Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9660

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
SGR 12/11265
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invorderingsrente. Belanghebbende. Proceskosten. Schadevergoeding.

Eiseres en B BV behoren tot een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting waarvan eiseres de moedermaatschappij is. Per brief deelt de ontvanger aan eiseres mee dat hij een aan haar verleende teruggaaf vennootschapsbelasting heeft verrekend met een aan B BV opgelegde aanslag kansspelbelasting en de ter zake van die aanslag in rekening te brengen invorderingsrente. De brief bevat een rechtsmiddelverwijzing en eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking invorderingsrente.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking en dat de invorderingsrente feitelijk ten laste komt van B BV. Daarmee is de invorderingsrente overeenkomstig de wettelijke voorwaarden, rechtsgeldig aan B BV in rekening is gebracht. De onjuiste adressering aan eiseres levert op zich geen grond op voor vernietiging van de beschikking. Verweerder had het bezwaar daarom niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk moeten verklaren omdat het niet is ingediend door de belanghebbende tot wie de beschikking zich richt. Omdat het beroep alleen daarom gegrond wordt verklaard wijst de rechtbank het verzoek om integrale vergoeding van proceskosten en schadevergoeding af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1241
V-N Vandaag 2013/1111

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/11265

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2013 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de ontvanger van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 1 november 2012 op het bezwaar van eiseres tegen de beschikking invorderingsrente, gegeven ter zake van de invordering van een aan [B BV] opgelegde aanslag kansspelbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013.

Namens eiseres is de gemachtigde daar verschenen met [C]. Namens verweerder zijn [D] en [E] verschenen.

Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de beroepen van eiseres met de zaaknummers SGR 12/11267 en SGR 12/11268. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt tevens geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944, te betalen aan eiseres;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiseres en [B BV] behoren tot een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting waarvan eiseres de moedermaatschappij is. Met dagtekening 22 mei 2012 heeft verweerder eiseres een brief gestuurd die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“[Eiseres]

Betreft

Verantwoording teruggave en beschikking rente

Geachte heer/mevrouw,

U heeft een teruggavebeschikking VPB 2010, [nummer 1] ad € 171.215,= ontvangen. Hieronder treft u een overzicht aan van de wijze waarop ik deze teruggave heb afgeboekt.

Overzicht afboeking teruggave

Aanslag t.n.v. [B BV]

Als u het niet eens bent met de bij deze beschikking vastgestelde invorderingsrente, moet u binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking een bezwaarschrift bij mij indienen.”

2. Eiseres heeft tegen de beschikking invorderingsrente, die is vervat in de in 1 geciteerde brief, bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de beschikking gehandhaafd.

3. In geschil is de rechtmatigheid dan wel de juistheid van de beschikking, waarbij meer specifiek in geschil is of de beschikking aan de juiste (rechts)persoon is gegeven, oftewel of de invorderingsrente aan de juiste (rechts)persoon in rekening is gebracht. Eiseres stelt dat de beschikking invorderingsrente aan haar is afgegeven terwijl deze had moeten worden afgegeven aan [B BV]. De beschikking dient daarom te worden vernietigd. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat de verrekening niet had mogen plaatsvinden omdat voor de aanslag kansspelbelasting uitstel van betaling is verleend.

4. Verweerder stelt dat de in 1 geciteerde brief twee functies heeft, namelijk het vaststellen van een beschikking invorderingsrente en de kennisgeving van de verrekeningen. Volgens verweerder is de beschikking rechtmatig en juist omdat deze is afgegeven aan de belastingschuldige [B BV]. De beschikking is echter ten onrechte geadresseerd aan eiseres. Verder heeft verweerder aangevoerd dat door het in rekening brengen van de invorderingsrente en het daarmee mede verrekenen van de teruggaaf, de belastingschuld van [B BV] hoger is gebleven. Ook daaruit volgt dat de invorderingsrente aan [B BV] in rekening is gebracht. De onjuiste adressering van de beschikking maakt deze niet vernietigbaar.

5. Het beroepschrift is op 8 december 2012 bij de rechtbank ontvangen. Op 12 februari 2013 heeft verweerder een kopie van de in 1 geciteerde brief naar [B BV] gestuurd met een begeleidende brief die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“Teruggaven Vennootschapsbelasting 2010 ten name van [eiseres] zijn verrekend met uw aanslagen Kansspelbelasting. Hierbij is invorderingsrente in rekening gebracht. Mij is gebleken dat het bedrag van de in rekening gebrachte invorderingsrente niet op de juiste wijze aan u bekend is gemaakt. Bijgaand treft u alsnog de beschikkingen aan.

Omdat deze beschikkingen nu pas aan u bekend gemaakt worden vangt de termijn waarbinnen u desgewenst bezwaar kunt indienen aan met de dagtekening van deze brief. Als u het niet eens bent met de bij deze beschikkingen vastgestelde invorderingsrente, moet u binnen zes weken na dagtekening van deze brief een bezwaarschrift bij mij indienen.”

6. Indien een belastingaanslag niet binnen de daarvoor geldende termijn is betaald, wordt, op grond van artikel 28, eerste lid, van de Invorderingswet, aan de belastingschuldige invorderingsrente in rekening gebracht. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Invorderingswet wordt het bedrag van de invorderingsrente bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.

7. De in 1 geciteerde brief is in elk geval voor bezwaar vatbare beschikking. Uit de inhoud van de brief kan verder worden opgemaakt dat de daarin genoemde aanslag kansspelbelasting aan [B BV] is opgelegd en dat [B BV] van deze aanslag dus de belastingschuldige is. Omdat de invorderingsrente in verband met de invordering van die aanslag in rekening is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de invorderingsrente ook aan [B BV] in rekening is gebracht. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat als de in de brief vermelde teruggaaf niet zou zijn verrekend, de aanslag kansspelbelasting en de terzake verschuldigde invorderingsrente anderszins van [B BV] zouden zijn ingevorderd. Voorts is de resterende belastingschuld van [B BV] – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – door het in rekening brengen van de invorderingsrente hoger dan wanneer de invorderingsrente niet in rekening zou zijn gebracht. De invorderingsrente komt dan ook ten laste van [B BV].

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de invorderingsrente overeenkomstig de in 6 genoemde wettelijke voorwaarden bij voor bezwaar vatbare beschikking aan de juiste persoon, te weten [B BV], rechtsgeldig in rekening is gebracht. Dat de beschikking aan de verkeerde rechtspersoon, eiseres, is geadresseerd en bekendgemaakt, maakt niet dat de beschikking zich tot eiseres richt en dat de invorderingsrente aan haar in rekening is gebracht. De onjuiste adressering levert op zich geen grond op voor vernietiging van de beschikking.

8. Hetgeen in 7 is overwogen heeft tot gevolg dat eiseres ingevolge artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 30 van de Invorderingswet. niet de belanghebbende is die tegen de beschikking bezwaar kan maken. Eiseres stelt dat verweerder met de in 5 geciteerde brief van 12 februari 2013 een nieuwe beschikking heeft gegeven waarmee dezelfde invorderingsrente opnieuw in rekening wordt gebracht, doch nu aan [B BV], terwijl de eerdere beschikking in stand is gebleven. Eiseres stelt dat daardoor sprake is van het dubbel in rekening brengen van de invorderingsrente en dat daaruit volgt dat zij belanghebbende is bij de “eerste” beschikking. Niet uitgesloten kan worden dat zij zal worden aangesproken op de betaling van de invorderingsrente. Dit betoog faalt. Met de in 5 geciteerde brief heeft verweerder geen nieuwe beschikking gegeven maar de onderhavige beschikking alsnog bekend gemaakt aan [B BV]. Van het opnieuw in rekening brengen van dezelfde invorderingsrente is dus geen sprake. Uit de inhoud van die brief blijkt dat deze geen ander doel heeft dan het alsnog bekend maken van de beschikking aan [B BV] zodat deze alsnog de gelegenheid heeft om daartegen bezwaar te maken.

9. Op grond van hetgeen is overwogen in 7 en 8 had verweerder het bezwaar niet ontvankelijk moeten verklaren omdat het niet is ingediend door de belanghebbende tot wie de beschikking zich richt. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar echter ongegrond verklaard. Het beroep is daarom gegrond verklaard en het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

10. De beslissing van verweerder tot verrekening van de teruggaaf vennootschapbelasting met de aanslag kansspelbelasting kan ingevolge artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht en de bij die wet behorende bijlage niet aan de bestuursrechter worden voorgelegd, zodat de rechtbank niet toekomt aan de behandeling van de daaromtrent aangevoerde grond van eiseres.

11.1 De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep en de hiermee samenhangende beroepen met de zaaknummers SGR 12/11267 en SGR 12/11268 redelijkerwijs heeft moeten maken. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1 voor minder dan vier samenhangende zaken). De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals verweerder bepleit, uit te gaan van een lagere wegingsfactor.

11.2. Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de integrale proceskosten. Zij heeft echter geen feiten gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat verweerder zijn beslissing op bezwaar heeft genomen terwijl hem duidelijk was dat deze beslissing in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden (vergelijk Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, LJN: BA2802). Het enkele feite dat partijen in verband met de verschuldigdheid van kansspelbelasting, verrekeningen en andere invorderingskwesties in een veelheid van procedures zijn verwikkeld, is daartoe onvoldoende nu de beroepen slechts gegrond zijn verklaard omdat de bezwaren ten onrechte niet niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank ziet daarom evenmin aanleiding voor een schadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.