Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1904

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
09/715039-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doordat verdachte, terwijl hij een auto bestuurde een kort moment van afwezigheid, mogelijk slaap, heeft gehad en daardoor een rood stoplicht heeft genegeerd, is een aanrijding ontstaan, waarbij één van de slachtoffers letsel heeft bekomen.

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Geldboete van 350 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/715039-12

Datum uitspraak: 10 april 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1977 te [plaats] ([land]),

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 maart 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.R. Joesoef Djamil en van hetgeen door de raadsman van verdachte

mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 december 2011 te Rijswijk als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de

weg(en), de kruising en/of splitsing van de Generaal Spoorlaan met de

Beatrixlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

- hij is tijdens het rijden op de Generaal Spoorlaan in slaap gevallen,

en/of (vervolgens)

- is hij de kruising met de Beatrixlaan genaderd en opgereden,

terwijl hij onvoldoende aandacht had voor het verkeer en/of de verkeers-

situatie ter plaatse en/of voor het besturen van zijn motorrijtuig en/of

terwijl hij onvoldoende controle had over het door hem bestuurde motor-

rijtuig, en/of

- heeft hij (vervolgens) geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een

gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een

voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht

uitstraalde,

tengevolge waarvan hij tegen een op die kruising rijdend motorrijtuig (auto)

is gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te

weten een gebroken sleutelbeen en/of een hersenschudding, of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 december 2011 te Rijswijk als bestuurder van een

motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de weg(en), de kruising en/of

splitsing van de Generaal Spoorlaan met de Prinses Beatrixlaan, als volgt

heeft gehandeld:

- hij is tijdens het rijden op de Generaal Spoorlaan in slaap gevallen,

en/of (vervolgens)

- is hij de kruising met de Beatrixlaan genaderd en opgereden,

terwijl hij onvoldoende aandacht had voor het verkeer en/of de verkeers-

situatie ter plaatse en/of voor het besturen van zijn motorrijtuig en/of

terwijl hij onvoldoende controle had over het door hem bestuurde motor-

rijtuig, en/of

- heeft hij (vervolgens) geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een

gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een

voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht

uitstraalde,

tengevolge waarvan hij tegen een op die kruising rijdend motorrijtuig (auto)

is gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) letsel, te weten een gebroken

sleutelbeen en/of een hersenschudding, heeft bekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding1

Op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsstukken en het verhandelde ter terechtzitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Op 3 december 2011 vond in Rijswijk op de kruising van de Generaal Spoorlaan met de Prinses Beatrixlaan een aanrijding plaats, waarbij drie voertuigen betrokken waren. Deze aanrijding ontstond doordat verdachte [verdachte](hierna: verdachte), rijdende in een bestelbusje, door het rode stoplicht reed en als gevolg daarvan in botsing kwam met (onder andere) de personenauto van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]).2

Als gevolg van de aanrijding liep [slachtoffer] letsel op, te weten een gebroken sleutelbeen en een lichte hersenschudding.3

Aan de orde is de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt - zoals primair ten laste gelegd - aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Daarvoor dient de rechtbank te beoordelen of het handelen van verdachte is aan te merken als roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag.

Subsidiair is aan de orde de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de WVW 1994.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld. Daarbij heeft hij opgemerkt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een aan de schuld van verdachte - in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid - te wijten ongeval, waardoor bij [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel is ontstaan dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van diens normale bezigheid is ontstaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst betoogd dat, omdat verdachte voorafgaand aan zijn telefonische verhoor door de politie niet is gewezen op zijn recht op consultatiebijstand, sprake is van schending van de geldende Salduz-jurisprudentie. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de voor de politie geldende aanwijzing die voorschrijft dat niet gedetineerde verdachten, die voor een verhoor op het politiebureau worden uitgenodigd, door de politie worden gewezen op het recht op consultatie van een raadsman. Volgens de raadsman valt niet in te zien dat dit anders zou moeten zijn bij een verdachte die telefonisch wordt gehoord. Deze schending levert volgens hem een vormverzuim op en hieraan dient de consequentie te worden verbonden dat de verklaring van verdachte afgelegd tegenover de politie uitgesloten dient te worden van het bewijs.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde feit, nu het bestanddeel schuld zowel in de vorm van roekeloosheid als in de vorm van zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend handelen niet kan worden bewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat nu de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie moet worden uitgesloten van het bewijs niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in slaap is gevallen. De enkele verkeersovertreding die verdachte heeft begaan, te weten het door rood licht rijden, is volgens de raadsman onvoldoende voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Verder is de raadsman - met de officier van justitie - van mening dat het letsel van [slachtoffer] niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk, zodat het primair ten laste gelegde feit ook om die reden niet bewezen kan worden.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een aan verdachte verwijtbare gevaarscheppende gedraging, zodat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

3.4 Het oordeel van de rechtbank

3.4.1 Beroep op Salduz-jurisprudentie

De rechtbank stelt voorop dat uit de Salduz-jurisprudentie volgt dat het recht op consultatie van een raadsman voorafgaand aan het eerste politieverhoor in beginsel alleen geldt voor een aangehouden verdachte. Ten aanzien van verdachte in deze zaak geldt dat hij niet is aangehouden, en dat hij telefonisch door de politie is verhoord. In zoverre geldt de Salduz-jurisprudentie voor hem niet. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat verdachte op grond van voornoemde aanwijzing, net als op het bureau uitgenodigde verdachten, gewezen had moeten worden op het recht op consultatie van een raadsman. Zelfs indien die stelling juist zou zijn, zou dat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de geringe gevolgen van zo'n mogelijke schending in deze zaak, slechts bij de vaststelling daarvan blijven en niet tot uitsluiting van de door verdachte afgelegde verklaring leiden.

3.4.2 Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994?

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval (Hoge Raad 1 juni 2004, LJN: AO5822). Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. De rechtbank zal daarom telkens de bijzondere omstandigheden van het geval dienen te beoordelen, hetgeen zij hierna ook zal doen.

Op 3 december 2011 heeft de technische en ongevallendienst van bureau Verkeer een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het verkeersongeval. Hieruit is het volgende gebleken.

Ten tijde van de aanrijding waren de daarbij betrokken voertuigen rijtechnisch in voldoende staat en vertoonden zij geen gebreken en/of bijzonderheden, die mogelijk van invloed zijn geweest op het ongeval. Op het kruispunt waar de aanrijding plaatsvond gold een maximumsnelheid van 50 km per uur. Van de exacte snelheid van de betrokken voertuigen tijdens of kort na het ongeval is niet gebleken. Niet is gebleken dat het voertuig van verdachte ten tijde van de aanrijding harder reed dan de toegestane maximum snelheid.

Er waren geen bijzonderheden qua weersgesteldheid, wegdek en verkeersituatie die mogelijk van invloed konden zijn op het ongeval. Verder waren er geen objecten die het zicht in de rijrichting van de voertuigen hebben verhinderd. Ook de verkeerslichten werkten goed. Vast is komen te staan dat deze niet tegelijk groen of geel licht uitstraalden.4

Over de aanrijding heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij die nacht werkzaam was geweest in de nachtdienst in Utrecht en dat hij daarna een collega thuis had afgezet en vervolgens op weg was naar zijn eigen huis. Hij herinnert zich nog dat hij is gestopt voor het rode stoplicht van het eerste kruispunt dat hij naderde na het thuisbrengen van zijn collega en dat hij bij groen licht daar is doorgereden in de richting van het kort daarop volgende tweede kruispunt (waar de aanrijding is gevolgd). Wat er bij de nadering van dit tweede kruispunt gebeurd is, weet hij niet meer. Hij herinnert zich het ongeval niet en is pas weer wakker geworden of bijgekomen toen zijn auto stil stond en hij iemand hoorde roepen. Mogelijk, gaf hij als verklaring ter terechtzitting, is hij in slaap gevallen, maar het kan ook zijn dat hij zijn bewustzijn is verloren doordat bij hem een kortstondig hartfalen, een flauwte of een epileptisch insult is opgetreden. Zoiets is hem nog nooit eerder overkomen, terwijl hij veel kilometers per jaar rijdt. Hij heeft verder verklaard de situatie ter plaatse zeer goed te kennen, omdat hij daar regelmatig langs rijdt.

Na de aanrijding is hij door een arts onderzocht in verband met pijn op zijn borst. Volgens de arts kwam die pijn door de gordel die verdachte tijdens de aanrijding droeg, aldus de verdachte.5

De rechtbank constateert dat het optreden van enig lichamelijk en plots optredend mankement (zoals een acuut en kortstondig hartfalen, een flauwte of een epileptisch insult) als oorzaak voor het buiten bewustzijn raken van de verdachte tijdens het autorijden niet aannemelijk is geworden, nu medische informatie daaromtrent ontbreekt.

Nu er geen aanwijzing is voor een andere reden voor het verlies van het bewustzijn, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte na de nachtdienst en inmiddels alleen in de auto zittend, een zeer kort moment van afwezigheid, mogelijk slaap, heeft gehad en als gevolg daarvan door het rode stoplicht is gereden en de aanrijding heeft veroorzaakt.

Dit handelen van verdachte zonder meer is naar het oordeel van de rechtbank - in het licht van de geldende jurisprudentie - nog niet voldoende voor de bewezenverklaring van een van de varianten van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Immers voor deze schuldvarianten dient op zijn minst bewijs te bestaan dat een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid bij verdachte aanwezig was.

Uit zijn verklaringen blijkt dat verdachte vaker in de nachtdienst werkte, zijn dagritme daarop aanpaste en dat hij steeds na de nachtdienst zonder problemen naar huis is gereden. Het dossier biedt geen aanknopingspunten waaruit kan blijken dat verdachte voorafgaand aan deze autorit naar huis meer dan gebruikelijk vermoeid was, hetgeen hem tot een grotere mate van voorzichtigheid zou hebben moeten bewegen dan normaal vereist is. Het korte moment van afwezigheid, mogelijk slaap, en als gevolg daarvan het door rood licht rijden vormt naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden onvoldoende basis voor de conclusie dat verdachte met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid in de zin van artikel 6 WVW heeft gehandeld.

Daarom zal de rechtbank verdachte van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.

3.4.3 Gevaarzetting in de zin van artikel 5 WVW 1994

Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van verdachte wel als (concreet) gevaarzettend gedrag worden gekwalificeerd. Immers, doordat verdachte in slaap is gevallen heeft hij onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en had hij onvoldoende controle over zijn voertuig, waardoor hij niet gestopt is voor een rood verkeerslicht en op de kruising tegen het voertuig van [slachtoffer] is aangereden. Hierdoor heeft hij gevaar op de weg veroorzaakt.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart aldus ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende typ- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

hij op 3 december 2011 te Rijswijk als bestuurder van een

motorrijtuig (auto), daarmee rijdende op de kruising van de Generaal Spoorlaan

met de Prinses Beatrixlaan, als volgt heeft gehandeld:

- hij is tijdens het rijden op de Generaal Spoorlaan in slaap gevallen,

en vervolgens

- is hij de kruising met de Prinses Beatrixlaan genaderd en opgereden,

terwijl hij onvoldoende aandacht had voor het verkeer en de verkeers-

situatie ter plaatse en voor het besturen van zijn motorrijtuig en

terwijl hij onvoldoende controle had over het door hem bestuurde motor-

rijtuig, en

- heeft hij vervolgens geen gevolg gegeven aan een verkeersteken dat een

gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een

voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht

uitstraalde,

tengevolge waarvan hij tegen een op die kruising rijdend motorrijtuig (auto)

is gebotst, waardoor [slachtoffer] letsel, te weten een gebroken

sleutelbeen en een hersenschudding, heeft bekomen, door welke gedragingen van verdachte

gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd van 40 uren, bij niet of niet goed voldoen te vervangen door 20 dagen vervangende hechtenis, en dat aan hem een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van zes maanden geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is werkzaam als zelfstandige zonder personeel en is enige kostwinner. Als zelfstandig sloper heeft hij zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Als gevolg van deze aanrijding heeft verdachte ook zelf een forse financiële schade opgelopen. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte, die jaarlijks veel kilometers maakt, in de afgelopen twintig jaar geen verkeersovertredingen heeft begaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in acht genomen.

Doordat verdachte, terwijl hij een auto bestuurde een kort moment van afwezigheid, mogelijk slaap, heeft gehad en daardoor een rood stoplicht heeft genegeerd, is een aanrijding ontstaan, waarbij één van de slachtoffers letsel heeft bekomen.

Nu de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de overtreding van artikel 5 WVW 1994, is een lagere bestraffing op zijn plaats dan door de officier van justitie is gevorderd. Artikel 5 van de WVW 1994 verbiedt gevaarlijk gedrag in het verkeer en de op te leggen straf dient dan ook gerelateerd te zijn aan de mate van gevaarzetting en niet aan de ernst van de gevolgen.

Daarbij realiseert de rechtbank zich dat bij die lagere strafbepaling een schril contrast kan ontstaan met de gevolgen daarvan.

Zoals blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van

[slachtoffer] heeft het slachtoffer als gevolg de aanrijding een gebroken sleutelbeen en een hersenschudding opgelopen. Hij is twee keer geopereerd aan zijn sleutelbeen en heeft sinds de aanrijding vreselijke hoofdpijnen en pijn in zijn nek. Omdat hij sinds de aanrijding aangepast werk doet en niet meer kan sporten (hetgeen hij voor de aanrijding fanatiek deed), ondervindt hij nog dagelijks de gevolgen van de aanrijding.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die doorgaans voor overtreding van artikel 5 WVW 1994 worden opgelegd en met de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, zoals deze zijn overeengekomen in het Landelijk Overleg Voorzitters Straftoemeting (LOVS).

Ook heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat uit een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Aldus komt de rechtbank tot oplegging van een geldboete van na te melden hoogte. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

- 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 350,- (driehonderdenvijftig euro);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 7 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter,

mrs. H.N. Pabbruwe en M.F. Baaij, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.K. Paap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar onderdelen van het dossier, betreft dit het proces-verbaal met het nummer PL15A4 2011255247-1, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (ongenummerd).

2 Proces-verbaal aanrijding, d.d. 3 december 2011, proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 3 december 2011 en verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse d.d. 16 januari 2012.

3 Geschrift medische informatie van dr. J.C.A. de Mol van Otterloo, chirurg Medisch Centrum Haaglanden, d.d. 16 december 2011.

4 Verkort proces-verbaal verkeersongevallenanalyse d.d. 16 januari 2012.

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting.