Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:CA0205

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
C-09-430442 - HA ZA 12-1303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet dwangbevel niet ontvankelijk. Vordering betreft een executiegeschil. Het dwangbevel sorteert geen effect ten aanzien van de volledig gevorderde wettelijke rente. Op dit punt is sprake van een juridische onjuistheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/430442 / HA ZA 12-1303

Vonnis van 8 mei 2013 [bij vervroeging]

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LEIDSCHENDAM-VOORBURG,

gevestigd te Leidschendam-Voorburg,

gedaagde,

advocaat: mr. R. van Gelder te Bleiswijk.

Partijen worden hierna [eiser] en de gemeente genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de verzetdagvaarding van 25 januari 2012, met producties;

- de conclusie van antwoord in oppositie, met producties;

- het vonnis van 9 oktober 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie

’s-Gravenhage, waarbij de zaak is verwezen naar de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht (thans team handel);

- het tussenvonnis van 19 december 2012, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 15 april 2013.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. Het vonnis wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van het perceel plaatselijk bekend als [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het perceel). Op het perceel was de onderneming van [eiser] Vervoer B.V. (inmiddels gefailleerd) gevestigd. Dit betrof (onder andere) een herstelinrichting voor motorvoertuigen.

2.2. Tijdens een controle op 11 februari 2011 heeft (een handhavingsinspecteur van) de gemeente op het perceel een milieuovertreding geconstateerd. Waargenomen is dat in de voormalige stalling/werkplaats en de compressorruimte afgewerkte olie wordt opgeslagen in niet goed afgesloten en/of in slechte staat verkerende vaten en dat de vaten, evenals de gebruikte oliefilters, niet staan opgesteld op/boven een vloeistofdichte voorziening.

2.3. Naar aanleiding van voornoemde constatering heeft de gemeente bij brief van

3 maart 2011 [eiser] in kennis gesteld van haar voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Tevens is melding gemaakt van de mogelijkheid tot het geven van een zienswijze daarop. [eiser] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.4. Bij besluit van 5 april 2011 heeft de gemeente een last onder bestuursdwang opgelegd aan [eiser], inhoudende het binnen vier weken afvoeren van de olievaten en de gebruikte oliefilters door een erkende inzamelaar, onder overlegging van een bewijs waaruit dit blijkt. De gemeente heeft [eiser] gewezen op de mogelijkheid tot het instellen van bezwaar tegen dit besluit. [eiser] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.5. Bij brief van 20 mei 2011 heeft de gemeente aan [eiser] een op 31 mei 2011 te houden bestuursdwangcontrole aangekondigd en [eiser] verzocht tot het verlenen van medewerking daaraan. Aan deze lastgeving heeft [eiser] niet voldaan.

2.6. Bij brief van 1 juni 2011 heeft de gemeente aan [eiser] bericht dat zal worden overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang op kosten van [eiser] en dat reeds opdracht is gegeven tot het verwijderen van de olievaten en de oliefilters. Voorts is daarbij aan [eiser] gemeld dat hij binnenkort van de uitgevoerde werkzaamheden een kostenbeschikking kan verwachten.

2.7. Op 9 juni 2011 is aan het onder 2.6. genoemde besluit uitvoering gegeven en de aangezegde bestuursdwang toegepast.

2.8. Op 2 augustus 2011 heeft de gemeente de reeds bij brief van 1 juni 2011 aangekondigde kostenbeschikking aan [eiser] gezonden. De kostenbeschikking vermeldt – voor zover relevant – het volgende:

‘Op 9 juni 2011 hebben wij (…) bestuursdwang toegepast door afvalolie en oliehoudend materiaal te laten verwijderen vanuit het perceel aan de [adres] in [plaatsnaam].

(…)

Op grond van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht bent u de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang aan ons verschuldigd.

(…)

De kosten met betrekking tot de uitgevoerde bestuursdwang zijn inmiddels bij ons in rekening gebracht.

(…)

In totaal bedragen de kosten € 1.833,59.

(…)

Wij verzoeken u het bedrag van € 1.833,59 binnen zes weken na dagtekening van deze brief over te maken (…).

Indien u in gebreke blijft het bovenstaande bedrag te voldoen, zal dit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:114 en 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van een dwangbevel worden ingevorderd.

Wij maken u er alvast op attent, dat vanaf het moment dat u nalatig bent in het voldoen aan uw financiële verplichtingen de wettelijke rente in rekening zal worden gebracht.’

2.9. [eiser] heeft het bedrag van € 1.833,59 niet betaald, waarna de gemeente [eiser] bij schrijven van 20 september 2011 heeft gemaand binnen twee weken alsnog tot betaling van de kosten van de uitgevoerde bestuursdwang over te gaan. Hieraan heeft [eiser] geen gevolg gegeven, waarna de gemeente op 30 november 2011 een dwangbevel aan [eiser] heeft gezonden. Daarbij is [eiser] bevel gegeven om het bedrag van € 1.833,59, te vermeerderen met rente en kosten te voldoen. Het dwangbevel is bij exploot van 16 december 2011 in persoon aan [eiser] betekend.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank hem bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ontheft van het bepaalde in het dwangbevel van 30 november 2011, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering - kort gezegd - het volgende ten grondslag.

[eiser] is bij zijn weten niets aan de gemeente verschuldigd is. Er is met hem geen overleg gevoerd over (het maken van) de door de gemeente opgevoerde kosten. Er is niets gebleken van het bestaan en de noodzaak van de gemaakte kosten of van de aanmaningen en de betalingen aan derden, nu geen andere stukken met het dwangbevel zijn meebetekend. Het betekenen van een dwangbevel roept aldus nietigheid van het daarbij behorende betekeningsexploot in het leven. Verder heeft [eiser] niets te maken met de bij hem in rekeninggebrachte (sanerings)kosten. Deze kosten komen voor rekening van [eiser] Vervoer B.V., de vennootschap waarvan hij destijds weliswaar directeur/grootaandeelhouder was maar die werd geëxploiteerd door een derde zodat [eiser] het niet in zijn macht had om tegen de illegale situatie op te treden.

3.3. De gemeente voert gemotiveerd verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

geen verzet maar executiegeschil

4.1. [eiser] heeft verzet aangetekend tegen het aan hem op 16 december 2011 betekende dwangbevel.

4.2. Onder de werking van artikel 5:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zoals dit luidde tot 1 juli 2009, kon het bestuursorgaan dat bestuursdwang had toegepast, bij dwangbevel de verschuldigde kosten van de overtreder invorderen. Gedurende zes weken na de dag van betekening stond verzet tegen het dwangbevel open bij de civiele rechter.

4.3. Met ingang van 1 juli 2009 is de Vierde tranche Awb in werking getreden en kan niet meer, op grond van het daarbij vervallen artikel 5:26 Awb, door middel van verzet bij de burgerlijke rechter worden opgekomen tegen een dwangbevel waarbij het bestuursorgaan de kosten van de uitgeoefende bestuursdwang invordert. De bedoeling van de wetgever is geweest om alle geschillen, verband houdend met het gerechtvaardigd zijn van de bestuursdwangtoepassing én het kostenverhaal, door de bestuursrechter te laten beslechten.

4.4. Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche Awb blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.

4.5. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat de illegale situatie op zijn perceel al vóór 1 juli 2009 bestond. De vraag is dan ook of het geschil moet worden beoordeeld aan de hand van de Awb zoals die luidde vóór 1 juli 2009 of aan de hand van het nieuwe recht.

4.6. In een geval als het onderhavige, waarin na 1 juli 2009 met bestuursdwang is opgetreden wegens een overtreding die is aangevangen vóór 1 juli 2009, maar nadien ononderbroken voortduurde, is ter beantwoording van de vraag wanneer de overtreding plaatsvond bepalend het moment waarop het bestuursorgaan het schriftelijke voornemen om handhavend op te treden aan de vermoedelijke overtreder heeft toegezonden (vgl. ABRvS

1 juni 2011, LJN: BQ6826). Dat was in dit geval op 3 maart 2011 (zie 2.3), dus na de inwerkingtreding van de Vierde tranche Awb. [eiser] is dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering in verzet.

4.7. Het onderhavige dwangbevel levert krachtens artikel 4:116 Awb een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), waaronder de regeling omtrent executiegeschillen, ten uitvoer kan worden gelegd. De rechtbank zal het geschil van partijen opvatten als een executiegeschil op de voet van artikel 438 Rv omdat de vordering van [eiser] mede is gericht tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

4.8. Voorop wordt gesteld dat de taak van de rechter in een executiegeschil beperkt is. De executierechter kan slechts staking van de tenuitvoerlegging van een executoriale titel bevelen als hij van oordeel is dat de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal onder meer het geval kunnen zijn als de executoriale titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de executie op grond van naderhand gebleken feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde executie niet kan worden aanvaard. Tegen deze achtergrond wordt als volgt overwogen.

4.9. Voor zover [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat het dwangbevel niet als executoriale titel kan dienen omdat de in het bevel genoemde stukken niet met het betekeningsexploot zijn “meebetekend”, wordt dit standpunt verworpen. Er bestaat immers geen wettelijke verplichting tot “meebetekening” van de door [eiser] bedoelde stukken. Het niet in acht nemen van de voorschriften voor de betekening kan tot nietigheid leiden van het exploot en van de daarop gebaseerde tenuitvoerlegging, maar een dergelijk geval doet zich hier niet voor.

4.10. Het dwangbevel berust op de kostenbeschikking van 2 augustus 2011. [eiser] heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt, ook niet nadat hijzelf en zijn advocaat daarvan in de onderhavige procedure kennis hebben genomen. De kostenbeschikking is daarmee onherroepelijk geworden en heeft in deze procedure formele rechtskracht. De rechtbank dient er derhalve vanuit te gaan dat de kostenbeschikking – zowel wat de inhoud als wat de wijze van totstandkoming betreft – in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De juistheid en rechtmatigheid van de kostenbeschikking staan aldus niet meer ter discussie, zodat de rechtbank de stellingen die [eiser] in dit verband heeft ingenomen verder onbesproken laat.

4.11. De rechtbank constateert echter wel dat in het dwangbevel een onjuiste ingangsdatum van de door [eiser] verschuldigde wettelijke rente is vermeld en het bevel in zoverre op een juridische misslag berust. De kostenbeschikking van 2 augustus 2011 vermeldt dat de wettelijke rente in rekening zal worden gebracht vanaf het moment dat [eiser] nalatig is in het voldoen aan zijn financiële verplichtingen (zie onder 2.8.). De betalingstermijn is, zo vermeldt de beschikking, overeenkomstig artikel 4:87 Awb bepaald op zes weken. Dit brengt mee dat [eiser] pas vanaf 13 september 2011 in verzuim is en derhalve vanaf die dag – en niet reeds vanaf 2 augustus 2011, zoals bij dwangbevel gevorderd – de wettelijke rente over de door de gemeente in rekening gebrachte kosten verschuldigd is. Het dwangbevel sorteert derhalve geen effect voor zover daarbij wettelijke rente over de hoofdsom wordt gevorderd over de periode vóór 13 september 2011.

4.12. Overige feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat het te executeren dwangbevel op een juridische of feitelijke misslag berust zijn door [eiser] niet gesteld en ook anderszins niet gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat de executie van het dwangbevel op grond van na de uitvaardiging van dat dwangbevel aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan.

resumé

4.13. Op grond van het voorgaande zal het dwangbevel buiten effect worden gesteld voor zover daarbij méér wordt gevorderd dan € 1.833,59 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 13 september 2011 en met de gevorderde kosten. Er bestaat geen aanleiding de tenuitvoerlegging van het niet buiten effect gestelde deel te schorsen. Voor het overige zal de vordering van [eiser] dan ook worden afgewezen.

4.14. [eiser] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 575 aan griffierecht en (2 punten x tarief II =) € 904 aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. stelt het dwangbevel van 30 november 2011 buiten effect voor zover daarbij méér van [eiser] wordt gevorderd dan € 1.833,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2011 en met de kosten ter verkrijging van voldoening;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 575 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.