Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2341

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
430167 FA RK 12-8200
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat om een beëindiging van een co-ouderschapregeling op verzoek van de vrouw, en oudste twee kinderen die deze wens hebben uitgesproken tijdens het minderjarigenverhoor.

Tevens zijn de nieuwe kinderalimentatienormen toegepast, zowel aan de zijde van de vrouw als aan de zijde van de man is er een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets, ook is er een zorgkorting op de door de man te betalen kinderalimentatie toegepast met daarbij de kanttekening dat de man dit bedrag aan de kinderen dient te besteden op de momenten dat zij in het kader van de zorgregeling bij hem verblijven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/100
JPF 2013/89
PFR-Updates.nl 2013-0109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 12-8200

Zaaknummer: C/09/430167

Datum beschikking: 5 juni 2013

Alimentatie en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 29 oktober 2012 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. H.E. Brokers-van Dijk te Vleuten.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. A.J.I. Mullenders te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- de brief d.d. 23 april 2013 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 26 april 2013 met bijlagen van de zijde van de man.

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 8 mei 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen vergezeld van hun advocaat. Van beide zijden zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ingekomen:

- de brief d.d. 14 mei 2013 met bijlagen van de zijde van de man;

- de brief d.d. 21 mei 2013 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 22 mei 2013 met bijlagen van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 23 mei 2013 van de zijde van de vrouw.

Nu de man ter terechtzitting slechts in de gelegenheid is gesteld om na afloop daarvan (eenmalig) bij brief inzicht te verschaffen in zijn woonlasten, en de vrouw om (eveneens eenmalig) op de door de man in het geding te brengen stukken te reageren, gaat de rechtbank aan de inhoud van beide laatstgenoemde brieven voorbij.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt thans - met wijziging van na te melden beschikking -:

I. met ingang van 1 augustus 2012, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de kinderalimentatie op € 1.500,-- per maand per kind te bepalen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor die minderjarigen zal of kan worden verleend, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

II. te bepalen dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats zullen hebben bij de vrouw en dat de kinderen bij de man zullen verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond.

De vrouw stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor na te melden beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

De man voert verweer dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:

- de verblijfplaats van de kinderen te wijzigen, in die zin, dat zij hun gewone verblijfplaats bij de man zullen hebben;

- een zorgregeling tussen de vrouw en kinderen te bepalen, inhoudende dat de kinderen om de week bij de vrouw zullen verblijven met als wisseldag vrijdag, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

- te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 5.470,-- + p.m. aan de kinderrekening dient te vergoeden;

- te bepalen dat partijen de kinderrekening dienen op te heffen, waarna de man gerechtigd is tot het saldo van de kinderrekening;

- te verstaan dat de man een bijdrage aan de vrouw zal betalen van € 97,50 per maand ter dekking van de woonlasten en verblijfskosten van de kinderen op het moment dat zij in het kader van de zorgregeling bij de vrouw verblijven;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] 1997 tot [datum echtscheiding] 2012.

- Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- De minderjarigen verblijven thans afwisselend een week bij de man en een week bij de vrouw. De minderjarige [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de man. De minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staan ingeschreven op het adres van de vrouw.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 25 januari 2012 is - voor zover hier van belang - het door partijen ondertekende ouderschapsplan in de beschikking opgenomen en is bepaald dat de man gedurende een jaar een bedrag van € 500,-- en vervolgens een bedrag van € 420,-- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen.

Beoordeling

Tussen partijen staat ter discussie of de co-ouderschapsregeling, die zij na hun uiteengaan zijn overeengekomen dient te worden beëindigd en of een andere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient te worden vastgesteld. Daarnaast is tussen de vrouw en de man de hoogte van de door de man verschuldigde kinderalimentatie in geschil.

Vaststelling hoofdverblijfplaats minderjarigen en zorgregeling

Op grond van de processtukken, het verhandelde ter terechtzitting en het gesprek met de minderjarigen is het navolgende gebleken. Sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in augustus 2010 was er sprake van een co-ouderschap in de vorm van zogenaamde "birdnesting" in de voormalige echtelijke woning. In die periode woonden de minderjarigen fulltime in die woning, en verbleven partijen om beurten gedurende een week met de minderjarigen in de woning. In augustus 2012 is die regeling beëindigd en heeft de moeder een eigen woning betrokken. De co-ouderschapsregeling is vanaf dat moment voortgezet in afzonderlijke woningen. De minderjarigen verblijven de ene week bij de vader, zijn nieuwe partner en haar dochters in de voormalige echtelijke woning. De andere week verblijven de minderjarigen bij de moeder, af en toe tezamen met haar nieuwe partner en diens zoon. De minderjarigen hebben jegens beide ouders aangegeven dat zij de co-ouderschapsregeling zoals die thans bestaat het liefst zouden beëindigen, maar tot op heden is geen voor alle partijen aanvaardbare oplossing gevonden.

Uit de uitlatingen van partijen ter terechtzitting maakt de rechtbank op dat de communicatie tussen partijen te wensen overlaat en dat zij over het verloop van de thans bestaande zorgregeling een totaal andere beleving hebben. Uitgangspunt voor het goed functioneren van een co-ouderschapsregeling is dat partijen in staat zijn om op de voor een

co-ouderschap benodigde wijze te communiceren en dat bij beide partijen draagvlak aanwezig is om de co-ouderschapsregeling uit te voeren. De rechtbank stelt vast dat het benodigde draagvlak bij de vrouw ontbreekt. Daarnaast is het de rechtbank gebleken dat de minderjarigen moeite hebben zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Uit het gesprek met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gebleken dat zij het onprettig vinden wekelijks vele schoolboeken, andere studiebenodigdheden en wat kleding te moeten inpakken en mee te moeten nemen van de ene ouder naar de andere. Aldus zijn naar de mening van de minderjarigen praktische bezwaren verbonden aan de huidige regeling. Daarenboven is gebleken dat de minderjarigen moeite hebben te wennen aan de nieuwe gezinssamenstelling bij de man, en dat zij zich in dat nieuwe gezin minder op hun gemak voelen dan bij de vrouw thuis.

De rechtbank stelt vast dat de minderjarigen vijftien, twaalf en tien jaar oud zijn. De oudste twee minderjarigen hebben in raadkamer uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij van beide ouders houden, dat zij met beide ouders een regelmatig contact willen hebben, maar dat zij de huidige regeling als onprettig ervaren en dat zij de woning van de vrouw als uitvalsbasis zouden willen hebben. De wens van de twee oudste minderjarigen heeft op de rechtbank een authentieke indruk gemaakt en daaraan moet - mede gelet op hun leeftijd en de wijze waarop zij hun mening hebben verwoord - naar het oordeel van de rechtbank waarde worden gehecht.

In het licht van het vorenstaande staat vast dat beide ouders bereid en in staat zijn een groot aandeel in de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen, maar dat vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw meer in het belang is van de minderjarigen dan handhaving van de huidige regeling, dan wel voor vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man. De rechtbank wijst op grond van het vorenstaande het verzoek van de vrouw tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar toe, onder afwijzing van het verzoek van de man tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij hem.

Gelet op het aandeel dat de man tot op heden heeft gehad in de zorg voor de minderjarigen, acht de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij een frequent contact tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt in het belang van de minderjarigen. Om deze reden zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen bij de man zullen zijn gedurende eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 19:00 uur, alsmede eenmaal per veertien dagen gedurende een nader te bepalen doordeweekse dag uit school tot aan de volgende dag naar school.

Nu partijen, hoewel ter zitting daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, zich niet hebben uitgelaten over de vraag welke dag het meest geschikt zou zijn en de rechtbank geen zicht heeft op de verschillende buitenschoolse activiteiten van de minderjarigen, gaat de rechtbank ervan uit dat de ouders in onderling overleg de doordeweekse dag bepalen waarop de minderjarigen gezamenlijk tweewekelijks bij de man zullen zijn.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat partijen zich, in het belang van de minderjarigen, tot het uiterste zullen inspannen hun onderlinge verstandhouding te verbeteren en op heldere en zakelijke wijze met elkaar te communiceren over de minderjarigen.

Kinderalimentatie

Wijziging omstandigheden

De door de vrouw gestelde wijziging van omstandigheden is door de man betwist. Nu de zorgregeling bij deze beschikking zal worden gewijzigd, zal de rechtbank in het navolgende de behoefte van de minderjarigen en de financiële draagkracht van partijen beoordelen met ingang van heden.

Behoefte minderjarigen

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten die zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, zoals deze vanaf 1 januari 2013 luidt. Dit betekent dat eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen ten tijde van het huwelijk wordt bepaald, een en ander te verhogen met het kindgebonden budget.

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto gezinsinkomen ten tijde van hun uiteengaan meer dan € 5.000,-- per maand bedroeg. Uitgaande van dit netto gezinsinkomen en dertien kinderbijslagpunten, bedroeg de behoefte van de minderjarigen in 2012 € 1.490,-- per maand voor drie kinderen. Geïndexeerd naar heden is dit € 1.515,-- per maand. Partijen zijn het erover eens dat zij ten tijde van de samenleving geen aanspraak maakten op een kindgebonden budget, zodat hierdoor niet gedeeltelijk reeds in de behoefte van de minderjarigen werd voorzien.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behoefte van de minderjarigen, gelet op de huwelijkse welstand, hoger ligt. De man heeft de stelling van de vrouw betwist.

Volgens de tabel eigen aandeel kosten van kinderen behorende bij het Tremarapport zijn de kosten van de kinderen geëxtrapoleerd tot een netto gezinsinkomen van € 5.000,-- per maand. De rechtbank gaat er, conform de aanbevelingen in het Tremarapport, vanuit dat in beginsel heeft te gelden dat ook indien het netto gezinsinkomen hoger was dan € 5.000,-- per maand, met een bedrag van € 1.515,-- per maand in de behoefte van de minderjarigen wordt voorzien. Voor het aannemen van een hogere behoefte van de minderjarigen is conform de aanbevelingen in het Tremarapport alleen dan aanleiding, indien de kosten zo uitzonderlijk zijn dat deze niet begrepen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. Niet gebleken is dat van dergelijke bijzondere kosten sprake is, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet aan te nemen dat de kosten van de minderjarigen hoger zijn dan het bedrag dat voortvloeit uit de gangbare tabellen.

Uitgaande van een proefberekening waarbij rekening wordt gehouden met een bruto jaarinkomen van de vrouw van € 23.411,- (waarbij de rechtbank uitgaat van de jaaropgaven 2012 en de onbetwiste stelling van de vrouw dat zij met haar eigen onderneming een inkomen van € 1.100,-- per jaar genereert) en het feit dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen in het vorenstaande bij haar is bepaald, bedraagt het recht van de vrouw op kindgebonden budget thans € 183,-- per maand. Dit bedrag strekt in mindering op de door partijen te dragen kosten van de minderjarigen, zodat een behoefte aan een onderhoudsbijdrage van € 1.332,-- per maand resteert.

Draagkracht

Vervolgens dient te worden beoordeeld welk aandeel beide ouders in deze behoefte hebben. Blijkens de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen moet het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 NBI + 850)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,--) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente, de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Draagkracht vrouw

Van de zijde van de man is gesteld dat de vrouw - gelet op haar opleidingsniveau en werkervaring - in staat is om een aanzienlijk hoger inkomen te genieten dan thans het geval is.

Mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, gaat de rechtbank voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van de man dat uitgegaan moet worden van een hogere verdiencapaciteit van de vrouw. Daarom gaat de rechtbank bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw uit van voornoemd inkomen uit 2012 van € 23.411,-- bruto per jaar. Voorts houdt de rechtbank rekening met de door haar te ontvangen algemene heffingskorting, arbeidskorting, alleenstaande ouderkorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op

€ 1.822,-- per maand.

De rechtbank begrijpt de stellingname van de vrouw ter terechtzitting aldus dat zij verzoekt bij het bepalen van haar draagkracht geen rekening te houden met de in voornoemde formule opgenomen forfaitaire woonlast van 30% van haar netto besteedbaar inkomen, maar met de daadwerkelijk door haar te betalen huur van € 900,-- per maand. Deze huurlast komt overeen met 49% van haar netto besteedbaar inkomen. De vrouw betoogt - zo begrijpt althans de rechtbank - dat onverkorte hantering van de formule voor het berekenen van haar draagkracht voor haar tot een onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Nu de man niet heeft betwist dat de vrouw wordt geconfronteerd met hoge huurlasten en dat zij, wanneer daarmee geen rekening wordt gehouden, niet in haar noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien, zal de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de vrouw rekening houden met haar daadwerkelijke woonlasten. De draagkracht van de vrouw bedraagt derhalve 70% x [€ 1.822,-- - (€ 900,-- + € 850)] = € 50,--.

Draagkracht man

Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de man. Vast staat dat de man in ieder geval uit zijn onderneming [naam onderneming] een inkomen van € 129.695,-- bruto per jaar ontvangt. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man daarnaast inkomen geniet uit zijn andere ondernemingen. Nu uit de door de man in het geding gebrachte gegevens blijkt dat de door hem gedreven ondernemingen zijn ondergebracht in een holdingstructuur en dat de holding een managementfee ontvangt van de werkmaatschappijen, is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de man in privé geen inkomsten geniet uit de werkmaatschappijen.

Daarnaast is - zoals door de vrouw gesteld - weliswaar gebleken dat de man opnames in rekening-courant verricht uit [naam onderneming], maar tegenover deze opnames staat een schuld van de man aan de vennootschap. De rechtbank merkt deze opnames om die reden niet aan als inkomen. In het licht van het vorenstaande zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een inkomen van de man uit [naam onderneming] van € 129.695,-- bruto per jaar. De man heeft in de door hem overgelegde draagkrachtberekening geen last inzake pensioenpremies c.q. premie arbeidsongeschiktheidsverzekering opgenomen zodat de rechtbank bij de bepaling van zijn netto besteedbaar inkomen niet in aanmerking neemt. Op grond van voormeld inkomen bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 5.948,-- per maand.

Wanneer aan de zijde van de man wordt uitgegaan van forfaitaire woonlasten ter hoogte van 30 procent van zijn netto besteedbaar inkomen, bedraagt de draagkracht van de man € 2.320,-- netto per maand (te weten 70% x [€ 5.948,-- - (€ 1.784,-- + € 850,--)]. Daarbij kan de man aanspraak maken op een fiscaal voordeel van € 205,-- per maand, welk bedrag bij de draagkracht van de man wordt opgeteld. De man heeft derhalve, als uitgegaan wordt van forfaitaire woonlasten, een draagkracht van € 2.525,-- per maand.

Zou op basis van voornoemde gegevens een draagkrachtvergelijking worden gemaakt volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, dan leidt dit tot de navolgende conclusie:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 2525 / (2525 + 50) x 1332 = € 1.306,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / (2525 + 50) x 1332 = € 26,--

samen € 1.332,--.

In dat geval komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 1.306,-- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 26,-- per maand voor rekening van de vrouw.

De man heeft verzocht rekening te houden met de volledige betalingsverplichting uit hoofde van zijn hypotheek, daartoe stellende dat het gaat om hoge woonlasten die al ten tijde van het huwelijk zijn aangegaan en waarvan hij zich niet kan bevrijden. De man stelt in dit verband dat de bijdrage die wordt vastgesteld op basis van voornoemde formule - vanwege zijn woonlasten - voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat zal leiden, omdat hij bij deze bijdrage niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist en heeft gesteld dat de man heeft verzuimd een volledig inzicht in zijn woonlasten te geven. Zij heeft gesteld dat de man weliswaar heeft aangegeven dat hij de woonlasten voldoet door middel van een afboeking op zijn vordering op één van zijn werkmaatschappijen, maar dat niet is gebleken hoe hoog de netto woonlast van de man is. De vrouw heeft ook betoogd dat de man een deel van de geldlening die zijn onderneming [naam onderneming] voor de bouw van zijn woning aan hem heeft verstrekt zou kunnen aflossen door zijn vordering op diezelfde onderneming te incasseren. Tot slot heeft de vrouw betwist dat toepassing van de standaardformule voor het berekenen van draagkracht voor de man tot een onaanvaardbaar resultaat zou leiden.

De rechtbank stelt voorop dat de behoefte van de minderjarigen € 1.332,-- per maand bedraagt en dat - wanneer geen correctie wordt toegepast voor de door de man gestelde hoge woonlasten - het aandeel van de man in die behoefte € 1.306,-- per maand bedraagt. De rechtbank stelt vast dat zij ook op basis van de na de zitting door de man in het geding gebrachte stukken niet exact kan vaststellen wat de netto woonlasten van de man zijn, mede gelet op het feit dat de lasten door middel van een zogenaamd "kasrondje" via de ondernemingen van de man aan hem in rekening worden gebracht.

Wel is gebleken dat de man sinds het uiteengaan van partijen tot voor kort maandelijks een bedrag van € 1.500,-- per maand heeft overgemaakt op de gezamenlijke kindrekening van partijen, en dat hij daarnaast kosten in natura heeft voldaan op de momenten waarop de minderjarigen op grond van het co-ouderschap bij hem verbleven. Gesteld noch gebleken is dat de man als gevolg van deze bijdrage heeft moeten interen op zijn vermogen. In het licht van deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de man ingeval van vaststelling van voornoemde maandelijkse bijdrage van € 1.306,-- per maand niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets slaagt om die reden niet.

Uitgaande van de reeds vastgestelde draagkracht van beide partijen (€ 50,-- respectievelijk € 2.525,--) overstijgt hun totale draagkracht de behoefte van de minderjarigen, zodat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting. Gelet op de in deze beschikking bepaalde zorgregeling zal de rechtbank conform de huidige aanbevelingen een zorgkorting toepassen van 25%. De rechtbank acht het redelijk de zorgkorting alleen te berekenen over het aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen, en niet over de totale behoefte. Dit betekent dat de man op zijn aandeel in de kosten van de minderjarigen van € 1.306,-- een bedrag van € 327,-- (0,25 x € 1.306,--) in mindering kan brengen, aangezien de man geacht wordt de zorgkorting in natura aan de minderjarigen te voldoen. Dit leidt ertoe dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 979,-- per maand. Gelet op de hoogte van de zorgkorting, gaat de rechtbank ervan uit dat de man niet slechts voorziet in eten en drinken voor de minderjarigen op de momenten waarop zij bij hem verblijven, maar dat hij ook daadwerkelijk maandelijks een bedrag van omstreeks € 327,-- aan kosten voor de minderjarigen voldoet.

Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen van - afgerond - € 330,-- per maand per kind redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Kinderrekening

Partijen zijn ter terechtzitting overeengekomen dat zij in onderling overleg afspraken zullen maken over de afwikkeling van de kinderrekening. De rechtbank beschouwt de verzoeken met betrekking tot deze rekening daarom als ingetrokken.

Beslissing

De rechtbank - met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 25 januari 2012 van deze rechtbank waarin het door partijen opgenomen echtscheidingsconvenant is opgenomen - :

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

bepaalt dat voormelde minderjarigen bij de man zullen zijn:

- eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 19:00 uur; en

- eenmaal per veertien dagen gedurende een nader te bepalen doordeweekse dag uit school tot aan de volgende dag naar school;

bepaalt de door de man met ingang van heden te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarigen op € 330,-- per maand per kind, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Brandt, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Witte-Snel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

5 juni 2013.