Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1695

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
AWB 13/9438
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderbreking vreemdelingrechtelijke bevoegdheden:

Aan de vreemdeling kan worden toegegeven dat uit het geverbaliseerde relaas onvoldoende duidelijk blijkt wat de aanleiding is geweest voor de staandehouding, zodat het er voor moet worden gehouden dat hij vreemdelingrechtelijk (op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000) is staande gehouden. Echter, na de staandehouding is eiser niet direct in vreemdelingenbewaring genomen maar aangehouden en in verzekering gesteld in verband met een verdenking van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Op 5 april 2013 is de vreemdeling uit strafrechtelijke detentie overgedragen aan de vreemdelingenpolitie en aansluitend in vreemdelingenbewaring gesteld. Gelet op het voorgaande is er sprake geweest van een onderbreking van de vreemdelingrechtelijke bevoegdheden zodat de rechtmatigheid van de staandehouding niet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel kan worden betrokken. Ingevolge vaste jurisprudentie is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/9438

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2013, beroep vrijheidsontnemende maatregel in de zaak tussen

[vreemdeling], V-nummer [nummer],

(gemachtigde: mr. K.J. Kerdel),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Op 8 april 2013 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 april 2013. De vreemdeling is niet ter zitting verschenen. Zijn gemachtigde was wel ter zitting aanwezig alsmede [A]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. C.J. Tromp.

De rechtbank heeft de procedure aangehouden om zodoende de vreemdeling ter zitting te kunnen horen.

Vervolgens heeft de openbare behandeling plaatsgevonden op 22 april 2013. De vreemdeling en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ten behoeve van de vreemdeling aanwezig [A].

Overwegingen

1 De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1969 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 5 april 2013 waarbij de vreemdeling de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

2 Verweerder heeft de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en

onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in het belang van de openbare orde in bewaring gesteld, omdat het risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft zich daartoe gebaseerd op de gronden, dat:

- de vreemdeling zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 heeft gehouden;

- hij eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

- hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt; en

- hij ongewenst vreemdeling is, als bedoeld in artikel 67 van de Vw 2000 of tegen hem met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 een inreisverbod is uitgevaardigd.

3 De vreemdeling stelt zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is. De vreemdeling heeft betoogd dat uit het proces-verbaal van aanhouding niet valt op te maken op grond van welke bevoegdheid de verbalisant de vreemdeling heeft aangesproken en naar een identiteitsbewijs heeft gevraagd. In voornoemd proces-verbaal worden geen feiten en omstandigheden vermeld waaruit zou kunnen voortvloeien dat de verbalisant de vreemdeling heeft aangesproken wegens een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Pas nadat de vreemdeling zijn naam had opgegeven, is de verbalisant door navraag in de politiesystemen, gebleken dat de vreemdeling ongewenst is verklaard. Daarop heeft de verbalisant de vreemdeling aangehouden op grond van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Dit is echter niet een betrapping op heterdaad maar een verdenking ontstaan na staandehouding. De vreemdeling is van mening dat nu de staandehouding niet op grond van de algemene politie taken is geschied, het er voor moet worden gehouden dat de staandehouding vreemdelingrechtelijk van aard is. Omdat niet blijkt van feiten en omstandigheden op grond waarvan de verbalisant een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kon hebben, is de aanhouding onrechtmatig geschied.

Voorts bestrijdt de vreemdeling de gronden van de bewaring en voert daartoe aan dat hij weliswaar niet over documenten beschikt en zich niet aan de vertrekplicht heeft gehouden, maar dat hieruit niet kan worden geconcludeerd dat hij zich aan het toezicht onttrekt. De vreemdeling staat niet ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens maar dit is voor hem niet mogelijk omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Voorts kan hij onderdak krijgen bij een kennis, [A], die hem ook onderhoud omdat hij karweitjes voor de tennisvereniging verricht. Gelet op dit alles is de vreemdeling van mening dat verweerder hem een lichter middel had dienen op te leggen. De vreemdeling voert verder aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat, nu hij lange tijd in Nederland verblijft, niet over documenten beschikt, eerdere vreemdelingenbewaring niet heeft geleid tot uitzetting en hij wel Nederland wil verlaten maar dit niet kan.

4 Verweerder heeft hetgeen is aangevoerd gemotiveerd weersproken.

5 Er is geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met de Vw 2000, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Het betoog van de vreemdeling dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is omdat de staandehouding onrechtmatig is geschied, faalt. Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van 4 april 2013 ([nummer]) blijkt het volgende. Op donderdag 4 april 2013 om 10.50 uur reed verbalisant in uniform gekleed en met opvallende fiets surveillance belast op het [adres]. Ter hoogte van het braakliggende terrein ter hoogte van [adres] zag verbalisant twee mannen staan die met een hek bezig waren dat daar om het braakliggende terrein stond. Verbalisant heeft hierop de beide mannen aangesproken en gevraagd om een geldig identiteitsbewijs. Een van de mannen kon hem geen identiteitsbewijs overhandigen en vertelde hem dat hij geen identiteitsbewijs heeft. Nadat de verbalisant navraag heeft gedaan in de basis processensystemen bleek dat de man ongewenst vreemdeling is. Hierop is de vreemdeling door verbalisant op heterdaad als verdachte van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden, ter zake waarvan de vreemdeling een dagvaarding is uitgereikt. Na inverzekeringstelling is eiser heengezonden en aansluitend op grond van artikel 50, tweede en derde lid, van de Vw 2000 opgehouden.

Aan de vreemdeling kan worden toegegeven dat uit het geverbaliseerde relaas onvoldoende duidelijk blijkt wat de aanleiding is geweest voor de staandehouding, zodat het er voor moet worden gehouden dat hij vreemdelingrechtelijk (op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000) is staande gehouden. Echter, na de staandehouding is eiser niet direct in vreemdelingenbewaring genomen maar aangehouden en in verzekering gesteld in verband met een verdenking van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Op

5 april 2013 is de vreemdeling uit strafrechtelijke detentie overgedragen aan de vreemdelingenpolitie en aansluitend in vreemdelingenbewaring gesteld. Gelet op het voorgaande is er sprake geweest van een onderbreking van de vreemdelingrechtelijke bevoegdheden zodat de rechtmatigheid van de staandehouding niet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel kan worden betrokken. Ingevolge vaste jurisprudentie is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden.

Ten aanzien van de gronden waarop de maatregel is gebaseerd overweegt de rechtbank dat verweerder terecht de grond dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan een of meer verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit. Immers, de vreemdeling beschikt niet over identiteitsdocumenten, hetgeen ook niet door de vreemdeling is betwist. Voorts heeft de vreemdeling niet betwist dat hem meerdere malen is aangezegd Nederland te verlaten en hij hieraan geen gevolg heeft gegeven. Gelet hierop heeft verweerder deze gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag mogen leggen. Dat de vreemdeling door gebrek aan documenten Nederland niet kan verlaten, doet aan het vorenstaande niet af dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij al het mogelijke doet om aan documenten te geraken bijvoorbeeld via zijn familieleden die in het land van herkomst verblijven. Dat de vreemdeling geen contact heeft met zijn familie maakt dit niet anders.

Bovenstaande gronden zijn reeds voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden behoeven derhalve geen bespreking.

Nu de gronden de maatregel kunnen dragen, is de rechtbank voorts van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met een lichter middel dan bewaring niet kon worden volstaan. Bij de afweging of met een lichter middel kon worden volstaan, heeft verweerder in het nadeel van de vreemdeling mogen meewegen dat de vreemdeling ongewenst is verklaard. Dat de vreemdeling onderdak zou kunnen krijgen bij een met name genoemde kennis, maakt dat niet anders.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het redelijk vooruitzicht op verwijdering dat het feit dat het eerder niet is gelukt de vreemdeling te verwijderen naar zijn land van herkomst niet maakt dat vooruitzicht op verwijdering ontbreekt. Immers, verweerder heeft op 16 april 2013 een aanvraag om afgifte van een laissez-passer aan de Algerijnse autoriteiten gezonden. Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder vooralsnog de gelegenheid hebben om de resultaten van dit onderzoek af te mogen wachten.

6 Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van J.J. Kip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)