 1991 tot en met 1999 op te leggen verhogingen en vergrijpboetes (50% van de enkelvoudige belasting) berekend op een totaalbedrag van € 55.586.

6. Ter zake van de berekende na te vorderen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting, de heffingsrente daarover alsmede de op te leggen verhogingen en vergrijpboetes is, na overleg met eiseres, een vaststellingsovereenkomst opgesteld (de vaststellingsovereenkomst). De vaststellingsovereenkomst luidt – voor zover hier van belang – als volgt.

“(…)De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek hebben de volgende partijen, na onderling overleg, in het kader van een compromis een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900, lid 1 Burgerlijk Wetboek:

1. Naam : [eiseres]

(…)

2. Naam: (…)

Namens:[verweerder]

Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is de na te vorderen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting over de jaren 1991 t/m 2000, alsmede de boeten en de heffingsrente daarover, voor zover die een gevolg zijn van het hiervoor genoemde onderzoek. Partijen verklaren zich jegens elkaar te binden ten aanzien van deze onderwerpen, waarbij zij uitdrukkelijk verklaren dat de overeenkomst ook zal gelden indien of voor zover zij afwijkt van een rechtens bestaande toestand tussen partijen.

Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit, dat partij sub 1 opzettelijk onjuist aangiften inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen heeft gedaan over de jaren 1991 t/m 2000 dan/wel geen aangiften heeft gedaan voor de vermogensbelasting over deze jaren. Als gevolg hiervan zouden navorderingsaanslagen moeten worden opgelegd tot een totaalbedrag van € 55.586,00 (enkelvoudige belasting, heffingsrente en 50% boete over de betreffende jaren m.u.v.: voor de inkomstenbelasting de jaren 1996 t/m 2000 en vermogensbelasting 2000). Een specificatie van dit totaalbedrag is als bijlage bij deze vaststellingsovereenkomst gevoegd.

Uit praktische overwegingen zijn partijen overeengekomen om het hiervoor genoemde totaalbedrag als enkelvoudige vermogensbelasting te heffen in één navorderingsaanslag over het jaar 1999. Deze navorderingsaanslag vervangt de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting met boeten en heffingsrente over de jaren 1991 t/m 2000.

Deze vaststellingsovereenkomst is gesloten onder de volgende voorwaarden:

(…)

* De fiscale gevolgen (enkelvoudige belasting, heffingsrente en boeten) van deze vaststellingsovereenkomst worden volledig verwerkt in één op te leggen navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999. Tegen deze navorderingsaanslag zal geen bezwaar en/of beroep worden aangetekend. Deze navorderingsaanslag wordt bovendien niet ambtshalve verminderd om welke reden dan ook;

(…)

* Partij 1 is in kennis gesteld van de gronden waarop de oplegging van de in deze vaststellingsovereenkomst begrepen boete berust en verklaart, dat hiermee voldaan is aan de verplichting tot kennisgeving en mededeling als omschreven in artikel 67k, lid 1 en 67g, lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Partij sub 1 zal geen recht doen gelden op de in artikel 67k, lid 2 AWR genoemde termijn;

(…)

* Indien deze vaststellingsovereenkomst is gesloten in de bezwaar- of beroepsfase, verklaart partij sub 1 geen beroep te doen op enige vergoeding van kosten, gemaakt in de bezwaar- en/of beroepsfase;

(…)

Partij sub 1 verklaart, alvorens te hebben ondertekend, voldoende tijd te hebben gehad om zich te beraden.

Voor akkoord getekend:

[Eiseres]

Datum ondertekening:

[Verweerder]

Datum ondertekening: 15 maart 2002”

7. Verweerder heeft de door hem op 15 maart 2002 voor akkoord ondertekende (concept)vaststellingsovereenkomst op 15 maart 2002 met begeleidende brief aan eiseres verzonden. De begeleidende brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt.

“(…)Conform mijn toezegging doe ik u 2 exemplaren van de vaststellingsovereenkomst en 1 specificatie van het totaalbedrag toekomen.

Ik verzoek u 1 exemplaar van de vaststellingsovereenkomst van datum en uw handtekening voorzien aan mij te retourneren in bijgevoegde portvrije envelop. Het andere exemplaar alsmede de specificatie van het totaalbedrag kunt u, ten behoeve van uw administratie, achterhouden.

Na ontvangst van de getekende vaststellingsovereenkomst zal ik de kwestie zo snel mogelijk afwerken.

Zoals beloofd heb ik telefonisch contact gehad met [de heer G]. Op de strafrechtelijke afwikkeling kan hij geen enkele invloed uitoefenen. Voor informatie hierover dient u zich schriftelijk te wenden tot de Officier van Justitie (…).”

8. Eiseres heeft de vaststellingsovereenkomst op 17 maart 2002 ondertekend. De voor akkoord getekende vaststellingsovereenkomst is door verweerder op 20 maart 2002 retour ontvangen.

9. Met dagtekening 13 april 2002 is de onderhavige navorderingsaanslag vermogensbelasting aan eiseres opgelegd, naar een te betalen bedrag van ƒ 122.493 (€ 55.585).

Geschil

10. In geschil is of de onderhavige navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil is of de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, zodat eiseres daaraan is gebonden.

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, omdat zij deze onder druk heeft moeten tekenen. Voorts stelt eiseres dat er geen verhogingen respectievelijk vergrijpboetes hadden mogen worden opgelegd voor de vermogensbelasting 1996 tot en met 1999. Verder stelt eiseres dat de verhogingen in ieder geval met 30% dienen te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de belastingaanslag en tot toekenning van een door de rechtbank nader vast te stellen immateriële schadevergoeding.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, zodat eiseres daaraan is gebonden. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om de verhogingen respectievelijk vergrijpboetes te vernietigen dan wel te matigen en dat eiseres geen recht heeft op een immateriële schadevergoeding.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

14. Eiseres heeft erkend bedragen aan inkomsten en vermogen te hebben verzwegen. Ten aanzien van de belastingheffing over deze bedragen heeft zij met verweerder een vaststellingsovereenkomst gesloten.

15. Eiseres heeft gesteld dat zij de vaststellingsovereenkomst onder druk heeft getekend. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat er sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Eiseres heeft tijdens het bezoek van FIOD-ambtenaren aanvankelijk ontkend over een rekening bij de KB Lux te beschikken. Naar aanleiding van het FIOD onderzoek is eiseres samen met haar zus naar Luxemburg gegaan en hebben zij bankafschriften van hun gezamenlijke KB Luxrekening opgevraagd, die zij later aan medewerkers van de FIOD hebben overhandigd. Tevens hebben zij antwoord gegeven op de door de FIOD-ECD gestelde vragen. Vervolgens heeft verweerder aan de hand van de door eiseres zelf overgelegde gegevens de na te vorderen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000, de heffingsrente daarover alsmede de voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1995 en voor de vermogensbelasting 1991 tot en met 1999 op te leggen verhogingen en vergrijpboetes berekend. Deze berekening heeft verweerder tezamen met de door hem opgestelde vaststellingsovereenkomst met voornoemde begeleidende brief van 15 maart 2002 (zie onder 7) aan eiseres gestuurd. Hierbij heeft verweerder geen enkele termijn gesteld waarbinnen de vaststellingsovereenkomst door eiseres zou moeten worden geretourneerd. Eiseres heeft de overeenkomst vervolgens op 17 maart 2002 ondertekend en terug gestuurd. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet aannemelijk dat er sprake is van enig wilsgebrek bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst. Van enige door verweerder op eiseres uitgeoefende druk bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is voorts niet gebleken.

16. Voorts is niet gesteld of gebleken dat verweerder bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Als regel binden partijen zich bij de vaststellingsovereenkomst omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt. Partijen regelen daardoor hun rechtsverhouding, hetgeen meebrengt dat een vaststellingsovereenkomst zowel over de feiten als over de toepassing van het recht kan worden gesloten. De inhoud van de afspraken die partijen in een vaststellingsovereenkomst maken, mag afwijken van de wet (Hoge Raad 9 december 2005, nr. 41117, LJN: AU7728). Dit is slechts anders als de vaststellingsovereenkomst zozeer in strijd is met hetgeen de wettelijke regeling – over het geheel genomen – ter zake bepaalt, dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. Verweerder mocht dan ook op volledige nakoming van de vaststellingsovereenkomst rekenen.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. De rechtbank ziet geen reden eiseres niet gebonden te achten aan de vaststellingsovereenkomst. Nu de onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd in overeenstemming met de gemaakte afspraken is het beroep van eiseres ongegrond.

18. Nu de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand gekomen is en in de vaststellingsovereenkomst tevens is bepaald dat tegen de navorderingsaanslag geen bezwaar en/of beroep zal worden aangetekend, komt de rechtbank niet meer toe aan de door eiseres aangevoerde gronden met betrekking tot het in de navorderingsaanslag begrepen bedrag aan verhogingen en boete, daaronder begrepen de door eiseres bepleite vermindering wegens ‘undue delay’, nu de bedragen aan verhogingen en boeten immers onderdeel uitmaken van de vaststellingsovereenkomst.

Immateriële schadevergoeding

19. Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat sprake is van eigen schuld en dat eiseres daarom geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt, dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (HR 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087). De hier aan de orde zijnde schadevergoedingsplicht vindt zijn grond dus in de schending van het rechtszekerheidsbeginsel door het bestuursorgaan en/of de rechter. Het is de trage besluitvorming door het bestuursorgaan en/of de rechter die leidt tot die schending en, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie bij de belastingplichtige wordt geacht op te roepen. Ook als sprake is van eigen schuld laat zulks onverlet dat de belastingplichtige recht heeft op beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn. De mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van de belastingplichtige ten grondslag liggen aan dat geschil is niet van belang bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 23 augustus 2012, nr. 04/01848, LJN: BX5668). De rechtbank verwerpt mitsdien de stelling van verweerder.

20. Voorts verwerpt de rechtbank de stelling van verweerder dat eiseres bij de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van haar recht op een immateriële schadevergoeding. De rechtbank vindt daartoe in de vaststellingsovereenkomst geen aanknopingspunt. Dat in de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat eiseres geen bezwaar en/of beroep zal instellen tegen de onderhavige navorderingsaanslag en dat indien de vaststellingsovereenkomst is gesloten in de bezwaar- of beroepsfase, geen beroep zal worden gedaan op enige vergoeding van kosten gemaakt in de bezwaar- en/of beroepsfase, maakt dit niet anders. Deze bepalingen zien naar het oordeel van de rechtbank niet op het verzoek tot toekenning van een immateriële schadevergoeding als hier aan de orde. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder lijkt te miskennen dat het feit dat eiseres een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de na te vorderen belasting, de heffingsrente en de verhogingen respectievelijk vergrijpboetes en daarbij afstand heeft gedaan van haar recht om tegen de onderhavige navorderingsaanslag bezwaar en/of beroep in te stellen, niet wegneemt dat zij de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst in een bezwaarprocedure bij verweerder en/of een beroepsprocedure bij de belastingrechter aan de orde kan stellen. Nu eiseres dit laatste heeft gedaan, ziet de rechtbank niet in waarom de hiervoor onder 19 genoemde uitgangspunten niet voor de onderhavige bezwaar- en beroepsprocedure zouden moeten gelden.

21. Ook verwerpt de rechtbank het door verweerder ter zitting ingenomen – niet nader gemotiveerde – standpunt dat eiseres, nu de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen vóórdat de Hoge Raad het voornoemde arrest betreffende het vergoeden van immateriële schade heeft gewezen, zich met haar verzoek om een immateriële schadevergoeding tot de civiele rechter moet wenden en dit niet in de onderhavige procedure bij de belastingrechter aan de orde kan stellen.

22. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Van die termijn van twee jaar kan worden afgeweken in verband met de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van een belanghebbende op het procesverloop. De termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

23. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding om een langere termijn als redelijk aan te merken. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Het pro-forma bezwaarschrift van eiseres, gedagtekend 15 april 2002, is op 16 april 2002 bij verweerder ingekomen. Bij brief van 24 april 2002, bij verweerder ingekomen op 1 mei 2002, heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd. Bij brief van 27 mei 2002 heeft de gemachtigde van eiseres bij verweerder aangegeven dat de beantwoording van de aan eiseres gestelde vragen inzake de KB Lux rekening afhankelijk is van de beantwoording van de door hem aan de staatssecretaris van Financiën gestelde vragen. Daarbij heeft hij verweerder meegedeeld dat eiseres haar medewerking zal verlenen nadat de gemachtigde de antwoorden van de staatssecretaris heeft ontvangen. Op 14 april 2003 is de uitspraaktermijn verlengd met een jaar. Bij brief van 9 april 2004 heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om aanhouding van de behandeling van het bezwaarschrift in afwachting van diverse gerechtelijke procedures in het kader van het zogenoemde rekeningenproject. Bij brief van 28 april 2004 heeft verweerder aan de gemachtigde meegedeeld dat het bezwaar zal worden aangehouden totdat zicht bestaat op de resultaten van de procedure(s) uit de “Samenwerkingsafspraak procedures rekeningenproject” en dat na het onherroepelijk worden van die uitspraken de gemachtigde in de gelegenheid zal worden gesteld om te worden gehoord om de bezwaren nader toe te lichten. Bij brief van 19 september 2011 heeft verweerder een ‘vooraankondiging uitspraak op bezwaar’ aan de gemachtigde gestuurd, waarbij de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om aan te geven of hij wilde worden gehoord. Omdat een reactie van de gemachtigde uitbleef, heeft verweerder hem bij brief van 23 januari 2012 nogmaals in de gelegenheid gesteld om aan te geven of hij wilde worden gehoord. Bij uitblijven van een reactie van de gemachtigde op het verzoek om aan te geven of hij wilde worden gehoord, heeft verweerder met dagtekening 6 februari 2012 uitspraak op bezwaar gedaan. Het pro-forma beroepschrift tegen die uitspraak op bezwaar is op 15 maart 2012 ingekomen bij de rechtbank. De motivering van het beroep is op 10 augustus 2012 ingekomen bij de rechtbank.

24. Uit het onder 23 weergegeven procesverloop voor de bezwaarfase, leidt de rechtbank af dat verweerder, mede op verzoek van eiseres, de behandeling van de bezwaarprocedures heeft aangehouden tot een eindbeslissing was genomen in de proefprocedure(s) inzake de KB Lux-problematiek. Daarbij geldt dat de Hoge Raad, na beantwoording van de door de Hoge Raad in het kader van de KB Lux problematiek aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vragen, op 26 februari 2010 uitspraak heeft gedaan in de laatste proefprocedures (zie onder meer Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43670bis, LJN: BJ9120). Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval de redelijke termijn van twee jaar in ieder geval te worden verlengd de tijd die is verstreken in verband met de aanhouding van de zaken in afwachting van de proefprocedure(s). De rechtbank stelt dit tijdsverloop op de periode tussen het moment dat verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen (16 april 2002) en het moment waarop de Hoge Raad de laatstgenoemde arresten heeft gewezen (26 februari 2010), neerkomend op (afgerond) zeven jaar en tien maanden. Voorts stelt de rechtbank vast dat tussen het verzenden van de ‘vooraankondiging uitspraak op bezwaar’ op 19 september 2011 en het daadwerkelijk doen van uitspraak op bezwaar op 6 februari 2012 een periode van ruim vier maanden is verstreken. Nu verweerder bij de brief van 19 september 2011 en vervolgens, wegens het uitblijven van een reactie van de zijde van de gemachtigde, bij brief van 23 januari 2012 nogmaals de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid heeft gesteld om aan te geven of hij wilde worden gehoord, terwijl de gemachtigde ook hierop niet heeft gereageerd, vindt de rechtbank aanleiding voornoemde periode van vier maanden voor de helft, derhalve voor twee maanden, aan eiseres toe te reken. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het pro-forma beroepschrift weliswaar op 15 maart 2012 is ingekomen bij de rechtbank, maar de motivering van het beroep eerst op 10 augustus 2012 heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft derhalve voor het indienen van de gronden van het beroep feitelijk uitstel genoten. Het hiermee gemoeide tijdsverloop van (bijna) vijf maanden dient naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres te worden toegerekend.

Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn in dit geval op tien jaar en vijf maanden moet worden gesteld (twee jaar + zeven jaar en tien maanden + twee maanden + vijf maanden). De andersluidende standpunten van partijen betreffende de (lengte van de) redelijke termijn verwerpt de rechtbank.

25. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 16 april 2002 tot de uitspraak van de rechtbank op 24 april 2013 is elf jaar verstreken. Dit is langer dan de termijn van tien jaar en vijf maanden die als redelijk kan worden beschouwd voor de procedure in bezwaar en beroep tezamen. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van zeven maanden.

26. Vervolgens heeft de rechtbank te beoordelen of de overschrijding aan de rechtbank of aan verweerder dient te worden toegerekend. Het (pro-forma)beroepschrift is bij de rechtbank ontvangen op 15 maart 2012. Gelet op de datum van de uitspraak van de rechtbank, 24 april 2013, dient de termijnoverschrijding van zeven maanden geheel aan verweerder te worden toegerekend.

27 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank op de voet van artikel 8:73 van de Awb verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar. Voor een hogere schadevergoeding vindt de rechtbank geen aanleiding.

28. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep (betreffende de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999) ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

29. Nu het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. In de enkele omstandigheid dat de beroepsprocedure heeft geleid tot toekenning van een – na de uitspraak op bezwaar gevraagde – immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding om tot toekenning van een proceskostenvergoeding over te gaan. Immers nu eiseres eerst nadat uitspraak op bezwaar is gedaan, heeft verzocht om immateriële schadevergoeding, kan verweerder niet worden tegengeworpen dat hij deze in zijn uitspraak op bezwaar niet heeft toegekend.

30. Wel zal de rechtbank, nu de beroepsprocedure heeft geleid tot toekenning van de gevraagde immateriële schadevergoeding, het door eiseres betaalde griffierecht van € 42 aan haar laten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, voorzitter, mr. M.A. Dirks en

mr. J.A. Booij, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.