Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1628

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/29281 & 12/29284
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Turkse zelfstandige, geen advies EL&I, standstillbepaling

De rechtbank stelt vast dat ter onderbouwing van de aanvraag van eiser een onderbouwde markt- en concurrentieanalyse ontbreekt, geen stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van het financieringsplan en evenmin de door verweerder verzochte belastingaangiften zijn overgelegd. Mede in aanmerking genomen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet en hij ter beoordeling daarvan gegevens en bescheiden dient over te leggen, heeft verweerder in redelijkheid van eiser kunnen verlangen dat hij deze stukken overlegt. Eiser heeft niet gesteld noch is gebleken dat hij daarover redelijkerwijs niet de beschikking kon krijgen. De opmerking van de gemachtigde van eiser ter zitting dat het tegenstrijdig zou zijn om te verlangen financiële stukken aan te leveren terwijl eiser een verblijfssticker heeft waarop staat vermeld dat hij niet mag werken, doet hieraan niet af. Eiser is immers sinds 12 juli 2011 al werkzaam in zijn bedrijf, beschikt over een boekhouder en de gegevens zouden voorhanden zijn. Dat eiser inmiddels geen contact meer zou hebben met de boekhouder komt voor zijn rekening en risico. Nu eiser de genoemde stukken ook na het bieden van een hersteltermijn bij brief van 27 januari 2012 niet heeft overgelegd, heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser gelet op paragrafen B5/7.3.3 en B5/7.3.4 Vc terecht niet voor advies aan de minister van EL&I is voorgelegd.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het criterium wezenlijk Nederlands economisch belang thans restrictiever wordt toegepast dan in 1973, hetgeen in strijd is met de standstillbepaling, nog verwezen naar twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). De rechtbank overweegt dat deze arresten geen vergelijkbare zaken zijn en verwijst voor het overige naar de recente jurisprudentie van de Afdeling, opgenomen in rechtsoverweging 2.2. waaruit volgt dat het door verweerder toegepaste criterium Nederlands belang niet in strijd is met de standstillbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/29281 (beroep)

AWB 12/29284 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 25 april 2013 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 2 augustus 2011 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “arbeid als zelfstandige voor restaurant [naam]” afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist. Dit verzoek is bij uitspraak van deze rechtbank van 30 mei 2012 (AWB 12/6996) toegewezen.

Bij besluit van 11 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 21 maart 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat zijn bedrijf geen wezenlijk Nederlands belang dient. In het primaire besluit, dat is ingelast in het bestreden besluit, heeft verweerder - samengevat - overwogen dat eiser in zijn ondernemingsplan passages heeft opgenomen die gelden voor de gehele horecasector waardoor het ondernemingsplan weinig is toegespitst op de onderneming van eiser, zodat concrete plannen onvoldoende inzichtelijk zijn. Voorts is het ondernemingsplan onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens. Zo ontbreekt een onderbouwde markt- en concurrentieanalyse. Eiser noemt slechts twee concurrenten, terwijl er in zijn regio vele restaurants zijn, en evenmin beschrijft eiser hoe hij zich onderscheidt van zijn concurrenten. Door het ontbreken van een marktanalyse is niet inzichtelijk of er behoefte bestaat aan de diensten van het bedrijf van eiser. In het ondernemingsplan zijn weliswaar een investeringsbegroting, een financieringsbegroting en een exploitatiebegroting opgenomen, maar stukken ter onderbouwing daarvan zijn niet overgelegd, zoals bijvoorbeeld stukken waaruit het vermelde spaargeld van eiser van

€ 15.910 blijkt. In de financiële paragraaf ontbreekt voorts een onderbouwing van de liquiditeitsprognose en de financiering. Verder heeft eiser nagelaten om de gevraagde financiële stukken, waaronder de aangifte inkomstenbelasting 2011, aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal 2011 en een jaarrekening 2011 over te leggen. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat het onduidelijk is welke stukken hij dient te overleggen, verwijst verweerder naar paragraaf B5/7.3.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) alsmede naar het aanvraagformulier en de herstel- verzuimbrief van 27 januari 2012, waarin eiser in de gelegenheid is gesteld het ondernemingsplan binnen twee weken aan te vullen en waarin staat aangegeven welke stukken nog worden verlangd. Op grond van het voorgaande heeft eiser niet aangetoond te voldoen aan de voorwaarden voor een vergunning tot verblijf als zelfstandig ondernemer en is de aanvraag niet voorgelegd ter advisering aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I).

2. Voor zover eiser zijn beroepsgronden ter zitting heeft gehandhaafd, komen deze – samengevat – neer op het volgende. Allereerst voert eiser aan dat het niet aan verweerder is om te beoordelen of een ondernemingsplan al dan niet voldoende is onderbouwd, maar aan de minister van EL&I. Ten tijde van het voorheen geldende puntenstelsel werden alle aanvragen van Turkse zelfstandigen voorgelegd aan de minister van EL&I. Nu het puntenstelsel is afgeschaft, maakt verweerder een voorselectie. Het niet voorleggen van het ondernemingsplan aan voornoemde minister leidt echter altijd tot afwijzing van een aanvraag hetgeen dient te worden aangemerkt als een verscherping van het beleid van verweerder inzake de Turkse zelfstandigen. Dit is in strijd met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en Turkije, welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 1 januari 1973 en waarin is bepaald dat partijen onderling geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (de standstillbepaling). Naar de mening van eiser voldoet hij aan de voorwaarden van paragraaf B5/7 Vc, en met name aan het criterium dat hij een wezenlijk Nederlands economisch belang dient met zijn bedrijfsactiviteiten.

2.1 Op grond van artikel 3.30 Vreemdelingenbesluit (Vb) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten waarmee naar het oordeel van de minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend. In paragraaf B5/7/3 is opgenomen dat in de regel advies moet worden gevraagd aan de minister van EL&I. Ten behoeve van deze advisering is door de minister van EL&I een puntensysteem ontwikkeld. In paragraaf B5/7.3.2 Vc is echter onder het kopje ‘Toetsing wezenlijk belang Turkse zelfstandigen’ bepaald dat het puntensysteem in verband met de standstillbepaling niet kan worden toegepast op aanvragen om verblijf van Turkse vreemdelingen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. De minister van EL&I baseert zijn adviezen daarom op de feitelijke situatie: de op het moment van de aanvraag bestaande (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt en de werkgelegenheidseffecten (Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, Stcrt. 2010, nr. 16617).

Op grond van paragraaf B5/7.3.3 Vc dient een vreemdeling, voor een door de minister van EL&I uit te brengen advies, ter beoordeling van zijn aanvraag ten minste een volledig ondernemingsplan over te leggen dat dient te zijn onderbouwd met de in die paragraaf vermelde stukken. Indien geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan wordt overgelegd, biedt de staatssecretaris een termijn van twee weken om dit verzuim te herstellen. Indien een vreemdeling, ook na deze termijn, geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan heeft overgelegd wijst de staatssecretaris de aanvraag, zonder voorlegging aan de minister van EL&I voor advies, af omdat niet wordt aangetoond dat met de te verrichten arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend. Als stukken ter onderbouwing van het ondernemingsplan worden onder andere jaarrekeningen en belastingaangiften genoemd. Verder is in paragraaf B5/7.3.4 Vc opgenomen dat uit het ondernemingsplan in ieder geval - voor zover hier van belang - een commercieel plan dient te blijken waarin aandacht moet worden besteed aan – kort gezegd – de markt- en concurrentiepositie van de onderneming en een financieel plan.

2.2. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna Afdeling) heeft in een uitspraak van 29 september 2010 (LJN BN9181) overwogen dat hantering van het zogeheten puntensysteem ten aanzien van Turkse zelfstandigen weliswaar in strijd is met de standstill-bepaling, maar dit laat onverlet dat het opgenomen vereiste van een wezenlijk Nederlands belang niet is gewijzigd. Ook op 1 januari 1973 moest reeds sprake zijn van een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie door middel van een bedrijfsactiviteit die in een behoefte voorzag en geen negatieve invloed had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2012 (LJN BY3376) dat de documentatievereisten vermeld in de paragrafen B5/7.3.3 en B5/7.3.4 Vc, in aanmerking genomen dat zij betrekking hebben op informatie die thans in het licht van de sinds 1 januari 1973 gewijzigde economische omstandigheden nodig is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een onderneming, niet in strijd zijn met de standstillbepaling.

2.3 De rechtbank stelt vast dat ter onderbouwing van de aanvraag van eiser een onderbouwde markt- en concurrentieanalyse ontbreekt, geen stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van het financieringsplan en evenmin de door verweerder verzochte belastingaangiften zijn overgelegd. Mede in aanmerking genomen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet en hij ter beoordeling daarvan gegevens en bescheiden dient over te leggen, heeft verweerder in redelijkheid van eiser kunnen verlangen dat hij deze stukken overlegt. Eiser heeft niet gesteld noch is gebleken dat hij daarover redelijkerwijs niet de beschikking kon krijgen. De opmerking van de gemachtigde van eiser ter zitting dat het tegenstrijdig zou zijn om te verlangen financiële stukken aan te leveren terwijl eiser een verblijfssticker heeft waarop staat vermeld dat hij niet mag werken, doet hieraan niet af. Eiser is immers sinds 12 juli 2011 al werkzaam in zijn bedrijf, beschikt over een boekhouder en de gegevens zouden voorhanden zijn. Dat eiser inmiddels geen contact meer zou hebben met de boekhouder komt voor zijn rekening en risico. Nu eiser de genoemde stukken ook na het bieden van een hersteltermijn bij brief van 27 januari 2012 niet heeft overgelegd, heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser gelet op paragrafen B5/7.3.3 en B5/7.3.4 Vc terecht niet voor advies aan de minister van EL&I is voorgelegd.

3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het criterium wezenlijk Nederlands economisch belang thans restrictiever wordt toegepast dan in 1973, hetgeen in strijd is met de standstillbepaling, nog verwezen naar twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ). Het betreft het arrest Soysal (C-228/06) van 19 februari 2009, waarin is overwogen dat iedere beperking die tot gevolg heeft dat een Turkse ondernemer in de uitoefening van zijn economische vrijheid wordt beknot ongeoorloofd is en in strijd is met de standstillbepaling. Voorts verwijst eiser naar het arrest Toprak en Oguz (C-300/09 en C301/09) van 9 december 2010, waarin is overwogen dat een aanscherping van het beleid na een eerdere versoepeling, een nieuwe beperking is in de zin van artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (Besluit 1/80) en dus in strijd met de standstillbepaling.

3.1 De rechtbank overweegt dat de genoemde arresten van het HvJ - zoals ter zitting reeds besproken - geen vergelijkbare zaken, dat wil zeggen aanvragen met het verblijfsdoel “arbeid als zelfstandige” betroffen. Zo ziet het arrest Soysal op een aanvraag voor een visum kort verblijf en het arrest Toprak en Oguz op Turkse werknemers. Ook Besluit 1/80 ziet op werknemers en niet op “arbeid als zelfstandige”. Het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat uit deze arresten als rode draad voortvloeit dat de algemene economische vrijheden van Turkse zelfstandigen niet beknot mogen worden, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank verwijst voor het overige naar de recente jurisprudentie van de Afdeling, opgenomen in rechtsoverweging 2.2. waaruit volgt dat het door verweerder toegepaste criterium Nederlands belang niet in strijd is met de standstillbepaling.

4. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de door hem beoogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang dient en daarom de aanvraag heeft afgewezen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

6. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Sassenburg, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

25 april 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.