Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2346

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
AWB 12/10941
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers ontvangen in 2005 een erfenis van ruim zeven ton. Na ontslag per 1 maart 2008 geven eisers het restant van deze erfenis in ruim drie jaar uit. Eisers vragen vervolgens een bijstandsuitkering aan. Deze uitkering wordt toegekend. Tevens wordt een maatregel opgelegd van 30% gedurende vier jaar in verband met tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door te snel in te teren op het vermogen. De rechtbank is van oordeel dat vanaf het moment van ontslag er rekening mee gehouden moest worden dat eisers op termijn afhankelijk zouden worden van bijstandsverlening. Gedragingen zijn verwijtbaar. Weliswaar is aannemelijk dat de gedane uitgaven gekoppeld zijn geweest aan de stoornis van eiser, maar eiser had in zijn niet-hypomame episodes maatregelen moeten treffen, bijvoorbeeld door het aanwijzen van een bewindvoerder. Voorts hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat het voor eiseres niet mogelijk is geweest haar gedeelde verantwoordelijkheid te nemen door het treffen van de nodige maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/10941

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2013 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], beiden woonachtig te [plaats], eisers (gemachtigde: mr. J. Brouwer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Boskoop, verweerder

(gemachtigde: F.J.M. van de Nes).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eisers met ingang van 1 maart 2012 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft verweerder tevens een eerder (in het kader van een eerdere toekenning) aan eisers opgelegde maatregel van

30 % doen herleven.

Bij besluit van 30 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2012 herroepen en in plaats van het doen herleven van de eerder opgelegde maatregel, met ingang van 1 maart 2012 tot en met 7 april 2015 een nieuwe maatregel van

30 % aan eisers opgelegd.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 25 april 2013 plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Eisers hebben in 2005 een erfenis ontvangen van € 718.138,-. Op 1 maart 2008 heeft eiser ontslag genomen uit zijn dienstbetrekking bij [A] B.V. Op dat moment was het vermogen van eisers € 329.700,-. Eiser is vervolgens als freelancer gaan werken, waarmee hij naar eigen zeggen nagenoeg niets heeft verdiend.

1.2 Bij besluit van 1 december 2011 is aan eisers een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 7 april 2011 tot 25 oktober 2011. Tevens is vanaf 7 april 2011 een maatregel opgelegd van 30 % voor de duur van 48 maanden in verband met een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

1.3 Op 14 februari 2012 hebben eisers een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder met ingang van 1 maart 2012 een Wwb-uitkering toegekend naar de norm voor gehuwden. Daarbij is bepaald dat de bij besluit van 1 december 2011 opgelegde maatregel per 1 maart 2012 zal worden gecontinueerd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen omdat de Afstemmingsverordening gemeente Boskoop 2009 (hierna: de Afstemmingsverordening) niet voorziet in de herleving van een eerder opgelegde maatregel en heeft verweerder de uitkering toegekend met ingang van 1 maart 2012 en per dezelfde datum een nieuwe maatregel opgelegd van 30 % tot en met 7 april 2015.

2. Het bestreden besluit rust op de grondslag dat eisers vanaf het ontslag van eiser op 1 maart 2008 konden weten dat zij bij een onverantwoord interen op hun vermogen een beroep zouden moeten doen op de bijstand. Rekening houdend met een interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm voor gehuwden is volgens verweerder een bedrag van € 191.040,70 onverantwoord besteed in de periode van 1 maart 2008 tot en met 31 maart 2011. Daarmee hadden eisers acht jaar in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening past daarbij een maatregel van 100 % gedurende de periode die eisers niet op bijstand zouden zijn aangewezen indien zij op verantwoorde wijze hun vermogen zouden hebben aangewend. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van eisers heeft verweerder deze maatregel gematigd tot 30 % voor de duur van 48 maanden, te rekenen vanaf 7 april 2011 (de ingangsdatum van de eerder toegekende uitkering).

3. Eisers voeren in beroep aan dat geen sprake is van verwijtbaar tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, omdat sprake is geweest van uitgaven door eiser als gevolg van zijn bipolaire stoornis (voorheen genoemd manische depressiviteit). Het roekeloos en onverantwoord omgaan met financiële uitgaven is één van de kenmerken van een manische periode. Eiser is sinds maart 2011 onder behandeling van een psychiater voor zijn bipolaire stoornis. Voor eiseres was het niet mogelijk enige invloed uit te oefenen op het gedrag en de bestedingen van eiser. Zij voelde zich meerdere keren dermate in het nauw gedreven dat zij heeft getracht een echtscheidingsprocedure te starten. Ten slotte is in oktober 2012 bij eiseres longkanker in een vergevorderd stadium geconstateerd. Voor eisers is een dermate schrijnende situatie ontstaan dat de opgelegde maatregel disproportioneel zwaar is.

4.1. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de Wwb verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel 13, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, de uitkering wordt verlaagd met

100 % van de uitkeringsnorm gedurende de periode die belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte zou hebben aangewend.

4.2 Artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert. Op grond van artikel 5 van de Afstemmingsverordening ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en kan het college van het opleggen van een maatregel afzien indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

5.1 De rechtbank is van oordeel dat eisers vanaf 1 maart 2008, de datum waarop eiser ontslag heeft genomen, er terdege rekening mee dienden te houden dat zij er, op termijn, niet in zouden slagen zelfstandig structureel in hun eigen bestaan te voorzien en dat zij (dientengevolge) op termijn afhankelijk zouden worden van bijstandsverlening. Vanuit een oogpunt van toepassing van de Wwb waren eisers gehouden een beroep op de Wwb zo lang mogelijk uit te stellen. Daartoe past een verantwoorde intering op hun vermogen.

5.2 Verweerder heeft vastgesteld dat eisers bij een verantwoorde besteding van dit vermogen ten tijde van de eerste aanvraag om bijstand op 7 april 2011 nog de beschikking konden hebben over € 191.040,70 waarmee zij nog gedurende acht jaar in hun levensonderhoud zouden kunnen voorzien. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder deze periode onjuist heeft vastgesteld.

5.3 Nu eisers acht jaar eerder een beroep op de Wwb hebben gedaan dan nodig zou zijn in geval van een verantwoorde wijze van besteding van hun vermogen, heeft verweerder terecht vastgesteld dat in hun geval sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Verweerder was daarom in beginsel op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening gehouden een maatregel op te leggen gedurende de periode die eisers niet op bijstand zouden zijn aangewezen indien zij op verantwoorde wijze hun vermogen zouden hebben aangewend. Verweerder heeft de hoogte en de duur van de maatregel ten gunste van eisers beperkt tot 30 % gedurende vier jaar vanwege hun persoonlijke omstandigheden.

5.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat bij eisers iedere vorm van verwijtbaarheid voor de in 5.2 omschreven en in 5.3 gekwalificeerde gedraging ontbreekt. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat zij vanwege de medische situatie van eiser gedurende de gehele periode van 1 maart 2008 tot 7 april 2011 hun vermogen niet goed konden beheren. Uit de verklaring van 25 mei 2012 van de Vereniging voor Manisch Depressieven en Betrokkenen en de verklaring van GGZ Midden-Holland van 6 augustus 2012 blijkt dat het roekeloos en onverantwoord omgaan met geld een kenmerk is van met name een manische periode, en de rechtbank wil met eisers wel aannemen dat ook in de periode voordat eiser onder behandeling stond van de GGZ het uitgavenpatroon in die betreffende periode gekoppeld was aan het op die momenten verkeren in een hypomane episode. Er is echter niet aannemelijk gemaakt of anderszins gebleken dat eiser vanaf 1 maart 2008 voortdurend buiten staat was om zijn belangen te behartigen. Eiser heeft dit ter zitting ook erkend, maar daarbij tevens aangegeven dat hij in zijn niet-hypomane episodes het probleem niet zag en zich daar ook door derden niet op liet aanspreken. Dit betreft evenwel een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Uit de opmerking van eiser ter zitting dat eisers na het ontslag van eiser per 1 maart 2008 vanwege hun financiële situatie een auto van de hand hebben gedaan, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er wel degelijk momenten zijn geweest dat eiser zich bewust was van het ontbreken van inkomsten en de noodzaak prudent met hun vermogen om te gaan. Het had op zijn weg gelegen om op de momenten dat hij daartoe in staat was de nodige maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door het aanwijzen van een bewindvoerder (vergelijk de uitspraak van 21 juni 2004 van de rechtbank Den Haag, LJN: AQ0937). Ook had van eiser verwacht mogen worden dat hij eerder dan hij heeft gedaan hulp had gezocht van een psychiater en/of psycholoog. Voorts hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat eiseres gedurende de betreffende periode niet in staat is geweest haar gedeelde verantwoordelijkheid te nemen door het treffen van de nodige maatregelen. De stelling dat het voor eiseres niet mogelijk was enige invloed uit te oefenen op het gedrag en de bestedingen van eiser is niet nader onderbouwd, terwijl uit het intakegesprek ten tijde van de eerste aanvraag veeleer blijkt dat eiseres zich eigenlijk nooit met de financiën heeft bemoeid omdat eiser een hoge functie in de financiële wereld had en zij hem volkomen vertrouwde. Dit betreft een omstandigheid die voor risico van eisers dient te blijven.

5.5 Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken dat de opgelegde maatregel gezien de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin eisers verkeren, de evenredigheidstoets niet kan doorstaan.

5.6 De medische toestand van eiseres leidt niet tot een ander oordeel, reeds niet omdat deze omstandigheid bij verweerder niet bekend was of kon zijn ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.

5.7 De stelling van eisers dat verweerder van het opleggen van een maatregel had moeten afzien omdat de verweten gedraging meer dan drie jaar vóór constatering van die gedraging door verweerder heeft plaatsgevonden (artikel 5, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening), slaagt niet. De eerste aanvraag van eisers voor een bijstandsuitkering dateert van 7 april 2011 en kort hierna is verweerder met de beoordeling van deze aanvraag en het onderzoek naar de intering van het vermogen door eisers gestart. In het voorjaar van 2011 is verweerder daardoor op de hoogte gekomen van de gedraging(en) vanaf maart 2008 welke tot het opleggen van de maatregel heeft/hebben geleid. Nu het voorts niet een enkele gedraging betreft die mogelijk iets meer dan drie jaar voor het onderzoek door verweerder heeft plaatsgevonden, maar een voortgezette gedraging die zich uitstrekt over de periode van 1 maart 2008 tot 7 april 2011, is artikel 5, eerste lid, onder b, van de Afstemmingsverordening hier niet van toepassing.

5.8 Van dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Afstemmingsverordening op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van een maatregel is de rechtbank niet gebleken.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Verbeek, voorzitter, en mr. D. Aarts en mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.