Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2385

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
C-09-429033 - HA ZA 12-1226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht - vraag of verzekeraar gehouden is dekking te verlenen onder een AVB-polis ter zake de gevolgen van een arbeidsongeval. Verzekeraar beroept zich op uitsluitingsbepaling: schade veroorzaakt door of met een motorrijtuig. Beroep verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2013/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/429033 / HA ZA 12-1226

Vonnis van 15 mei 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

eiseres,

advocaat mr. F.E. Kerkvliet te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C. Fledderus te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [A] en Aegon genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 september 2012, met vier producties;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 23 januari 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 maart 2013 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is een ingenieursbedrijf dat zich bezig houdt met het ontwerpen en produceren van carbon gerelateerde producten, zoals vliegtuigonderdelen.

2.2. [A] heeft bij Aegon een Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven en Beroepen afgesloten onder polisnummer 701338043 (hierna: de AVB-verzekering) voor onder meer werkgeversaansprakelijkheid. Op de verzekering zijn van toepassing de “Voorwaarden Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven en beroepen nr. 1198” (hierna: de polisvoorwaarden). Deze luiden, voor zover van belang, als volgt:

“1. Begripsomschrijvingen

(…)

1.6 Schade

(…)

1.6.1 Onder schade aan personen wordt verstaan:

Letsel of aantasting van de gezondheid van personen, al dan niet de dood ten gevolge hebbend, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade.

(…)

2. Omschrijving van de dekking

2.1 Dekking

Verzekerd is de aansprakelijk van verzekerden in de verzekerde hoedanigheid overeenkomstig de algemene en bijzondere bepalingen die behoren bij de op het polisblad van toepassing verklaarde rubrieken.

(…)

2.7. Uitsluitingen en bijzondere insluitingen

(…)

2.7.3. Motorrijtuigen, (lucht)vaartuigen, aanhangwagens,

Niet gedekt is de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig, (lucht) vaartuig of aanhangwagen, die een verzekerde in eigendom heeft, bezit, houdt, bestuurt, gebruikt of doet gebruiken.

Als uitzondering op het vorenstaande is wel gedekt:

a. passagier

de aansprakelijkheid voor schade toegebracht als passagier van een motorrijtuig, (lucht)vaartuig, met inbegrip van schade aan dat vervoermiddel;

(…)

De uit 2.7.3 voortvloeiende dekking geldt niet indien de door deze verzekering gedekte schade eveneens op (een) andere polis(sen) is gedekt of daarop gedekt zou zijn indien de onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan.

(…)

Rubriek II: Bijzondere Bepalingen Werkgeversaansprakelijkheid

10. Begripsomschrijvingen

In deze rubriek wordt personenschade, als omschreven in 1.6.1, onderscheiden naar personenschade ten gevolge van:

10.1 Arbeidsongeval

(…)

11. Omschrijving van de dekking

11.1 Met inachtneming van de Algemene Bepalingen is verzekerd de aansprakelijkheid van een verzekerde, in de verzekerde hoedanigheid als op het polisblad vermeld, tegenover zijn ondergeschikten voor schade verband houdende met het verrichten van aktiviteiten voor verzekerden (…)”

2.3. Op 10 februari 2010 is een werkneemster van [A], mevrouw [B] (hierna: [B]), een bedrijfsongeval overkomen waarbij een vorkheftruck betrokken was. De vorkheftruck is eigendom van [A] en kort voor het ongeval door haar aangeschaft.

2.4. Op 13 juli 2011 heeft mr. K. Aantjes, advocaat van [B], het volgende aan [A] bericht:

“Tot mij wendde zich uw werkneemster, mevrouw [B] (…) in verband met de gevolgen van het aan haar op 10 februari 2010 overkomen bedrijfsongeval met ernstig, en naar het zich laat aanzien blijvend, letsel tot gevolg. Die dag, 10 februari 2010, is cliënte in een ander filiaal van uw bedrijf van enige meters hoogte van een vorkheftruck naar beneden gevallen. Die vorkheftruck was uiteraard niet geschikt om personen mee te tillen. Aanvankelijk leek het letsel mee te vallen, maar na korte tijd bleek sprake te zijn van een hersenschudding en meerdere kneuzingen, onder andere aan de linkerschouder. Momenteel resteren naast lichamelijke klachten met name ook cognitieve stoornissen.

Voor het ongeval en de gevolgen daarvan stel ik u hierdoor aansprakelijk. Beleefd verzoek ik u deze brief aan uw WA-verzekeraar te willen doorleiden, zodat ik deze kwestie met die maatschappij kan afwikkelen.”

2.5. Bij brief van 27 september 2011 van Aegon aan [C], de assurantietussenpersoon van [A], heeft Aegon, voor zover van belang, het volgende bericht:

“Zoals telefonisch meegedeeld hoort een schade als deze thuis op de verzekering van de vorkheftruck. Schade veroorzaakt door en met motorrijtuigen is uitgesloten van de dekking op de aansprakelijkheidsverzekeringbedrijven (avb).”

3. Het geschil

3.1. [A] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad:

(i) een verklaring voor recht dat Aegon gehouden is volledig dekking te verlenen ten aanzien van het ongeval dat [B] op 10 februari 2011 is overkomen;

(ii) een verklaring voor recht dat Aegon gehouden is om de door [A] aan [B], dan wel eventuele regresnemers, reeds betaalde en nog te betalen bedragen te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente;

(iii) veroordeling van Aegon in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.

3.2. Aegon voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen twisten over de vraag of Aegon ter zake van de gevolgen van het ongeval dat [B] op 10 februari 2010 op haar werk is overkomen, gehouden is dekking te verlenen onder de AVB-verzekering. Vooropgesteld zij dat ingeval sprake is van werkgeversaansprakelijkheid jegens een werknemer ter zake van een tijdens de werkzaamheden overkomen ongeval die aansprakelijkheid in beginsel wordt gedekt op de AVB-polis. Aegon betwist echter dat sprake is van een verzekerd evenement en stelt voorts dat de uitsluitingsbepaling ter zake van het motorrijtuigrisico van toepassing is. Nu [A] het rechtsgevolg inroept dat sprake is van een verzekerd evenement, is het ingevolge artikel 150 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering aan haar om daartoe feiten te stellen en deze bij gemotiveerde betwisting te bewijzen.

4.2. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een verzekerd evenement en of een uitsluitingsbepaling van toepassing is, dient eerst de toedracht van het ongeval te worden vastgesteld. Aegon heeft betoogd dat het op de weg van [A] had gelegen haar stelling dat [B] een ongeval is overkomen waarbij een vorkheftruck was betrokken op deugdelijke wijze te onderbouwen en ten minste een rapport van de arbeidsinspectie over te leggen. Voorts ontbreken stukken waaruit blijkt wat precies de schade is die [B] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Zodoende kan volgens Aegon niet worden vastgesteld of sprake is van een verzekerd evenement. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3. Tussen partijen staat vast dat na het [B] overkomen ongeval geen ziekenhuisopname nodig is geweest omdat het letsel ‘aanvankelijk (…) leek mee te vallen’, zoals haar advocaat schrijft (onder 2.4). Dat betekent dus – anders dan Aegon betoogt – dat er geen sprake was van een meldingsplichtig arbeidsongeval waarvan door de Inspectie een rapport moet worden opgemaakt. Dat een dergelijk rapport ontbreekt en dat Aegon daardoor niet in staat is bepaalde feitelijkheden vast te stellen, kan [A] mitsdien niet worden verweten. Wat betreft de toedracht van het ongeval zal de rechtbank dan ook uitgaan van de door [A] gestelde toedracht die voor het overige door Aegon niet is betwist.

4.4. [A] heeft, onder verwijzing naar een schriftelijke verklaring van de collega die de vorkheftruck bestuurde en mitsdien (afgezien van [B]) kennis had van de toedracht van het ongeval, de heer [D], gedetailleerd aangegeven hoe het ongeval zich heeft voorgedaan. Op grond daarvan heeft de rechtbank de toedracht als volgt vastgesteld.

[B], die in dienst was van [A], moest werkzaamheden verrichten boven een afzuigkast, waarvan de bovenkant zich op ongeveer 2.2 m bevond. Met behulp van een vorkheftruck, bestuurd door haar collega de heer [D], is zij op de juiste hoogte gebracht. Op de vorken – door [D] ‘lepels’ genoemd – van de vorkheftruck was namelijk een stalen draadmand geplaatst van circa 1 meter diep en 1.50 meter breed waarin zij was gaan staan en die gebruikt werd als werkplateau. De onderkant van de draadmand bevond zich op borsthoogte van [D] (ruim 1.50 meter).Ten tijde van het ongeval stond de vorkheftruck stil en stond [D] naast de vorkheftruck. Hij gaf [B] namelijk voorwerpen aan die [B] nodig had voor de boven de afzuigkast uit te voeren werkzaamheden. Bij een van de voorwerpen die [D] haar aanreikte - een verlengsnoer - boog [B] zich voorover. Zij leunde ver over de rand van de mand waardoor het gewicht plotseling verschoof, de mand over en van de vorken gleed waarop zij met mand en al naar beneden kwam en bovenop [D] is gevallen.

4.5. Uit de stellingen van [A] en de brief van de advocaat van [B] blijkt dat [B] tengevolge van het ongeval lichamelijke klachten heeft ontwikkeld, onder meer pijn aan heup en schouder. Anders dan Aegon betoogt, is niet nodig dat precies inzicht bestaat in het opgelopen letsel. Het enkele feit dat [A] door [B] aansprakelijk is gesteld met klachten die verband zouden kunnen houden met het ongeval, is daartoe, mede gelet op het feit dat slechts een verklaring voor recht is gevorderd dat er dekking bestaat, voldoende. Uit de onder 4.4 geschetste toedracht met als gevolg schade voor [B] kan worden opgemaakt dat er sprake is van personenschade zoals gedefinieerd in artikel 1.6.1. respectievelijk artikel 11.1 Rubriek II van de polisvoorwaarden en derhalve dat in beginsel sprake is van een gedekt evenement.

4.6. Thans is aan de orde de vraag of de uitsluitingsbepaling van artikel 2.7.3 van de polisvoorwaarden van toepassing is. Daartoe is allereerst van belang om vast te stellen of een vorkheftruck een motorrijtuig is als bedoeld in dit artikel, hetgeen namelijk door [A] wordt betwist. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld wordt dat het begrip ‘motorrijtuigen’ in artikel 2.7.3 niet onder de begripsomschrijvingen in de polisvoorwaarden is gedefinieerd. Naar Aegon onweersproken heeft aangevoerd, wordt het begrip ‘motorrijtuig’ in het Van Dale’s Groot woordenboek der Nederlandse taal gedefinieerd als ‘voertuig dat door een motor wordt voortbewogen’. Voorts is in artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bepaald dat onder motorrijtuigen moeten worden verstaan: ‘alle rij-of voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven over de grond te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht (…)’. Uit de beide definities van het begrip ‘motorrijtuig’ volgt dat het moet gaan om een voertuig dat wordt voortbewogen. Een vorkheftruck kan zich door een motorische aandrijving op eigen kracht voortbewegen over de grond. Dit kan zowel over de openbare weg zijn maar ook op een privéterrein voor het verplaatsen van goederen. Gelet hierop valt zonder nadere toelichting van [A], die ontbreekt, niet in te zien dat zij het begrip ‘motorrijtuig’ uit artikel 2.7.3 aldus heeft kunnen opvatten dat daaronder slechts voertuigen zijn begrepen die zijn voorzien van een kenteken én die bovendien uitsluitend zijn bestemd om op de openbare weg te worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat de vorkheftruck in kwestie moet worden aangemerkt als een motorrijtuig.

4.7. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van ‘schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig’. Aegon heeft betoogd dat het gebruik van de vorkheftruck in belangrijke mate heeft bijgedragen tot de val van [B]. Immers volgens haar is [B] door het hefmechanisme van de heftruck op een zekere hoogte gebracht, hetgeen debet is geweest aan de valpartij. [A] heeft daartegen aangevoerd dat de vorkheftruck in dit geval uitsluitend werd gebruikt als stellage die als steiger dienst deed. De draadmand, die uiteindelijk is gekanteld, behoorde niet tot de vorkheftruck. Het voorval had dan ook eveneens kunnen gebeuren indien een tussenplateau op een steiger niet voldoende was vastgezet, aldus [A]. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

4.8. De reikwijdte van de zinsnede die uitsluit ‘schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig’ in artikel 2.7.3 van de AVB-polisvoorwaarden is op zichzelf niet zonder meer duidelijk. Aegon heeft ter comparitie aanvullend betoogd dat [A] voor schade die door een vorkheftruck is veroorzaakt een zogenaamde Werkmaterieel verzekering had moeten afsluiten en dat de schade dan wel vergoed zou zijn geweest. Hoewel Aegon de bij een Werkmaterieel verzekering behorende polisvoorwaarden niet heeft overgelegd - en overigens [A] ten tijde van het ongeval niet een dergelijke verzekering had afgesloten -, is het de rechtbank bekend dat een Werkmaterieel polis naar zijn aard - in het verlengde van de verplicht voorgeschreven WAM-dekking - ziet op het risico van aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen veroorzaakt door het verzekerde motorrijtuig. Immers specifieke risico’s verbonden aan het bezit of gebruik van een motorrijtuig behoren niet verzekerd te zijn op een algemene bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Mede gelet op het bepaalde in het slot van artikel 2.7.3 van de polisvoorwaarden moet in dat kader de reikwijdte van de uitsluiting worden begrepen.

4.9. [D] heeft de vorkheftruck bestuurd en heeft dit op zichzelf goed gedaan. Het ongeluk had plaats toen de vorkheftruck stil stond en [D], staande naast de vorkheftruck, aan [B] spullen aangaf. [B] heeft een oneigenlijk gebruik gemaakt van de vorkheftruck doordat zij in een draadmand, die daartoe op de vorken was gezet, is gaan staan teneinde op een bepaalde hoogte te kunnen komen om daar werkzaamheden te kunnen verrichten. Het ongeval is veroorzaakt doordat zij te ver voorover leunde waardoor de draadmand is gekanteld. Het gevaar dat [B] ten val zou kunnen komen door op deze wijze te werken, is dan ook niet gelegen in een gebrek aan de vorkheftruck of in het gebruik van de vorkheftruck als motorrijtuig. Weliswaar heeft het heftruckmechanisme de draadmand tot een zekere hoogte gebracht, maar dit is bij het ontstaan van de val van ondergeschikte betekenis geweest. De handelwijze van [B] is dan ook de dominante factor van de schade geweest en is een oorzaak die los staat van het motorijtuig. Dat bij het werk gebruik is gemaakt van een vorkheftruck is een omstandigheid die als veroorzakende factor hierbij in het niet valt. [A] behoefde dan ook niet te verwachten dat zij de op de AVB-polis vanwege de op zichzelf in ruime bewoordingen gestelde uitsluitingsclausule geen dekking heeft voor schade die weliswaar enig verband heeft met een motorijtuig maar waarbij een andere fout die niets te maken heeft met de staat of de bediening van het motorijtuig veel meer in het oog springt.

4.10. Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden geconcludeerd dat de schade waarvoor [A] door [B] aansprakelijk is gesteld, is veroorzaakt ‘met of door een motorijtuig’ (de vorkheftruck) als bedoeld in artikel 2.7.3 van de polisvoorwaarden. Het verweer van Aegon dat de in artikel 2.7.3 opgenomen uitsluitingsclausule in dit geval van toepassing is, treft dan ook geen doel.

4.11. De rechtbank komt gezien het boven overwogene tot de conclusie dat de polis dekking biedt ten aanzien van de aansprakelijkheid van [A] tegenover [B] voor de schade die verband houdt met het door [B] overkomen arbeidsongeval op 10 februari 2011. De onder 3.1 onder (i) en (ii) gevorderde verklaringen voor recht – die voor het overige niet zijn weersproken – zullen dan ook worden toegewezen als hieronder vermeld.

4.12. Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4.13. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de verklaring voor recht, omdat een verklaring voor recht zich niet leent voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Aegon dekking dient te verlenen onder de AVB-verzekering en met inachtneming van de daaraan verbonden polisvoorwaarden, ten aanzien van de aansprakelijkheid van [A] tegenover [B] voor de schade als gevolg van het arbeidsongeval dat [B] op 10 februari 2011 is overkomen;

5.2. verklaart voor recht dat Aegon gehouden is om op grond van de AVB-verzekering en met inachtneming van de daaraan verbonden polisvoorwaarden, de door [A] aan [B], dan wel eventuele regresnemers, reeds betaalde en nog te betalen bedragen te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de bedragen aan [B], dan wel eventuele regresnemers, verschuldigd zijn;

5.3. veroordeelt Aegon in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 665,64 aan verschotten (€ 575-- aan griffierecht en € 90,64 aan explootkosten) en op € 904,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II, € 452,-);

5.4. veroordeelt Aegon in de nakosten van een bedrag van € 131,- zonder betekening en van € 199,- in geval van betekening, indien en voor zover hij niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5. verklaart de beslissingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.