Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2397

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
SGR 12/5926, SGR 12/5927, SGR 12/5929, SGR 12/5931 t/m SGR 12/5934, SGR 12/5937 en SGR 12/5938
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navordering i.v.m. verzwegen inkomsten uit KB Lux-rekening. Ondanks het feit dat verweerder is uitgegaan van geschatte basisinkomens en -vermogens zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB niet te hoog vastgesteld. Wel heeft eiseres recht op een immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1344

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 12/5926, SGR 12/5927, SGR 12/5929, SGR 12/5931 t/m SGR 12/5934, SGR 12/5937 en SGR, 12/5938

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2013 in de zaken tussen

de erfgenaam van [X], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 31 december 2003 aan eiseres navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 1991 tot en met 1995 en vermogensbelasting (VB) 1992 tot en met 1995 opgelegd. Bij deze aanslagen is heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 juni 2012 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is daar verschenen [A]. Namens verweerder zijn verschenen [B], [C] en [D]. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Overwegingen

Feiten

1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag. De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de verkregen afdrukken van de microfiches (hierna: de renseignementen).

2. De onder 1 genoemde gegevens inzake de KB Lux vermelden onder meer een rekening met nummer [nummer 1] met een saldo per 31 januari 1994 van ƒ 40.112 ten name van [X]. Zij stond als de enige rekeninghouder vermeld.

3. Wijlen [X] (erflaatster) is geboren op [datum] 1908 en overleden op [datum] 1999.

4. Op 6 november 2002 heeft verweerder eiseres, de dochter van erflaatster, een vragenbrief gestuurd met als bijlage een Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen. Eiseres is enig erfgenaam van erflaatster.

5. Op 11 november 2002 heeft eiseres aangegeven dat er voor zover haar bekend geen buitenlandse rekening is geweest.

6. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder de FIOD verzocht een proces-verbaal van identificatie op te maken. Op 28 februari 2003 heeft de FIOD het Proces-verbaal van de identificatie opgemaakt en aan verweerder gestuurd.

7. Bij brief van 14 april 2003 heeft verweerder eiseres verzocht bankgegevens op te vragen bij de KB Lux.

8. Bij brief van 7 mei 2003 heeft eiseres aangegeven dat het haar niet bekend is dat erflaatster een bankrekening in Luxemburg heeft gehad en verzoekt zij verweerder aan te geven in hoeverre zij verantwoordelijk is voor een bankrekening die niet meer bestond in 1995, het moment dat zij de financiële zaken van erflaatster overnam.

9. Bij brief van 20 mei 2003 heeft verweerder eiseres verzocht alsnog inzage te geven in de bankbescheiden.

10. Bij brief van 17 juli 2003 heeft verweerder eiseres verzocht aan te geven wat de stand van zaken is.

11. Bij brief van 12 augustus 2003 heeft eiseres aangegeven dat zij nog geen reactie heeft ontvangen van de KB Lux.

12. Op 22 september 2003 heeft eiseres de van de KB Lux ontvangen bankafschriften betreffende de rekening bij de KB Lux met rekeningnummer [nummer 1] naar verweerder gestuurd.

13. Bij brief van 14 oktober 2003 heeft verweerder in verband met de niet opgegeven rekening bij de KB Lux een vaststellingsovereenkomst alsmede de daaraan ten grondslag liggende berekeningsbladen betreffende de verschuldigde belasting over de jaren 1991 tot en met 1995 voor de IB/PVV, 1992 tot en met 1995 voor de VB en heffingsrente naar eiseres gestuurd.

14. Bij brief van 19 november 2003 heeft eiseres aangegeven dat zij niet direct voornemens is de vaststellingsovereenkomst te tekenen.

15. Met dagtekening 31 december 2003 heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.

16. Verweerder heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd naar de volgende vastgestelde (gecorrigeerde) belastbare inkomens:

<img src= "/uitspraakimages/AAA/AAA03528.png" alt="Vastgestelde (gecorrigeerde) belastbare inkomens" />

17. Verweerder heeft de navorderingsaanslagen VB opgelegd naar de volgende vastgestelde (gecorrigeerde) vermogens:

<img src= "/uitspraakimages/AAA/AAA03529.png" alt="Vastgestelde (gecorrigeerde) belastbare inkomens" />

18. Bij brief van 12 januari 2004, bij verweerder ingekomen op 13 januari 2004, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de onderhavige navorderingsaanslagen.

19. Bij brief van 21 januari 2004 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Daarbij heeft hij eiseres tevens verzocht of zij instemt met aanhouding van haar bezwaar in verband met de lopende ‘NautaDutilh-procedures’.

20. Bij brief van 6 februari 2004 heeft eiseres verweerder meegedeeld dat zij instemt met aanhouding van het bezwaar totdat uitspraak is gedaan in de NautaDutilh-procedures.

21. Bij brief van 5 december 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad uitspraak hebben gedaan in de NautaDutilh-procedures, maar dat een aantal geschilpunten nog niet is uitgeprocedeerd (bij Hof van Justitie en een aantal gerechtshoven) en dat de bezwaarschriften worden aangehouden in afwachting van de uitspraken in de nog lopende procedures.

22. Bij brief van 20 april 2012 heeft verweerder eiseres een ‘vooraankondiging uitspraak op bezwaar’ gestuurd.

23. Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 juni 2012 heeft verweerder de bezwaren van eiseres afgewezen.

Geschil

24. In geschil is uitsluitend nog of de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1995 tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

25. Eiseres concludeert tot vermindering van de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1993 tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 62.500 en – naar de rechtbank begrijpt – tot vermindering van de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1995 tot nihil. Voorts verzoekt eiseres om toekenning van een door de rechtbank nader vast te stellen immateriële schadevergoeding.

26. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

27. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

28. De rechtbank stelt voorop dat de voor de jaren 1994 en 1995 opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV niet meer in geschil zijn. Tegen deze aanslagen heeft eiseres geen gronden aangevoerd. Om die reden zijn de beroepen betreffende deze jaren naar het oordeel van de rechtbank ongegrond.

29. Met betrekking tot de overige navorderingsaanslagen stelt de rechtbank voorop dat gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is van de zogenoemde ‘omkering van de bewijslast’. Dit betekent dat verweerder aannemelijk moet maken dat de navorderingsaanslagen niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1991 t/m 1993

30. De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1993 zijn opgelegd naar een (gecorrigeerd) belastbaar inkomen van ƒ 142.520. Daarbij heeft verweerder het (eerder) vastgestelde belastbare inkomen (het basisinkomen) geschat op ƒ 140.000 en daarop in verband met de aangehouden bankrekening bij de KB Lux met rekeningnummer [nummer 1] steeds een inkomenscorrectie toegepast van ƒ 2.520. Vervolgens heeft verweerder de over de toegepaste correctie(s) verschuldigde belasting nagevorderd.

31. De hoogte van de onder 30 genoemde inkomenscorrectie(s) is niet in geschil. In geschil is slechts of verweerder het basisinkomen terecht op ƒ 140.000 heeft geschat.

32. De rechtbank stelt vast dat, voor de beoordeling van de vraag of de bewuste navorderingsaanslagen IB/PVV te hoog zijn vastgesteld, in feite slechts van belang is of de basisinkomens in zoverre te hoog zijn vastgesteld dat daardoor voor de jaren 1991 tot en met 1993 sprake is van toepassing van een te hoog belastingtarief (60%) op de inkomenscorrectie(s). Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

33. Verweerder heeft de schatting van het basisinkomen gebaseerd op de inkomens- en vermogensgegevens voor de jaren 1994 en 1995 zoals die blijken uit de aangifte- en aanslaggegevens voor die jaren. De voor die jaren vastgestelde belastbare inkomens – vóór toepassing van de correctie in verband met de rekening bij de KB Lux – bedragen respectievelijk ƒ 138.233 (1994) en ƒ 97.757 (1995) en zijn – kort weergegeven – als volgt opgebouwd.

<img src= "/uitspraakimages/AAA/AAA03530.png" alt="Opbouw belastbare inkomens" />

34. De rechtbank acht aannemelijk dat het basisinkomen in de jaren 1991 tot en met 1993 minstens ƒ 95.000 heeft bedragen. Daartoe acht de rechtbank de verwijzing naar de voor de jaren 1994 en 1995 vastgestelde belastbare inkomens voldoende. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat die belastbare inkomens voor een aanzienlijk deel bestaan uit rente inkomsten en (een) periodieke uitkering(en), waarbij, nu gesteld noch gebleken is dat dit niet het geval is, er naar het oordeel van de rechtbank van uit kan worden gegaan dat erflaatster deze ook in de bewuste jaren tot aanzienlijke bedragen heeft genoten. Eiseres heeft onvoldoende ingebracht om tot een ander oordeel te komen. De enkele, in het geheel niet nader onderbouwde stelling zoals ingenomen in het beroepschrift dat de basisinkomens niet meer hebben bedragen dan ƒ 80.000 dan wel ƒ 60.000, acht de rechtbank daartoe in ieder geval onvoldoende.

35. Nu uitgaande van een basisinkomen van ƒ 95.000 voor de jaren 1991 tot en met 1993 voor de berekening van de na te vorderen belasting ook het hoogste tarief van de voor die jaren geldende tarieventabellen van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1993 niet te hoog zijn vastgesteld.

De navorderingsaanslagen VB over de jaren 1992 t/m 1995

36. De navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1995 zijn opgelegd naar een (gecorrigeerd) belastbaar vermogen van respectievelijk ƒ 1.030.000 (1992 en 1993), ƒ 1.031.460 (1994) en ƒ 1.032.000 (1995). Daarbij heeft verweerder het voor die jaren (eerder) vastgestelde belastbare vermogen (het basisvermogen) geschat op ƒ 1.000.000 en daarop in verband met de aangehouden bankrekening bij de KB Lux met rekeningnummer [nummer 1] vermogenscorrecties toegepast van respectievelijk ƒ 32.000 (1992), ƒ 34.000 (1993), ƒ 36.557 (1994) en ƒ 38.297 (1995). Vervolgens heeft verweerder de over de toegepaste correctie(s) verschuldigde belasting nagevorderd.

37. De hoogte van de onder 36 genoemde vermogenscorrecties is niet in geschil. In geschil is slechts of verweerder het basisvermogen terecht op ƒ 1.000.000 heeft geschat.

38. De rechtbank stelt vast dat, voor de beoordeling van de vraag of de bewuste navorderingsaanslagen VB te hoog zijn vastgesteld, in feite slechts van belang is of de basisvermogens ten onrechte tot een bedrag boven de maximaal van toepassing zijnde belastingvrije som voor die jaren zijn vastgesteld en in zoverre te hoog zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

39. Verweerder heeft de schatting van de basisvermogens gebaseerd op de inkomens- en vermogensgegevens voor het jaar 1995 zoals die blijken uit de aangifte- en aanslaggegevens voor dat jaar. Daarbij geldt dat, naar uit de gedingstukken blijkt, de voor de jaren 1995 en 1996 vastgestelde belastbare vermogens – vóór toepassing van de correctie in verband met de rekening bij de KB Lux – respectievelijk ƒ 1.193.699 (1995) en ƒ 1.165.718 (1996) bedragen en – kort weergegeven – als volgt zijn opgebouwd.

<img src= "/uitspraakimages/AAA/AAA03531.png" alt="Opbouw belastbare inkomens" />

40. De rechtbank acht aannemelijk dat het basisvermogen in de jaren 1992 tot en met 1995 steeds meer dan de voor die jaren maximaal van toepassing zijnde belastingvrije som heeft bedragen. Daartoe acht de rechtbank de verwijzing naar het voor het jaar 1995 vastgestelde belastbare vermogen voldoende. Nu erflaatster per 1 januari 1995 kennelijk beschikte over een vermogen van ƒ 1.193.699, en gesteld noch gebleken is dat dit vermogen eerst in dat jaar is verworven, kan er naar het oordeel van de rechtbank van uit worden gegaan dat erflaatster ook in de jaren 1992 tot en met 1994 over een aanzienlijk vermogen beschikte dat in ieder geval meer bedroeg dan de maximale belastingvrije som voor die jaren. Eiseres heeft onvoldoende ingebracht om tot een ander oordeel te komen. De enkele, in het geheel niet nader onderbouwde stelling dat het basisvermogen in de jaren 1991 tot en met 1993 beneden de grens van het vrijgestelde vermogen lag, acht de rechtbank daartoe in ieder geval onvoldoende.

41. Nu er van uit kan worden gegaan dat het basisvermogen van erflaatster steeds meer heeft bedragen dan de voor de onderhavige jaren maximaal van toepassing zijnde belastingvrije som en de hoogte van de vastgestelde (geschatte) basisvermogens overigens niet van invloed is op het bedrag van de over de in verband met de rekening bij de KB Lux toegepaste correcties verschuldigde belasting, is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1992 tot en met 1995 niet te hoog zijn vastgesteld.

42. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

43. Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt dat de Hoge Raad in zijn arresten van 10 juni 2011 heeft beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087).

44. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Van die termijn van twee jaar kan worden afgeweken in verband met de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van een belanghebbende op het procesverloop. De termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

45. Het bezwaarschrift tegen de onderhavige navorderingsaanslagen en verhogingen is bij verweerder binnengekomen op 13 januari 2004. Verweerder heeft met dagtekening 15 juni 2012 uitspraak op de bezwaren gedaan. Het pro forma beroepschrift tegen die uitspraken op bezwaar is op 19 juli 2012 bij de rechtbank ingekomen. De motivering van de beroepen is op 24 augustus 2012 ingekomen bij de rechtbank, de nadere motivering op 27 september 2012. In deze uitspraak, gedagtekend 24 april 2013, wordt voor alle jaren uitspraak gedaan door de rechtbank.

46. De rechtbank ziet aanleiding om in afwijking van de onder 44 genoemde termijn van twee jaar in het onderhavige geval een langere termijn als redelijk aan te merken. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

47. Op verzoek van verweerder – gedaan bij brief van 21 januari 2004 – en met instemming van eiseres is de behandeling van de bezwaarprocedures aangehouden tot een eindbeslissing was genomen in de proefprocedure(s) inzake de KB Lux-problematiek (de NautaDutilh-procedures). Daarbij geldt dat de Hoge Raad, na beantwoording van de door de Hoge Raad in het kader van de KB Lux problematiek aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vragen, op 26 februari 2010 uitspraak heeft gedaan in de laatste proefprocedures (zie onder meer Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43670bis, LJN: BJ9120). Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval de redelijke termijn van twee jaar in ieder geval te worden verlengd met de tijd die is verstreken in verband met de aanhouding van de zaken in afwachting van al de hiervoor bedoelde proefprocedure(s). De rechtbank stelt dit tijdsverloop op de periode tussen het moment dat verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen (13 januari 2004) en het moment waarop de Hoge Raad de laatstgenoemde arresten heeft gewezen (26 februari 2010), neerkomend op zes jaar en één maand.

48. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder eiseres bij brief van 20 april 2012 (de ‘vooraankondiging uitspraak op bezwaar’) heeft meegedeeld dat hij voornemens is om de bezwaren tegen de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV en VB af te wijzen. Daarbij heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van die brief middels retournering van het bij die brief gevoegde keuzeformulier aan te geven of zij over de bezwaren wil worden gehoord. Voorts heeft verweerder eiseres er daarbij op gewezen dat zij hem met datzelfde keuzeformulier kan verzoeken om direct uitspraak op bezwaar te doen. Wegens het uitblijven van een reactie van de zijde van eiseres heeft verweerder op 15 juni 2012, zonder eiseres te hebben gehoord over de bezwaren, uitspraak op de bezwaren gedaan. Gelet op de hier geschetste gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat het tijdsverloop tussen het moment waarop verweerder de ‘vooraankondiging uitspraak op bezwaar’ aan eiseres heeft verzonden (20 april 2012) en het moment waarop verweerder uitspraak op de bezwaren heeft gedaan (15 juni 2012) voor rekening van eiseres heeft te komen, zodat de redelijke termijn in dit verband dient te worden verlengd met (afgerond) twee maanden.

49. Het onder 47 en 48 overwogene brengt mee dat de redelijke termijn in dit geval op acht jaar en drie maanden moet worden gesteld (twee jaar + zes jaar en één maand + twee maanden). De andersluidende standpunten van partijen betreffende de (lengte van de) redelijke termijn verwerpt de rechtbank.

50. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 13 januari 2004 tot de uitspraak van de rechtbank op 24 april 2013 is ruim negen jaar en drie maanden verstreken. Dit is langer dan de termijn van acht jaar en drie maanden die als redelijk kan worden beschouwd voor de procedure in bezwaar en beroep tezamen. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van één jaar.

51. Vervolgens heeft de rechtbank te beoordelen of de overschrijding aan de rechtbank of aan verweerder dient te worden toegerekend. Het (pro-forma) beroepschrift is bij de rechtbank ontvangen op 19 juli 2012. Gelet op de datum van de uitspraak van de rechtbank, 24 april 2013, dient de termijnoverschrijding van één jaar geheel aan verweerder te worden toegerekend.

52. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank op de voet van artikel 8:73 van de Awb verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar.

53. De rechtbank ziet geen reden het onder 52 genoemde bedrag te verhogen. Daarbij overweegt de rechtbank dat voor de onderhavige jaren naar haar oordeel één schadevergoeding dient te worden toegekend. De bezwaren hadden namelijk betrekking op hetzelfde feitencomplex, te weten op dezelfde niet opgegeven buitenlandse bankrekening. De procedures daarover zijn als één geheel gevoerd en hebben geresulteerd tot in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar en in één uitspraak van de rechtbank voor alle zaken samen. Niet aannemelijk is dat eiseres meer spanning en frustratie heeft ondervonden doordat de bezwaren betrekking hadden op meerdere navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente.

54. Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als hieronder vermeld.

Proceskosten

55. Nu de beroepen van eiseres ongegrond dienen te worden verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. In de enkele omstandigheid dat de beroepsprocedures hebben geleid tot toekenning van een – na de uitspraak op bezwaar gevraagde – immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding om tot toekenning van een proceskostenvergoeding over te gaan. Immers nu eiseres eerst nadat uitspraak op bezwaar is gedaan, heeft verzocht om immateriële schadevergoeding, kan verweerder niet worden tegengeworpen dat hij deze in zijn uitspraken op bezwaar niet heeft toegekend.

56. Wel zal de rechtbank, nu de beroepsprocedures hebben geleid tot toekenning van de gevraagde immateriële schadevergoeding, het door eiseres betaalde griffierecht van € 84 (2 x € 42) aan haar laten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank;

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 84 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, voorzitter, mr. M.A. Dirks en

mr. J.A. Booij, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.