Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA0223

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
C-09-436545 - HA RK 13-66
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Deelgeschilprocedure. Verkeersongeval. Geen sprake van eigen schuld van verzoekster aan het ontstaan van het ongeval.

Wetsverwijzingen
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 19
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/51
JA 2013/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/436545 / HA RK 13-66

Beschikking (bij vervroeging) van 7 mei 2013

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. O.H.A. Mo-Ajok te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

verweerster,

advocaat mr. S. Odijk te Utrecht.

Partijen zullen hierna “[verzoekster]” en “Reaal” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 8 februari 2013, met producties;

- de akte houdende vermeerdering van eis;

- de akte houdende aanvullende producties, met producties;

- de brief van 11 april 2013 en het faxbericht van 17 april 2013 van de zijde van [verzoekster];

- de faxberichten van 11 en 17 april 2013 van de zijde van Reaal;

- het verweerschrift, met productie;

- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 april 2013.

1.2. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 11 augustus 2011 is [verzoekster] op de Rijksweg A4 ter hoogte van Rijswijk als bestuurder van een auto betrokken geraakt bij een verkeersongeval (hierna: het ongeval), waarbij ook de heer [A] (hierna: [A]), de heer [B] (hierna: [B]) en mevrouw [C] (hierna: [C]) betrokken waren. [verzoekster] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen.

2.2. [verzoekster] reed ten tijde van het ongeval in een Volkswagen Polo, voor haar reed [B] in een Opel Combo (een kleine bestelbus), daarvoor [A] in een Opel Vivaro (een grote bestelbus), en [C] reed in een Peugeot Partner achter [verzoekster].

2.3. [verzoekster] reed op de A4 vanuit Voorburg in de richting Wateringen. De A4 bestond op dat moment uit drie rijbanen. [verzoekster] reed op de meest linker rijbaan. Deze rijbaan gaat op enig moment over in een éénbaans invoegstrook naar de A4 richting Wateringen, terwijl de twee meest rechter rijstroken overgaan in de afslag richting Plasbroekpolder en Rijswijk. Terwijl [verzoekster] op de meest linker rijbaan reed zag zij plotseling een glinsterend object – naar later bleek een ladder die van het dak van de Opel Vivaro was gevallen – voor zich op de rijbaan liggen. [verzoekster] heeft haar snelheid verminderd en de ladder aan de rechterkant ontweken door een deel van de middelste rijbaan te gebruiken en vervolgens direct weer terug te gaan naar de meest linker rijbaan.

2.4. Op het moment dat [verzoekster] weer op de meest linker rijbaan reed zag zij dat de voor haar rijdende Opel Combo plotseling remde. De afstand tussen [verzoekster] en de Opel Combo bedroeg op dat moment circa 12 meter. [verzoekster] heeft geremd en – getuige haar tegenover de politie afgelegde verklaring – gezien dat zij niet kon uitwijken naar rechts, omdat daar een auto reed. [verzoekster] heeft vervolgens de Opel Combo van achteren aangereden. Ter hoogte van de aanrijding was de meest linker rijstrook reeds overgegaan in de invoegstrook voor de A4 en van de middelste rijbaan gescheiden door blokmarkering.

2.5. Uit de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [B] en [A]

blijkt dat [A], nadat hij vanuit zijn linker buitenspiegel had gezien dat de ladder van het dak van de Opel Vivaro was gevallen, zijn voertuig tot stilstand heeft gebracht op de invoegstrook. [B] heeft naar aanleiding hiervan eveneens afgeremd en is tot stilstand gekomen achter de Opel Vivaro. Nadat [verzoekster] tegen de Opel Combo was gereden is [verzoekster] vervolgens aangereden door de achter haar rijdende Peugeot Partner van [C].

2.6. De door [A] bestuurde Opel Vivaro was op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: “WAM”) verzekerd bij Reaal. Bij brief van 26 augustus 2011 is Reaal namens [verzoekster] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Reaal heeft voor 75% aansprakelijkheid erkend voor de schade die [verzoekster] ten gevolge van het ongeval heeft geleden.

3. Het geschil

3.1. [verzoekster] verzoekt – na vermeerdering van eis en zakelijk weergegeven – bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv):

1. een verklaring voor recht dat er aan de zijde van [verzoekster] geen sprake is van rechtens relevante eigen schuld aan het ongeval, zodat Reaal aan [verzoekster] 100% van de door het ongeval veroorzaakte schade dient te vergoeden, althans een verklaring voor recht dat [verzoekster] op grond van de billijkheidscorrectie aan [verzoekster] 100% van die schade dient te vergoeden;

2. Reaal te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 9.434,19 ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na datum beschikking;

3. de kosten van deze procedure te begroten op een bedrag van € 9.619,50 (inclusief kantoorkosten en BTW), vermeerderd met het door [verzoekster] betaalde griffierecht, en Reaal te veroordelen tot betaling van deze kosten binnen veertien dagen na datum beschikking.

3.2. [verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat haar geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van het ongeval. De door haar geleden en nog te lijden schade is het gevolg van het onrechtmatig handelen van de bestuurder van de Opel Vivaro, [A], en dient derhalve volledig voor rekening van zijn WAM-verzekeraar Reaal te komen, aldus [verzoekster].

3.3. Reaal verzoekt – zakelijk weergegeven – bij wijze van tegenverzoek:

1. de mate van eigen schuld van [verzoekster] aan het ontstaan van het ongeval op 25% vast te stellen;

2. de door Reaal verschuldigde vergoeding ter zake buitengerechtelijke kosten vast te stellen op maximaal € 2.308,68;

3. de kosten van deze procedure vast te stellen op maximaal € 2.308,68;

4. voor het overige de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen.

3.4. Reaal legt aan haar verzoek ten grondslag dat (ook) [verzoekster] een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van het ongeval. Zij heeft in strijd gehandeld met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). [verzoekster] is immers niet in staat gebleken haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. De Opel Combo die voor haar reed was daarentegen wel in staat om tijdig te stoppen voor de Opel Vivaro waar hij direct achter reed, aldus Reaal.

3.5. Reaal en [verzoekster] voeren beiden verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Eigen schuld

4.1. De vraag die voorligt is of er aanleiding is de schade ten gevolge van het ongeval op grond van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gedeeltelijk (25%) voor rekening van [verzoekster] te laten, zoals betoogd door Reaal.

4.2. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoekster] kan worden toegerekend. Vereist is dat zowel causaal verband bestaat tussen het ongeval waarvoor Reaal (gedeeltelijk) aansprakelijkheid heeft erkend en de schade als tussen de aan [verzoekster] toe te rekenen omstandigheden en de schade.

4.3. Reaal voert aan dat het ongeval mede is veroorzaakt door de omstandigheid dat [verzoekster] haar Volkwagen Polo niet tijdig tot stilstand heeft gebracht. [verzoekster] heeft volgens Reaal in strijd met de zogenaamde “2 seconden-regel” onvoldoende afstand tot haar voorganger gehouden. Volgens Reaal had [verzoekster] gezien de door haar gestelde snelheid van 70 kilometer per uur een afstand in acht moeten nemen van 39 meter, terwijl zij feitelijk slechts circa 12 meter achter de Opel Combo reed. [verzoekster] stelt daarentegen dat haar onder de gegeven omstandigheden niet kan worden verweten dat zij onvoldoende afstand tot haar voorganger heeft gehouden en tegen de Opel Combo is aangereden.

4.4. De rechtbank stelt vast dat uit het feit dat [verzoekster] de Opel Combo van achteren heeft aangereden, volgt dat zij artikel 19 RVV heeft overtreden door onvoldoende afstand tot de Opel Combo in acht te nemen. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de aanrijding haar onder de gegeven omstandigheden kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.5. [verzoekster] heeft ter zitting terecht betoogd dat de aanrijding feitelijk het gevolg is van twee – naar het oordeel van de rechtbank ernstige – fouten van [A], die een uitzonderlijk gevaarlijke situatie in het leven hebben geroepen. Uit het proces-verbaal van de politie en de getuigenverklaringen blijkt namelijk dat [A] niet alleen kan worden verweten dat hij de ladder niet goed op de Opel Vivaro heeft bevestigd (waardoor deze op de snelweg is gevallen) maar dat hij vervolgens – nadat hij bemerkte dat de ladder was gevallen – zijn Opel Vivaro midden op de snelweg en niet op de vluchtstrook heeft stilgezet. Hierdoor zijn op de snelweg twee kort op elkaar volgende gevaarlijke situaties ontstaan, waarop [verzoekster] naar het oordeel van de rechtbank niet bedacht had kunnen en hoeven zijn. Uit het feit dat [verzoekster] in staat is geweest om de ladder te ontwijken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat zij in eerste instantie voldoende afstand heeft gehouden tot haar voorganger. Ten gevolge van het feit dat [verzoekster] onverwacht moest uitwijken voor de ladder kon van haar in redelijkheid niet worden verwacht dat zij na die manoeuvre nog steeds een zodanige afstand tot haar voorganger behield, dat [verzoekster] voldeed aan de door Reaal genoemde 2-secondenregel. De omstandigheid dat [verzoekster] na de uitwijkmanoeuvre vanwege de afstand van circa 12 meter niet in staat was om een aanrijding met de – blijkens de verklaring van [B] reeds vóór de aanrijding stilstaande – Opel Combo te voorkomen, kan haar daarom niet verweten worden.

4.6. Dat het [B] kennelijk wel is gelukt om tijdig tot stilstand te komen achter de Opel Vivaro, maakt dat niet anders. [verzoekster] heeft immers verklaard dat zij geen zicht had op de Opel Vivaro vanwege de voor haar rijdende Opel Combo. Uit de verklaring van [B] blijkt dat hij wel goed zicht had op wat er voor hem gebeurde en dat hij had gezien dat de ladder van de Opel Vivaro viel. Daardoor kon hij beter anticiperen op een mogelijke reactie van de bestuurder van de Opel Vivaro. [verzoekster] had deze kennis echter niet. Uit de verklaring van [verzoekster] blijkt dat zij enige tijd nodig heeft gehad om te ontwaren wat het glinsterende object op de weg was. Omdat zij vervolgens een uitwijkmanoeuvre moest uitvoeren en daar – begrijpelijk – haar volledige aandacht bij nodig had, kan haar niet verweten worden dat zij niet tijdig heeft gezien dat de Opel Combo voor haar afremde en tot stilstand kwam c.q. was gekomen.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onder de gegeven omstandigheden niet aan [verzoekster] kan worden toegerekend dat zij haar Volkswagen Polo niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en dat er derhalve geen sprake is van eigen schuld van [verzoekster] aan het ontstaan van het ongeval.

4.8. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het onder 3.1.1., genoemde verzoek van [verzoekster] zal toewijzen en het onder 3.3.1. genoemde tegenverzoek van Reaal zal afwijzen. Omdat bij het ongeval ook nog schade is geleden door derden, welke schade Reaal niet aan [verzoekster] hoeft te vergoeden, zal de rechtbank het onder 3.1.1. genoemde verzoek in enigszins gewijzigde vorm toewijzen.

Buitengerechtelijke kosten

4.9. [verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 9.434,19 aan buitengerechtelijke kosten wegens verrichte werkzaamheden door haar voormalig advocaat, mr. L.A.M.G. Wellen.

4.10. Nu de aansprakelijkheid van Reaal voor de door [verzoekster] geleden letselschade vast staat, biedt artikel 6:96 lid 2 onder b BW in beginsel een grondslag voor vergoeding van de door [verzoekster] gemaakte kosten, wanneer deze kwalificeren als buitengerechtelijk. Beoordeeld dient te worden of deze buitengerechtelijke kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 BW voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn.

4.11. De rechtbank is – met Reaal – van oordeel dat de door mr. Wellen in rekening gebrachte uren en het door haar gehanteerde uurtarief gelet op de aard en de omvang van de zaak exorbitant hoog zijn. De rechtbank zal het aantal uren matigen tot 15 en het uurtarief tot € 210,00. Deze kosten zullen worden vermeerderd met de kantoorkosten en BTW. Uit het voorgaande volgt dat naar aanleiding van het onder 3.1.2. genoemde verzoek een bedrag van € 4.040,19 kan worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen nu [verzoekster] op basis van een toevoeging procedeert en bovendien niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] deze kosten reeds daadwerkelijk aan mr. Wellen heeft betaald.

4.12. Het voorgaande leidt er tevens toe dat de rechtbank het onder 3.3.2. genoemde tegenverzoek zal afwijzen.

Kosten deelgeschil

4.13. Mr. Mo-Ajok voert aan € 9.619,50 aan kosten te hebben gemaakt. Daarbij is hij uitgegaan van 30 uur à € 250,00 per uur, 6% aan kantoorkosten en 21% aan BTW.

4.14. De rechtbank overweegt dat ook de kosten op grond van artikel 1019aa Rv dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de gedeclareerde uren en het gehanteerde uurtarief gelet op de omvang en inhoud van het verzoekschrift en de mate van complexiteit van het deelgeschil bovenmatig zijn en zal het aantal uren matigen tot 10 uur en het uurtarief tot € 210,00. Dit betekent dat de kosten naar aanleiding van het onder 3.1.3. genoemde verzoek worden begroot op € 2.768,46 (10 x € 210,00 vermeerderd met kantoorkosten, BTW en het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 75,00). Daarvan maken uitdrukkelijk geen deel uit de extra kosten in verband met de wisseling van advocaat, waar Reaal op heeft gewezen. De gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen, nu [verzoekster] op basis van een toevoeging procedeert en gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] de kosten gemaakt in verband met het indienen van het verzoekschrift (en de behandeling daarvan) reeds daadwerkelijk heeft betaald.

4.15. Het voorgaande leidt ertoe dat het onder 3.3.3. genoemde tegenverzoek van Reaal wordt afgewezen.

4.16. Nu de aansprakelijkheid van Reaal voor de gevolgen van het [verzoekster] overkomen ongeval vaststaat, zal zij zoals verzocht in de hiervoor onder 4.11. en 4.14. genoemde kosten worden veroordeeld.

4.17. Gezien al het voorgaande zal ook het onder 3.3.4. genoemde verzoek van Reaal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat er aan de zijde van [verzoekster] geen sprake is van rechtens relevante eigen schuld aan het ongeval, zodat Reaal aan [verzoekster] 100% van de door [verzoekster] ten gevolge van dat ongeval geleden schade dient te vergoeden;

5.2. veroordeelt Reaal tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 4.040,19 aan buitengerechtelijke kosten;

5.3. begroot de kosten van dit verzoek aan de zijde van [verzoekster] op € 2.768,46 (inclusief BTW) en veroordeelt Reaal tot betaling van deze kosten;

5.4. wijst af het verzoek voor het overige, alsmede de tegenverzoeken.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.?