Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1870

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
C/09/414499 / HA ZA 12-293
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing in een aantal incidenten in zaak over civielrechtelijke gevolgen van een kartelbeschikking van de Europese Commissie. Onder meer:

- geen onbevoegdheid op grond van gestelde forumkeuze in koopovereenkomsten dochterondernemingen van enkele gedaagden;

- rechtbank op grond van artikel 6 EEX-Vo bevoegd ten aanzien van niet in Nederland gevestigde gedaagden;

- geen aanhouding van de zaak totdat de kartelbeschikking onherroepelijk is (Masterfoods arrest, goede procesorde);

- geen aanhouding van de zaak op grond van artikel 28 EEX-Vo;

- afwijzing vordering in exhibitie-incident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/414499 / HA ZA 12-293

Vonnis in incidenten van 1 mei 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

CDC PROJECT 14 SA,

gevestigd te Brussel, België

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten,

advocaat mr. M.H.J. van Maanen te Den Haag,

tegen

1. de naamloze vennootschap

SHELL PETROLEUM N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

SHELL PETROLEUM OIL GMBH,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

SHELL DEUTSCHLAND SCHMIERSTOFF GMBH,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

gedaagden,

eiseressen in de incidenten,

advocaat mr. Chr.F. Kroes te Amsterdam,

4. de rechtspersoon naar vreemd recht

SASOL WAX GMBH,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

5. de rechtspersoon naar vreemd recht

SASOL WAX INTERNATIONAL AG,

gevestigd te Hamburg, Duitsland,

gedaagden,

eiseressen in de incidenten,

advocaat mr. D.J. Beenders te Amsterdam,

6. de rechtspersoon naar vreemd recht

ESSO SOCIÉTÉ ANONYME FRANÇAISE,

gevestigd te Courbevoie, Frankrijk,

gedaagde,

eiseres in de incidenten,

advocaat mr. R. van de Klashorst te Den Haag,

7. de rechtspersoon naar vreemd recht

TOTAL RAFFINAGE MARKETING S.A.,

gevestigd te Puteaux, Frankrijk,

8. de rechtspersoon naar vreemd recht

TOTAL S.A.,

gevestigd te Courbevoie, Frankrijk,

gedaagden,

eiseressen in de incidenten,

advocaat mr. S. Beeston te Amsterdam.

Eiseres in de hoofdzaak wordt aangeduid als CDC. Gedaagden in de hoofdzaak worden hierna tezamen aangeduid als “gedaagden in de hoofdzaak”. Gedaagden in de hoofdzaak 1 tot en met 3 worden tezamen aangeduid als “Shell cs” en apart als “Shell Petroleum”, “Shell Oil” en “Shell Deutschland”. Gedaagden in de hoofdzaak 4 en 5 worden tezamen aangeduid als “Sasol cs” en apart als “Sasol Wax” en “Sasol International”. Gedaagde in de hoofdzaak 6 wordt aangeduid als “Esso”. Gedaagden in de hoofdzaak 7 en 8 worden tezamen aangeduid als “Total cs” en apart als “Total Raffinage” en “Total”.

1. De procedure

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 17 september 2011 met producties;

- de akte overlegging producties van CDC;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid tevens (voorwaardelijk) verzoek tot oproeping in vrijwaring van Total cs;

- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van de rechter, tevens voorwaardelijke incidentele conclusie tot voeging ex 222 Rv en aanhouding van de procedure van Sasol cs;

- de incidentele conclusie tot voeging wegens verknochtheid ex artikel 222 Rv tevens incidentele conclusie tot aanhouding op grond van artikel 28 EEX-Vo tevens incidentele conclusie tot aanhouding totdat de beschikking van de Europese Commissie van 1 oktober 2008 in kracht van gewijsde is gegaan van Shell cs;

-de incidentele conclusie houdende vordering tot voeging ex art. 222 Rv, tot aanhouding en tot overlegging van bescheiden ex art. 843a Rv van Esso;

- de conclusie van antwoord in de incidenten.e

1.2 Op 28 maart 2013 hebben partijen in de incidenten hun standpunten bepleit en zijn de volgende aktes genomen:

- de akte overlegging producties van Total cs;

- de akte overlegging producties van CDC;

- de akte overlegging producties van Shell cs.

1.3 Tot slot is een datum voor vonnis bepaald in de incidenten.

2. De feiten

in alle incidenten

2.1 Gedaagden in de hoofdzaak zijn geadresseerden van de beschikking van de Europese Commissie van 1 oktober 2008 (hierna: de beschikking), waarin de Commissie boetes heeft opgelegd van in totaal € 676.011.400,- op grond van inbreuk op artikel 81 EEG-Verdrag en artikel 53 EER-Overeenkomst vanwege een kartel waarin in de periode van 2 september 1992 tot 28 april 2005 prijzen op elkaar werden afgestemd, commercieel gevoelige informatie werd uitgewisseld, de markt en/of klanten onderling werd(en) verdeeld en werd toegezien op de naleving van deze afspraken op de markt van paraffinewas binnen de Europese Economische Ruimte (EER).

2.2 Sasol cs, Esso en Total cs hebben beroep ingesteld tegen de beschikking bij het Gerecht van de EU. De naar aanleiding daarvan lopende procedure wordt hier aangeduid als “de beroepsprocedure”.

in het door Total cs opgeworpen op artikel 23 EEX-Vo gebaseerde onbevoegdheidsincident

2.3 In de periode waar de beschikking op ziet kochten de Duitse afnemers Eika, Fuldatal en Vollmar (hierna: “de Duitse afnemers”) paraffinewas van dochterondernemingen van Total Raffinage. De door deze partijen afgesloten koopovereenkomsten worden hierna aangeduid als “de koopovereenkomsten”.

in het door Shell cs en Esso opgeworpen op artikel 28 EEX-Vo gebaseerde aanhoudingsincident

2.4 Op 29 juli 2009 en op 30 september 2011 hebben andere afnemers van paraffinewas zaken aanhangig gemaakt tegen geadresseerden van de beschikking voor de Chancery Division of the High Court of Justice in Londen in het Verenigd Koninkrijk. Deze zaken worden hierna aangeduid als “de Engelse zaken”.

3. Het geschil

in de hoofdzaak

3.1 CDC stelt dat zij op grond van cessieovereenkomsten met zeven, in Italië, Zweden, Finland, Duitsland en Noorwegen gevestigde afnemers van paraffinewas (hierna: de afnemers) in eigen naam gerechtigd is de vordering in te stellen. CDC vordert dat voor recht wordt verklaard dat de gedaagden in de hoofdzaak door deelname aan het kartel naar het recht van de op de vorderingen toepasselijke nationale rechtsstelsels onrechtmatig hebben gehandeld jegens de afnemers en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de afnemers als gevolg van het kartel hebben geleden. CDC vordert voorts dat gedaagden in de hoofdzaak hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en in de kosten.

in de incidenten

3.2 Shell cs vorderen dat:

i) de procedures met zaaknummers C/09/414499 / HA ZA 12-293 en C/09/416545 / HA ZA 12-461 worden gevoegd op de voet van art. 222 Rv;

ii) de hiervoor bedoelde procedures worden aangehouden op grond van artikel 28 EEX-Vo;

iii) de hiervoor bedoelde procedures worden aangehouden totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

3.3 Total cs vorderen dat:

i) de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vordering tegen Total cs in de hoofdzaak;

indien en voor zover de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van de vordering tegen Total cs in de hoofdzaak vorderen Total cs dat:

ii) hen wordt toegestaan Shell Petroleum, Shell Oil, Shell Deutschland, Sasol Wax, Sasol International, Esso, ENI, Esso Deutschland, EMPC, ExxonMobil, H&R ChemPharm, H&R Wax Company, Hansen & Rosenthal, Tudapetrol, MOL, Rylesa, Repsol Petroleo, Repsol YPF, Sasol Holding, Sasol Limited, Deutsche Shell, SIPC, SPCO, STTC, RWE-Dea en RWE in vrijwaring op te roepen;

iii) de procedure in de hoofdzaak wordt aangehouden totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

3.4 Sasol cs vorderen dat:

i) de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vordering tegen Sasol cs in de hoofdzaak, althans de beslissing in het bevoegdheidsincident en daarmee de hoofdzaak wordt aangehouden in afwachting van (het antwoord op) de door het gerecht in Dortmund te stellen prejudiciële vragen in een soortgelijke bevoegdheidskwestie;

indien en voor zover de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van de vordering tegen Sasol cs in de hoofdzaak vorderen Sasol cs dat:

ii) de hoofdzaak wordt gevoegd met de zaak met zaak-/rolnummer C/09/414619 / HA ZA 12-313;

iii) de procedure in de hoofdzaak wordt aangehouden totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

3.5 Esso vordert dat:

i) de zaak wordt gevoegd met de zaak met zaak-/rolnummer C/09/414501 / HA ZA 12-294;

iia) de behandeling van de hoofdzaak wordt aangehouden totdat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan;

en/of

iib) de behandeling van de hoofdzaak wordt aangehouden tot in de Engelse zaken onherroepelijk uitspraak is gedaan;

iii) CDC op de voet van artikel 843a Rv wordt veroordeeld aan Esso te verstrekken:

1a. schone afschriften van de acht cessieovereenkomsten die CDC als Annex II bij de dagvaarding heeft overgelegd;

1b. een verklaring van de bevoegde bestuurders van CDC dat de onder 1a bedoelde afschriften niet verschillen van de orginelen en dat (derhalve) in de kopieën geen schrappingen, doorstrepingen, weglakkingen, weglatingen van pagina’s, toevoegingen of andere wijzigingen ten opzichte van het origineel zijn doorgevoerd;

1c. alle andere overeenkomsten (waaronder raam- of mantelovereenkomsten) of anders aangeduide stukken (zoals (deelnemers)regelingen, reglementen, aansluitvoorwaarden, inschrijfvoorwaarden et cetera) die de rechtsverhouding tussen de cedenten en CDC beheersen of daar betrekking op hebben;

1d. een verklaring van (bevoegde) bestuurders van CDC dat er op het onder 1c bedoelde punt geen stukken zijn achtergebleven;

2. alle aankoopnota’s van Cartiera Lucchese S.p.A (Italie), Delsbo Candle AB (Zweden), Duni AB (Zweden) en Duni Holding Oy (Finland), Ebersbacher Wachswaren GmbH (Duitsland), Elka Wachswerkse Fulda GmbH (Duitsland), Kerzenmanufactur Fuldatal GmbH (Duitsland), Tyri AS (Noorwegen) en Vollmar GmbH (Duitsland) van paraffinewasproducten over de jaren 1992-2011;

3. alle verkoopnota’s van Cartiera Lucchese S.p.A, Delsbo Candle AB, Duni AB en Duni Holding Oy, Ebersbacher Wachswaren GmbH, Elka Wachswerkse Fulda GmbH, Kerzenmanufactur Fuldatal GmbH, Tyri AS, Vollmar GmbH van gereed product (kaarsen en/of waspapier) over de jaren 1992-2011;

4. bescheiden die inzicht geven in de hoeveelheid volledig geraffineerde paraffine die Cartiera Lucchese S.p.A, Delsbo Candle AB, Duni AB en Duni Holding Oy, Ebersbacher Wachswaren GmbH, Elka Wachswerkse Fulda GmbH, Kerzenmanufactur Fuldatal GmbH, Tyri AS, Vollmar GmbH gebruiken om één kilo kaarsen en/of waspapier te produceren en het gemiddelde gewicht van die kaarsen en/of waspapier;

5. ‘audited financial statements’ en ‘management accounts’ over de periode van 1992-2011, inclusief informatie over de variabele productiekosten;

6. de winst- en verliesrekeningen van Cartiera Lucchese S.p.A, Delsbo Candle AB, Duni AB en Duni Holding Oy, Ebersbacher Wachswaren GmbH, Elka Wachswerkse Fulda GmbH, Kerzenmanufactur Fuldatal GmbH, Tyri AS, Vollmar GmbH over de jaren 1992-2011.

3.6 CDC voert gemotiveerd verweer in alle incidenten, behalve in het door Total cs opgeworpen vrijwaringsincident en de door Shell cs, Esso en Sasol opgeworpen voegingsincidenten, waarin zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

3.7 Voor zover van belang worden de standpunten van partijen hierna besproken.

4. De beoordeling

in alle bevoegdheidsincidenten

4.1 De internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de hoofdzaak dient aan de hand van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX-Vo) te worden beoordeeld, nu de hoofdzaak valt binnen het materiële en formele toepassingsbereik van deze verordening.

4.2 Als uitgangspunt voor de in de EEX-Vo neergelegde bevoegdheidsregels geldt dat de bevoegdheid in het algemeen wordt gegrond op de woonplaats van verweerder en dat de bevoegdheid altijd op die grond moet kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal, duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van partijen een ander aanknopingspunt wettigt.

4.3 De Nederlandse rechter is op grond van artikel 2 EEX-Vo bevoegd kennis te nemen van de vordering van CDC tegen het in Nederland gevestigde Shell Petroleum.

4.4 CDC heeft de andere gedaagden in de hoofdzaak voor deze rechtbank gedagvaard met toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 6 EEX-Vo, op grond waarvan in zaken met meer dan één verweerder, een persoon kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden genomen.

in het door Total cs opgeworpen op artikel 23 EEX-Vo gebaseerde bevoegdheidsincident

4.5 Total cs stellen dat de rechtbank onbevoegd is omdat op de koopovereenkomsten algemene voorwaarden van toepassing zijn met daarin een forumkeuze als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo voor de Duitse rechter (te Berlijn).

4.6 Een op de voet van artikel 23 EEX-Vo door partijen exclusief aangewezen rechter is bij uitsluiting bevoegd. Artikel 6 EEX-Vo kan dus niet worden ingeroepen tegen een verweerder die zich met succes heeft beroepen op een exclusieve forumkeuzeovereenkomst als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo, waarin een andere rechter als bevoegd is aangewezen dan uit artikel 6 EEX-Vo zou volgen (verg. HR 24 september 1999, NJ 2000/552).

4.7 Forumkeuzeovereenkomsten als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo werken in beginsel slechts tussen de partijen bij deze overeenkomsten, doch kunnen onder omstandigheden ook rechtsgevolgen in het leven roepen voor derden.

4.8 Total cs zijn geen partij bij de koopovereenkomsten. Zij wijzen erop dat Total Raffinage de moedermaatschappij is van de Duitse dochtermaatschappijen die de door Total cs gestelde forumkeuzeovereenkomsten zouden hebben gesloten. Deze (enkele) vennootschapsrechtelijke band is echter geen omstandigheid die rechtsgevolgen van een forumkeuze in het leven roept voor een derde die geen partij is bij een forumkeuzeovereenkomst. Voor zover Total cs met hun stelling dat Total Raffinage met de Duitse afnemers een forumkeuze voor de Duitse rechter heeft gemaakt, (ook) hebben willen betogen dat zij moet worden vereenzelvigd met haar dochtermaatschappijen en/of dat de forumkeuze mede ten behoeve van Total cs is gemaakt, faalt deze stelling bij gebreke van een feitelijke of juridische grondslag waar deze gevolgtrekking op kan worden gebaseerd.

4.9 Total cs stellen verder dat Total Raffinage een beroep toekomt op de gestelde forumkeuzeovereenkomsten, omdat de door de afnemers ingestelde vorderingen in de hoofdzaak feitelijk contractueel van aard zijn, dan wel zeer nauw samenhangen met de koopovereenkomsten in verband waarmee de forumkeuze zou zijn gemaakt; “het kan niet zo zijn dat de Duitse Afnemers wel hun beweerde schade voor te hoog betaalde koopprijzen van TRM (Total Raffinage, toevoeging rechtbank) mogen vorderen, maar TRM anderzijds geen beroep mag doen op contractuele afspraken.”, aldus Total cs.

Wat daar ook van moge zijn, ook dit is geen omstandigheid die ertoe kan leiden dat Total cs zich als derden kunnen beroepen op forumkeuzeovereenkomsten waar zij geen partij bij zijn.

4.10 Ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan Total cs een beroep toekomt op de door hen gestelde forumkeuzeovereenkomsten. Reeds hierom strandt hun op artikel 23 EEX-Vo gegronde vordering tot onbevoegdverklaring en wordt niet toegekomen aan beoordeling van de overige geschilpunten, bijvoorbeeld de vraag of sprake is van een geldige forumkeuze overeenkomst als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo en de vraag of de gestelde forumkeuze zich uitstrekt tot vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad.

4.11 Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering in dit bevoegdheidsincident.

in het door Sasol cs en Total cs op grond van artikel 6 EEX-Vo opgeworpen bevoegdheidsincident

4.12 Voor de door Sasol cs gevraagde aanhouding van de beslissing in dit incident in afwachting van het antwoord op de door de rechtbank in Dortmund reeds enige tijd geleden aangekondigde en nog niet gestelde prejudiciële vragen bestaat geen aanleiding, net zo min als het voor Sasol cs bepleite stellen van prejudiciële vragen over de toepassing van artikel 6 EEX-Vo in deze zaak.

4.13 Het onder 4.2 weergegeven uitgangspunt betekent dat de in artikel 6 EEX-Vo neergelegde bijzondere bevoegdheidsregel, waarmee wordt afgeweken van de in artikel 2 EEX-Vo neergelegde beginselbevoegdheid van de rechter van de woonplaats van verweerder, eng moet worden uitgelegd en dat deze uitlegging zich enkel mag uitstrekken over de in de EEX-Vo uitdrukkelijk bedoelde gevallen. Verg. HvJ EG 11 oktober 2007, zaak C-98/06 (Freeport/Arnoldsson) en HvJ EU 1 december 2011, zaak C-145/10 (Painer/Standard Verlags GmbH).

4.14 Artikel 6 EEX-Vo stelt als voorwaarde dat de daar omschreven nauwe band bestaat tussen de tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen. Een nauwe band met Nederland van bijvoorbeeld eisers of de vorderingen als zodanig - bijvoorbeeld omdat de daaraan ten grondslag gelegde feiten zich (deels) in Nederland hebben afgespeeld en/of omdat sprake is van naar Nederlands recht te beoordelen geschilpunten - valt buiten het eng te hanteren beoordelingskader van artikel 6 EEX-Vo. Wat partijen daarover naar voren hebben gebracht, kan dus onbesproken blijven.

4.15 Bepalend voor de vraag of artikel 6 EEX-Vo bevoegdheid schept is of een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting van de vorderingen, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Dit dient te worden beoordeeld op grond van de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Daarbij kan van belang zijn of de gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen is van belang, waarbij geldt dat een identieke rechtsgrondslag geen onmisbare voorwaarde is voor toepassing van artikel 6 EEX-Vo. Het gegeven dat de vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben, staat op zichzelf dus niet in de weg aan toepassing van artikel 6 EEX-Vo, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar tenminste een van hen zijn woonplaats had. Verder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 6 EEX-Vo op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; vereist is dat deze divergentie zich in het kader van eenzelfde situatie voordoet, feitelijk en rechtens. Verg. HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-539/02 (Roche Nederland/Primus, Goldenberg), HvJ EG 11 oktober 2007, zaak C-98/06 (Freeport/Arnoldsson) en HvJ EU 1 december 2011, zaak C-145/10 (Painer/Standard Verlags GmbH).

4.16 In de dagvaarding stelt CDC dat gedaagden in de hoofdzaak civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van de afnemers als gevolg van het in de beschikking aangeduide kartel, waar gedaagden in de hoofdzaak door de Commissie op grond van communautaire mededingingsregels hoofdelijk aansprakelijk voor zijn gehouden. In de beschikking zijn de door de Commissie omschreven overtredingen toegerekend aan rechtspersonen die zijn gekwalificeerd als rechtstreekse deelnemers aan het door de Commissie aangeduide - en door een aantal van de geadresseerden/gedaagden in de hoofdzaak als zodanig niet betwiste - kartel en daarnaast aan een aantal moedervennootschappen, ten aanzien van wie in de beschikking staat dat zij feitelijk beleidsbepalend waren ten opzichte van hun door de Commissie als rechtstreekse deelnemers aan het kartel gekwalificeerde dochterondernemingen.

Shell Petroleum is net als Total S.A. en Sasol International aansprakelijk gehouden als feitelijk beleidsbepalende moedermaatschappij, ten opzichte van de in de beschikking als feitelijke deelnemers gekwalificeerde dochtermaatschappijen Shell Oil en Shell Deutschland, Total Raffinage respectievelijk Sasol Wax. In de beschikking is ieder van de geadresseerden op grond van communautaire mededingingsregels, die betrekking hebben op de EER, aansprakelijk gehouden voor de inbreukmakende gedragingen, die in de beschikking zijn aangeduid als een “single and continuous infringement”.

4.17 De vorderingen tegen alle gedaagden in de hoofdzaak betreffen dus de vraag naar de civielrechtelijke consequenties van de in de beschikking door de Commissie vastgestelde communautaire mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid voor het in de beschikking aangeduide kartel. Voor gedragingen in kartelverband geldt in zijn algemeenheid dat deze naar hun aard tezamen worden begaan door de rechtstreekse deelnemers. Verder kan de in de beschikking, op grond van de communautaire mededingingsrechtelijke bepalingen aangenomen feitelijk beleidsbepalende rol van de moedervennootschappen niet goed los worden gezien van de in de beschikking aangenomen aansprakelijkheid van de in de beschikking als rechtstreekse deelnemers gekwalificeerde dochtervennootschappen. Dit een en ander betekent dat sprake is van een voldoende nauwe band als bedoeld in artikel 6 EEX-Vo tussen de tegen alle gedaagden in de hoofdzaak ingestelde vorderingen, dus ook die tegen Shell Petroleum enerzijds en die tegen Sasol cs en Total cs anderzijds.

4.18 Mede gelet op hetgeen onder 4.15 is overwogen over de toepassing van artikel 6 EEX-Vo, staat het gegeven dat Shell Petroleum in de beschikking voor een relatief korte periode (van 1 juli 2002 tot 17 maart 2005) aansprakelijk is gehouden niet in de weg aan het aannemen van een nauwe band als bedoeld in artikel 6 EEX-Vo. Dat geldt ook voor het gegeven dat de in de beschikking genoemde overtredingen op een andere feitelijke en juridische grondslag zijn toegerekend aan de moedervennootschappen die als feitelijke beleidsbepalers zijn aangemerkt enerzijds dan aan de rechtspersonen die zijn gekwalificeerd als rechtstreekse deelnemers anderzijds. Wat dat betekent voor de beoordeling van de vorderingen tegen en de ene of de andere (soort) gedaagde in de hoofdzaak, dient te zijner tijd in de hoofdzaak te worden beoordeeld. De stelling van Sasol cs dat het debat in de hoofdzaak tussen CDC en Shell Petroleum zal gaan over een wezenlijk andere vraag dan die dient te worden beantwoord bij de andere gedaagden in de hoofdzaak, is tot slot niet goed te rijmen met het gegeven dat - naar partijen tijdens het pleidooi ook hebben beaamd - de positie van Sasol International op grond van de beschikking vergelijkbaar is met die van Shell Petroleum.

4.19 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voldoende sprake is van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, om te spreken van een nauwe band als bedoeld in artikel 6 EEX-Vo. Wel vergen de onder 4.18 aangeduide verschillen dat het voor Total cs en Sasol cs voorzienbaar moest zijn dat zij voor deze vorderingen voor een gerecht konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een van de geadresseerden van de beschikking zijn woonplaats heeft. Met CDC wordt geoordeeld dat alle geadresseerden van de beschikking in redelijkheid konden voorzien dat zij in een civielrechtelijke procedure zouden kunnen worden opgeroepen voor een rechter in de woonplaats van een (of meer) andere geadresseerde(n) van die beschikking. Wat Sasol cs en Total cs daarover naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over de vestigingsplaats van de afnemers, doet niet af aan deze voorzienbaarheid.

4.20 Tot slot kan artikel 6 EEX-Vo niet zodanig worden toegepast dat de verzoeker een vordering tegen meerdere verweerders kan instellen met het enkele doel om een van hen te ontrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft Verg. HvJ EG 27 september 1988, zaak C-189/87 (Kalfelis/Schröder).

4.21 Sasol cs stellen dat de vordering tegen Shell Petroleum, waarvan volgens Sasol cs op voorhand vaststaat dat deze ongegrond is, geen bevoegdheid jegens de andere gedaagden in de hoofdzaak kan vestigen. Nu zij in verband hiermee stellen dat een andere benadering ertoe zou kunnen leiden dat elke rechtspersoon bij een procedure betrokken zou kunnen worden zonder dat daar aanleiding toe is, enkel en alleen om bevoegdheid te creëren, beogen Sasol cs en Total cs hier kennelijk mee te stellen dat CDC in strijd met het onder 4.20 bedoelde uitgangspunt handelt door hen voor deze rechtbank te dagvaarden in de hoofdzaak. Deze stelling faalt, omdat er geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat CDC een vordering tegen Shell Petroleum heeft gefabriceerd, enkel en alleen met de bedoeling Sasol cs en Total cs af te houden van de op grond van artikel 2 EEX-Vo bevoegde Duitse respectievelijk Franse rechters.

4.22 Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering in deze bevoegdheidsincidenten.

in het door Total cs opgeworpen bevoegdheidsincident voorts

4.23 Total cs stellen volledigheidshalve dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft op grond van artikel 5 EEX-Vo. Deze stelling behoeft geen bespreking, omdat niet in geschil is dat deze bepaling geen internationale bevoegdheid schept voor de Nederlandse rechter om van de vorderingen tegen Total cs kennis te nemen.

in de door alle gedaagden in de hoofdzaak opgeworpen op de communautaire verplichting tot loyale samenwerking gebaseerde aanhoudingsincidenten

4.24 Alle gedaagden in de hoofdzaak vragen om aanhouding van de zaak totdat de beschikking onherroepelijk is. Zij baseren deze vordering op de communautaire verplichting tot loyale samenwerking die is neergelegd in het arrest HvJ EG 14 december 2000, zaak C-344/98 (Masterfoods/HB Ice Cream), artikel 16 lid 1 van de Verordening 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van mededelingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag en de Mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties van de EU-lidstaten bij de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag (inmiddels: de artikelen 101 en 102 van de VWEU). Subsidiair baseren gedaagden in de hoofdzaak deze vordering op de eisen van goede procesorde.

4.25 De beschikking is een bindende communautaire rechtshandeling. De nationale rechter mag, wanneer hij zich uitspreekt over overeenkomsten of gedragingen waar de Commissie een beschikking over heeft gegeven, geen beslissing nemen die indruist tegen die beschikking. Ongeldigverklaring van beschikkingen van de Commissie is voorbehouden aan de communautaire rechter.

Het Masterfoods-arrest, artikel 16 lid 1 van de Verordening en de Mededeling van de Commissie strekken ertoe te voorkomen dat een nationale rechter een beslissing neemt die in strijd is met een nog niet onherroepelijke beschikking van de Commissie. De communautaire verplichting tot loyale samenwerking waarop gedaagden zich in de hoofdzaak beroepen brengt dan ook mee dat wanneer de beslechting van het geschil voor de nationale rechter afhangt van de geldigheid van de beschikking van de Commissie, de nationale rechter die wegens twijfel aan genoemde geldigheid overweegt een beslissing te nemen die indruist tegen deze beschikking, zijn beslissing aanhoudt tot een definitieve beslissing van de communautaire rechterlijke instanties op het beroep op nietigverklaring van de beschikking is gegeven, tenzij hij van oordeel is dat het in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is het Hof van Justitie van de EU een prejudiciële vraag over de geldigheid van de beschikking te stellen.

4.26 De rechtbank is met CDC van oordeel dat in deze stand van de procedure - waarin nog niet is geantwoord door gedaagden in de hoofdzaak en de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van de (integrale) inhoud van de beschikking - nog niet de onder 4.25 omschreven twijfel heeft kunnen ontstaan. Er is dan ook (nog) geen sprake van dat de rechtbank overweegt een beslissing te nemen die tegen de beschikking indruist, nog daargelaten dat de hoofdzaak niet in staat van wijzen verkeert. Daarbij komt dat de precieze inhoud van het geschil in de hoofdzaak nog niet geheel duidelijk is, omdat - zoals reeds overwogen - nog niet voor antwoord is geconcludeerd. Gelet op de inhoud van de dagvaarding en de tot nu toe ingenomen standpunten in de incidenten ligt het echter in de redelijke lijn der verwachting dat in de hoofdzaak ook beslissingen zullen moeten worden genomen over geschilpunten en/of juridische vraagstukken die niets van doen hebben met de geldigheid van de beschikking en waar geen gevaar te duchten is voor tegenstrijdigheid met de niet voor alle gedaagden in de hoofdzaak onherroepelijke beschikking. Gedacht kan worden aan de geldigheid van de cessies, het op de vordering uit onrechtmatige daad toepasselijk recht en de inhoud daarvan - waar partijen zich ook in voldoende mate over moeten kunnen uitlaten - en de door CDC gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid. De beslechting van het geschil in de hoofdzaak hangt dus bovendien niet geheel af van de geldigheid van de beschikking. Nu Shell cs geen beroep hebben ingesteld tegen de beschikking, zal onderzoek naar en beoordeling van de voorgaande punten, die losstaan van de geldigheid van de beschikking, en het daarop toepasselijk recht hoe dan ook dienen plaats te vinden.

4.27 Gelet op het voorgaande noopt de communautaire verplichting tot loyale samenwerking thans niet tot aanhouding van de hoofdzaak. De beginselen van goede procesorde, die een aanvulling vormen op het toepasselijke geschreven Nederlandse procesrecht en dus ook naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld, nopen daar evenmin toe. Deze beginselen strekken er ook toe te voorkomen dat procedures onnodig lang voortslepen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen het door het Hof van Justitie van de EG onder meer in het arrest van 20 september 2001 (Courage/Crehan C-453/99) benadrukte beginsel van doeltreffendheid. Met CDC - die stelt vorderingen gecedeerd te hebben gekregen van justitiabelen die rechten aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen - wordt geoordeeld dat deze beginselen op onaanvaardbare wijze worden doorkruist als de enkele omstandigheid dat beroep is ingesteld tegen de beschikking ertoe zou leiden dat pas voor antwoord dient te worden geconcludeerd zodra de beschikking onherroepelijk is geworden. In dit verband is van belang dat - mede gezien de mogelijkheid om van een oordeel van het Gerecht van de EU in beroep te komen bij het Hof van Justitie van de EU - het in de redelijke lijn der verwachting ligt dat het nog een aanzienlijk aantal jaren zal duren voordat de (beslissing van de Europese rechter over de) beschikking onherroepelijk zal zijn geworden, alsmede dat het daarna nogmaals een aanzienlijk aantal jaren zal kunnen duren voordat de beslissing in de onderhavige hoofdzaak onherroepelijk zal zijn. Deze redelijke verwachting raakt het genoemde doeltreffendheidsbeginsel, dat immers inhoudt dat voorkomen moet worden dat het uitoefenen van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk uiterst moeilijk wordt gemaakt. Voorts zou toewijzing van de gevorderde aanhouding CDC in een ongunstiger positie plaatsen dan justitiabelen die hun civielrechtelijke vorderingen gronden op bijvoorbeeld niet onherroepelijke straf- of bestuursrechtelijke beslissingen van nationaalrechtelijke aard.

De procedures waarin laatstgenoemde vorderingen worden behandeld, worden immers niet zonder meer aangehouden op basis van niet-onherroepelijkheid van deze beslissingen, laat staan direct na dagvaarding. Het door de gedaagden in de hoofdzaak aangevoerde belang bij aanhouding in dit stadium van de procedure - dat er kort gezegd op neer komt dat van hen niet kan worden gevergd een (kostbaar) debat te voeren, terwijl de beschikking mogelijk zal worden vernietigd of de aard en omvang van het kartel mogelijk zal worden bijgesteld - weegt thans niet op tegen de zojuist beschreven doorkruising van genoemde beginselen. Daarbij weegt mee dat, zoals eerder is overwogen, twijfel aan de geldigheid van de beschikking nog niet heeft kunnen ontstaan.

4.28 Het voorgaande neemt niet weg dat aanhouding van de behandeling en/of de beslissing in de hoofdzaak op grond van de communautaire verplichting tot loyale samenwerking of een goede procesorde in een later stadium van de behandeling wel aan de orde kan zijn.

4.29 Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering in de aanhoudingsincidenten.

in de door Shell cs en Esso cs op grond van artikel 28 EEX-Vo opgeworpen aanhoudingsincidenten voorts

4.30 Shell cs en Esso cs vorderen dat de zaak op de voet van artikel 28 lid 1 EEX-Vo wordt aangehouden in verband met de Engelse zaken.

4.31 Artikel 28 EEX-Vo geeft geen grondslag voor aanhouding in verband met de tweede, op 30 september 2011 - en dus na het uitbrengen van de dagvaarding in de hoofdzaak - aangebrachte zaak. Dit geldt ook als, zoals Shell cs en Esso stellen, deze zaak is gevoegd met de eerder aangebrachte Engelse zaak (die verder zal worden aangeduid als: de Engelse zaak).

4.32 Niet in geschil is dat de hoofdzaak en de Engelse zaak samenhangen als bedoeld in artikel 28 EEX-Vo, dat een discretionaire bevoegdheid geeft om de uitspraak aan te houden, teneinde onverenigbare beslissingen in samenhangende zaken te voorkomen. Deze bevoegdheid wordt mede geacht de bevoegdheid te omvatten om de behandeling van de zaak te schorsen, zoals Shell cs en Esso vorderen.

4.33 Of de uitspraak in de hoofdzaak mogelijk onverenigbaar zou kunnen zijn met die in de Engelse zaak, is in dit vroege stadium van de behandeling van beide zaken, waarin nog geen inhoudelijk verweer is gevoerd, onduidelijk. Reeds hierom wordt geen aanleiding gezien om gebruik te maken van de in artikel 28 EEX-Vo neergelegde bevoegdheid. Wat Shell cs en Esso verder hebben gesteld, bijvoorbeeld over de grote financiële belangen die voor hen met deze zaken gemoeid zijn, leidt niet tot een ander oordeel.

4.34 Ook hier geldt dat het voorgaande niet wegneemt dat aanhouding van de behandeling en/of de beslissing in de hoofdzaak op grond van artikel 28 EEX-Vo in een later stadium van de behandeling in de hoofdzaak aan de orde kan zijn.

4.35 Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering in deze aanhoudingsincidenten.

in het door Esso cs opgeworpen exhibitieincident

4.36 Esso stelt dat zij recht en belang heeft op/bij kennisname van de in haar vordering genoemde bescheiden, die een antwoord zouden kunnen geven op i) de vraag of CDC een vorderingsrecht heeft in de hoofdzaak en zo ja, wat het bereik daarvan is, ii) de vraag of de mogelijkheid van schade aannemelijk is, iii) de vraag op welke wijze die schade, als zij aannemelijk is, berekend zou moeten/kunnen worden, iv) de vraag of aan de overige vereisten van - internationale equivalenten - van artikel 6:162 BW is voldaan en v) de vraag of en zo ja, op welke wijze deze schade (ook) aan Esso kan worden toegerekend, waarbij hoofdelijke aansprakelijkheid (voor Esso) niet (op voorhand) een gegeven is.

4.37 Over de in de vordering onder 2 genoemde inkoopgegevens bestaat geen geschil meer, gezien de door CDC tijdens het pleidooi geuite bereidheid om deze bescheiden in afschrift aan Esso te verstrekken.

4.38 Voor de beoordeling van het geschil over de rest van de vordering geldt als uitgangspunt dat artikel 843a Rv ziet op een bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Deze exhibitieplicht dient ertoe om bepaalde bewijsstukken in de procedure als bewijsmiddel ter beschikking te doen komen. In Nederland bestaat géén algemene exhibitieplicht voor procespartijen in die zin dat zij als hoofdregel verplicht kunnen worden tot het elkaar verschaffen van alle denkbare informatie en documenten. Met het oog daarop en ter voorkoming van zogenaamde “fishing expeditions” is de toewijsbaarheid van een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering in dat wetsartikel aan meerdere beperkende voorwaarden gebonden. Ten eerste dient de eiser tot exhibitie een rechtmatig belang te stellen en te hebben, waarbij rechtmatig belang moet worden uitgelegd als bewijsbelang. Bewijsbelang bestaat indien een bewijsstuk kan bijdragen aan het onderbouwen en/of aantonen van een voor de te beoordelen vorderingen relevante, mogelijk doorslaggevende stelling, die voldoende concreet is onderbouwd en voldoende concreet is betwist. Ten tweede moeten de vorderingen “bepaalde bescheiden” betreffen waarover ten derde de gedaagde daadwerkelijk de beschikking heeft of kan krijgen. Ten vierde dient de eiser tot exhibitie partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde specifieke bescheiden zien. Hieronder valt ook de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad ontstaan. Indien aan al deze voorwaarden is voldaan, bestaat desondanks géén gehoudenheid tot overlegging indien ten vijfde daarvoor gewichtige redenen zijn of indien ten zesde redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd.

4.39 Artikel 843a Rv geeft een grondslag voor het opleggen van een verplichting tot het verschaffen van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden, niet tot het (laten) opstellen daarvan. Dit staat reeds in de weg aan toewijzing van de vordering ten aanzien van de daarin onder 1b en 1d bedoelde bescheiden.

4.40 Ten aanzien van de in de vordering onder 1a bedoelde bescheiden is niet in geschil dat Esso rechtmatig belang heeft bij kennisname van de cessieovereenkomsten teneinde de geldigheid van de cessies op grond van het daarop toepasselijke recht te beoordelen. CDC stelt dat dit aan de hand van de door haar verstrekte delen kan worden beoordeeld en betwist dat Esso rechtmatig belang heeft bij kennisname van de niet verstrekte delen van deze overeenkomsten, bijvoorbeeld de prijs waartegen de cessie heeft plaatsgehad.

4.41 Met CDC wordt geoordeeld dat Esso geen rechtmatig belang heeft bij onbeperkte kennisname van de cessieovereenkomsten. Van Esso kan worden gevergd dat zij mede op grond van de stellingen in de dagvaarding en de door CDC verstrekte delen van de cessieovereenkomsten nagaat welke gegevens ontbreken om de geldigheid van de cessies te kunnen beoordelen en een meer concrete vordering indient. Dat betekent dat Esso nu onvoldoende heeft gesteld dat rechtmatig belang bestaat bij de door haar gevorderde kennisname van de gehele cessieovereenkomsten. Het voorgaande geldt ook voor de in de vordering onder 1c genoemde bescheiden.

4.42 De overige in de vordering genoemde bescheiden waar het geschil in dit incident op ziet hebben betrekking op de door CDC gestelde schade als gevolg van het in de beschikking omschreven kartel. Daar in de hoofdzaak schadevergoeding op te maken bij staat wordt gevorderd, behoeft de schade in deze zaak (nog) niet te worden begroot. Dat betekent dat Esso (nog) geen rechtmatig belang heeft bij kennisname van bescheiden met het oog op beantwoording van de onder 4.36 onder iii) bedoelde vraag op welke wijze de schade als zij aannemelijk is, bewezen zou kunnen worden.

4.43 De in de vordering onder 3 tot en met 6 genoemde bescheiden zijn ontleend aan het door Esso in het geding gebracht rapport van Compass Lexecon, “Estimation of damages: methodology and data” van 25 mei 2012 (hierna: het rapport). Esso stelt onder verwijzing naar het rapport dat om te kunnen beoordelen of schade is geleden, informatie over de price overcharge, het pass-on effect en het output effect onontbeerlijk is en dat de in de vordering genoemde bescheiden nodig zijn voor bepaling/benadering van deze effecten.

4.44 In het rapport wordt beschreven wat de meest adequate benadering is bij de vaststelling van schade als gevolg van het in de beschikking omschreven kartel, welke vragen daartoe moeten worden beantwoord en welke gegevens daarvoor nodig zijn. Daarmee ziet het rapport op de onder 4.36 onder iii) bedoelde vraag. Dat betekent dat Esso (nog) geen rechtmatig belang heeft bij kennisname van de in de vordering onder 3 tot en met 6 bedoelde bescheiden. Aan de hand van de in de vordering onder 2 bedoelde inkoopgegevens - die CDC zal verstrekken aan Esso - kan Esso, met het oog op beoordeling van de vraag of aannemelijk is dat de afnemers schade hebben geleden als gevolg van handelen of nalaten van Esso, zien of de afnemers ook paraffinewas van haar hebben betrokken en in welke hoeveelheid.

4.45 Nu CDC reeds te kennen heeft gegeven de in de vordering onder 2 bedoelde inkoopgegevens te zullen verstrekken, wordt het ervoor gehouden dat partijen zelf afspraken maken over de wijze waarop dat gebeurt en binnen welke termijn en dat die afspraken niet leiden tot vertraging van de voortgang van de behandeling van deze zaak.

4.46 Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering in het exhibitie-incident.

in het door Total cs opgeworpen vrijwaringsincident

4.47 Total cs hebben voldoende gesteld dat met de door hen genoemde rechtspersonen een rechtsverhouding bestaat die voor deze rechtspersonen een verplichting meebrengt om de eventuele ongunstige gevolgen van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op hen te verhalen. De vordering tot oproeping in vrijwaring van deze rechtspersonen wordt dan ook toegewezen.

in de door Shell cs, Esso en Sasol cs opgeworpen voegingsincidenten

4.48 De zaken waar voeging mee wordt gevorderd gaan alle over de vraag of, en in hoeverre, een eventuele veroordeling in de hoofdzaak kan worden afgewenteld op andere geadresseerden van de beschikking en zijn dus verknocht met de hoofdzaak. De vorderingen tot voeging op de voet van artikel 222 Rv kunnen dan ook worden toegewezen.

in de door Shell cs opgeworpen incidenten voorts

4.49 Voeging van zaken laat onverlet dat de gevoegde zaken op zichzelf staande zaken zijn. Dat betekent dat de vorderingen van Shell cs tot aanhouding van de zaak die met de hoofdzaak zal worden gevoegd niet in deze zaak kan worden beoordeeld en beslist.

in alle incidenten voorts

4.50 De beslissing over de proceskosten in de incidenten wordt aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

het door Sasol cs gedane verzoek om verlof voor tussentijds hoger beroep

4.51 Het door Sasol cs gevraagde verlof om tussentijds hoger beroep toe te staan strekt ertoe een uitzondering te maken op de in artikel 337 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk kan worden ingesteld met dat van het eindvonnis. De rechtbank ziet in het door Sasol cs ter zake gestelde onvoldoende aanleiding om van haar discretionaire bevoegdheid tot afwijking van genoemde hoofdregel gebruik te maken. Het gevraagde verlof zal dan ook niet worden verleend.

5. De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

in de door Total cs en Sasol cs opgeworpen bevoegdheidsincidenten

5.1 wijst de vorderingen af;

in de door alle gedaagden in de hoofdzaak opgeworpen aanhoudingsincidenten

5.2 wijst de vorderingen af;

in het door Esso opgeworpen exhibitieincident

5.3 wijst de vordering af;

in het door Total cs opgeworpen vrijwaringsincident

5.4 staat Total cs toe om

- Shell Petroleum,

- Shell Oil,

- Shell Deutschland,

- Sasol Wax,

- Sasol International,

- Esso,

- ENI,

- Esso Deutschland,

- EMPC,

- ExxonMobil,

- H&R ChemPharm,

- H&R Wax Company,

- Hansen & Rosenthal,

- Tudapetrol,

- MOL,

- Rylesa,

- Repsol Petroleo,

- Repsol YPF,

- Sasol Holding,

- Sasol Limited,

- Deutsche Shell,

- SIPC,

- SPCO,

- STTC,

- RWE-Dea

en RWE,

in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de rolzitting van de rechtbank van woensdag 11 september 2013;

in de door Shell cs, Esso en Sasol cs opgeworpen voegingsincidenten

5.5 voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaken met zaak-/rolnummers C/09/416545 / HA ZA 12-461, C/09/414619 / HA ZA 12-313 en C/09/414501 / HA ZA 12-294;

op het door Sasol cs gedane verzoek om verlof voor tussentijds appel

5.6 wijst het verzoek af;

in alle incidenten

5.7 houdt de beslissing over de proceskosten in de incidenten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

5.8 wijst af het meer of andere gevorderde in de incidenten;

in de hoofdzaak

5.9. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 23 oktober 2013 voor het nemen van conclusie van antwoord aan de zijde van alle gedaagden in de hoofdzaak.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, D.R. Glass en M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013.?