Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9616

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
C-09-319096 - HA RK 08-916
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Tussenbeslissing. Het in 1957 in Belgisch Congo gesloten kerkelijk huwelijk tussen een Nederlandse vrouw en een Portugese man is niet voorafgegaan door een burgerlijk huwelijk en niet is gebleken van door de Belgische wet gestelde uitzonderingen. De uit dit kerkelijk huwelijk geboren kinderen verkregen daarom de Nederlandse nationaliteit van hun moeder. Verzoekers mogen zich nog uitlaten over de van de IND verkregen informatie over de verkregen Belgische nationaliteit door een aantal verzoekers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/319096 / HA RK 08-916

Beschikking van 2 mei 2013

in de zaak van:

1. [1],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

en zijn kinderen:

1a. [1a],

wonende te [woonplaats],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

1b. [1b],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboorteplaats] 1990 te [geboorteplaats],

1c. [1c],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

1d. [1d],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

1e. [1e],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

1f. [1f],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],

2. [2],

wonende te [woonplaats],

geboren op [geboortedatum]1960 te [geboorteplaats],

en zijn kinderen:

2a. [2a],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

2b. [2b],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

2c. [2c],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

3. [3],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

en zijn kinderen:

3a. [3a],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

3b. [3b],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

3c. [3c],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

3d. [3d],

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

allen wonende te Engeland,

4. [4],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

en zijn kinderen:

4a. [4a],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

4b. [4b],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

4c. [4c],

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

4d. [4d],

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

allen wonende te [woonplaats] (België),

5. [5],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

en zijn kinderen:

5a. [5a],

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

5b. [5b],

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],

allen wonende te [woonplaats] (België),

6. [6],

wonende te [woonplaats] (België),

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

verzoekers,

advocaat eerst mr. B. Hiddinga, thans mr. A.A. Vermeij te Den Haag,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder aan te noemen: ‘de IND’)

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door eerst mr. L.C.M. Hakkaart, thans mr. Y. Kern.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 2 september 2008 ingekomen verzoekschrift,

- de brief van mr. Hiddinga van 6 januari 2009,

- de op 4 november 2010 ingekomen (ongedateerde) brief van mr. J. L. Hofdijk,

- de brieven van mr. A.A. Vermeij van 29 februari 2012 en van 6, 8, 15 en 20 maart 2013,

- de brieven van de IND van 16 oktober 2008, 19 maart 2009, 2 augustus 2010, 11 maart 2011, 13 december 2012 en 12 maart 2013,

- de brief van de officier van justitie van 7 januari 2013.

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013. Verschenen zijn:

- mr. A.A. Vermeij namens verzoekers,

- [1a] (verzoeker 1a),

- mr. Kern, namens de IND,

- mevrouw [X], moeder c.q. grootmoeder van verzoekers.

1.3. De officier van justitie heeft schriftelijk kenbaar gemaakt geen prijs te stellen op het bijwonen van de mondelinge behandeling.

1.4. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog brieven ontvangen van de IND van 3 en 24 april 2013 en van mr. Vermeij van 4 april 2013.

2. De feiten

2.1. [X], moeder van verzoekers 1, 2, 3, 4, 5 en 6, tevens grootmoeder van de overige verzoekers, is op [geboortedatum] 1935 te [geboorteplaats], voormalig Portugees Congo, geboren. Op 10 januari 1939 is zij door [Y], van Nederlandse nationaliteit, erkend. Door die erkenning verkreeg zij op grond van het bepaalde in artikel 1 aanhef en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI), met terugwerkende kracht tot aan haar geboorte, de Nederlandse nationaliteit. Op 21 december 1957 heeft [X] te Moanda, voormalig Belgisch Congo, een kerkelijk huwelijk gesloten met [1], van Portugese nationaliteit. Verzoekers 1, 2, 3, 4, 5 en 6 zijn allen uit dit kerkelijk huwelijk geboren. Bij Koninklijk Besluit van 3 oktober 1991 is aan [X] het Nederlanderschap verleend.

2.2. Verzoeker 5a heeft door optie op 24 april 2008 de Nederlandse nationaliteit verkregen.

3. Het verzoek

3.1. Verzoekers verzoeken de rechtbank primair vast te stellen dat zij sinds hun geboorte de Nederlandse nationaliteit bezitten en sedertdien niet hebben verloren. Zij voeren daartoe aan dat zij van rechtswege door afstamming bij hun geboorte de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. Verzoekers 1, 2, 3, 4, 5 en 6 omdat hun moeder, die ten tijde van hun geboorte niet was gehuwd, in het bezit was van het Nederlanderschap en de overige verzoekers omdat hun vader ten tijde van hun geboorte het Nederlanderschap bezat. Subsidiair verzoeken zij de rechtbank vast te stellen dat zij allen te eniger tijd het Nederlanderschap hebben bezeten en meer subsidiair dat verzoekers 1, 2, 3, 4, 5, en 6 zijn geboren uit een moeder die ten tijde van hun geboorte het Nederlanderschap bezat, maar dat verzoekers het Nederlanderschap niet bezitten.

4. Het standpunt van de IND en van de officier van justitie

4.1. De IND komt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen. Kort samengevat stelt de IND dat verzoekers als afstammelingen (kinderen c.q. kleinkinderen) van [X] niet de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. De kinderen van [X] (verzoekers 1, 2, 3, 4, 5, en 6) dienen te worden beschouwd als wettige kinderen, geboren uit het huwelijk van [X] en [1] (van Portugese nationaliteit). Zij hebben daarom bij geboorte allen de nationaliteit van hun niet Nederlandse vader verkregen. Gevolg hiervan is dat de kleinkinderen het Nederlanderschap niet aan hun vaders kunnen ontlenen. Alleen verzoeker sub 5a is volgens de IND door optie op 24 april 2008 in het bezit gekomen van de Nederlandse nationaliteit. Ten slotte merkt de IND nog op dat 14 verzoekers inmiddels door naturalisatie in het bezit zijn gekomen van de Belgische nationaliteit.

4.2. De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

5. De beoordeling

5.1. Bij beschikking van 28 februari 2008 heeft deze rechtbank een verzoek van [2a] (verzoeker 2a) tot vaststelling van zijn Nederlandse nationaliteit afgewezen. In die beschikking heeft de rechtbank overwogen dat [X] (de grootmoeder van verzoeker 2a), op grond van artikel 1 onder a WNI vanaf haar geboorte de Nederlandse nationaliteit verkreeg en dat zij op 21 december 1957 te Tchiponda (Angola) een kerkelijk huwelijk heeft gesloten met de heer [1], van Portugese nationaliteit. Voorts overwoog de rechtbank in genoemde beschikking dat Angola tot 1975 Portugees was en een kerkelijk huwelijk naar Portugees recht rechtsgeldig is, zodat er van kan worden uitgegaan dat [X] door haar huwelijk de Portugese nationaliteit van haar echtgenoot verkreeg en haar Nederlandse nationaliteit verloor.

5.2. De rechtbank dient thans te beoordelen of er ten aanzien van verzoeker 2a sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot een ander oordeel dan gegeven in de beschikking van 28 februari 2008. In laatstgenoemde beschikking is uitgegaan van een huwelijk van de grootmoeder van verzoeker 2a op Portugees grondgebied. Inmiddels is echter onweersproken vast komen te staan dat genoemd huwelijk niet op Portugees, maar op Belgisch grondgebied is gesloten. De dragende overweging in de beschikking van 28 februari 2008 is daarmee komen te vervallen aangezien is overwogen dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit van [X] een gevolg was van haar kerkelijk huwelijk op Portugees grondgebied. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond op voor het indienen van een hernieuwd verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap door verzoeker 2a.

5.3. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek is allereerst van belang het antwoord op de vraag of het kerkelijk huwelijk dat tussen [X] en [1] op 21 december 1957 te Moanda (Belgisch Congo) is gesloten, rechtsgeldig is. Verzoekers zijn immers allen kinderen of kleinkinderen van [X] en [1].

5.4. Het staat vast dat [X] in elk geval vanaf haar geboorte tot haar huwelijk in 1957 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Verzoekers en een aantal overheidsinstanties zijn er jarenlang vanuit gegaan dat [X] ook na haar kerkelijk huwelijk in het bezit is gebleven van de Nederlandse nationaliteit, met als gevolg dat aan verzoekers Nederlandse paspoorten zijn verstrekt.

5.5. Nu het huwelijk tussen [X] en [1] is gesloten op Belgisch grondgebied dient aan de hand van het toenmalige Belgische recht te worden beoordeeld of er al dan niet sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Verzoekers hebben bij brief van 29 februari 2012 de tekst van de destijds geldende Belgische grondwet overgelegd. Artikel 16 van die Grondwet bepaalde dat het burgerlijk huwelijk steeds aan de huwelijksinzegening vooraf moet gaan, behoudens de uitzonderingen bij de wet te bepalen zo daartoe aanleiding bestaat. Deze bepaling is ook nu nog in de Belgische grondwet opgenomen, thans als artikel 21. Uit de overgelegde stukken is de rechtbank niet gebleken dat aan het kerkelijk huwelijk van [X] met [1] een burgerlijk huwelijk is voorafgegaan. De IND stelt dat mogelijk een van de uitzonderingen die zijn uitgewerkt in de wet van toepassing is waardoor het kerkelijk huwelijk geldig is geworden. Voor die stelling ontbreekt echter elke concrete aanwijzing. Er is geen document overgelegd, afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten in België, waaruit zou kunnen blijken dat sprake is van een mogelijke uitzondering. De omstandigheid dat in enkele brieven, verklaringen en/of akten wordt gesproken van de echtgenoten [X] en [1], is daartoe onvoldoende. Deze stukken zijn niet afgegeven met het doel de rechtsgeldigheid van het huwelijk aan te geven. Niet valt uit te sluiten dat onvoldoende is stil gestaan bij de vraag of daadwerkelijk sprake is geweest van een rechtsgeldig huwelijk. Aan het gebruik van de woorden ‘conjoints’ en/of ‘echtgenoten’ kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat er daadwerkelijk sprake is van een rechtsgeldig huwelijk.

5.6. Daar staat tegenover dat de rechtbank wel de beschikking heeft over door partijen overgelegde stukken waaruit valt af te leiden dat door instanties onderzoek is gedaan naar de rechtsgeldigheid van het huwelijk en men tot de conclusie is gekomen dat er alleen sprake is geweest van een kerkelijk huwelijk. De Dienst Burgerzaken van de gemeente Den Haag heeft in een brief van 11 maart 1997 aan [X] medegedeeld dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat haar op 21 december 1957 uitsluitend kerkelijk voltrokken huwelijk niet rechtsgeldig is, maar dat dit geen gevolgen heeft voor haar nationaliteit, hetgeen inhoudt dat zij een Nederlands paspoort kan aanvragen.

5.7. Voorts is overgelegd een memorandum van het Nederlandse consulaat in Kinshasa aan het ministerie van Buitenlandse Zaken, gedateerd 3 augustus 1989, met als onderwerp: naturalisatieverzoek [naam [X]]. Uit dit memorandum valt af te leiden dat de autoriteiten in Kinshasa er vanuit zijn gegaan dat [X] haar Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren door haar huwelijk met [1], maar dat zij haar Nederlandse nationaliteit heeft verloren omdat zij gedurende een ononderbroken periode van 10 jaren woonplaats buiten Nederland had (zie artikel 7 aanhef en onder 5 WNI).

5.8. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat het door [X] en [1] in 1957 te Moanda, Belgisch Congo, gesloten huwelijk een kerkelijk huwelijk is dat niet is voorafgegaan door een burgerlijk huwelijk en dat niet is gebleken van door de (Belgische) wet gestelde uitzonderingen. [X] is haar Nederlandse nationaliteit derhalve niet verloren door voormeld huwelijk. Gevolg hiervan is dat verzoekers 1, 2, 3, 4, 5 en 6 zijn geboren als kinderen van een ongehuwde Nederlandse moeder en dat zij allen bij hun geboorte de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen.

5.9. Van een eventuele erkenning van verzoekers 1, 2, 3, 4, 5 en 6 door [1] is niet gebleken. Er is slechts sprake van aannames, aangezien zij allen de geslachtsnaam [1] dragen. Er zijn echter geen door [1] ondertekende verklaringen waaruit blijkt dat hij de wil had over te gaan tot erkenning van verzoekers 1, 2, 3, 4, 5 en 6. De enkele vermelding op de geboorteakten van [X] en [1] als ouders is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een erkenning van de kinderen door [1].

5.10. Dat [X] naast de Nederlandse nationaliteit nog in het bezit zou zijn of zou zijn geweest van een andere nationaliteit (Portugees, Belgisch of Congolees) wordt door de IND wel als mogelijkheid aangegeven, maar niet met enig document onderbouwd. Gelet op de inmiddels verstreken periode waarin - volgens de IND ten onrechte - is uitgegaan van de Nederlandse nationaliteit van verzoekers, acht de rechtbank het - mede met het oog op de consequenties die afwijzing van het verzoek voor verzoekers mee brengen - in de onderhavige zaak van groot belang dat geen stukken voorhanden zijn, waaruit zonder enige vorm van twijfel de conclusie kan worden getrokken dat [X] nog over een andere nationaliteit beschikt of heeft beschikt. Bij gebreke van dergelijke stukken gaat de rechtbank er vanuit dat [X] in het bezit is van alleen de Nederlandse nationaliteit.

5.11. Resumerend komt de rechtbank tot de volgende conclusie.

Verzoekers genoemd onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 verkregen allen op grond van artikel 1 aanhef en onder c WNI, bij hun geboorte als kind van een Nederlandse ongehuwde moeder, de Nederlandse nationaliteit. De overige verzoekers verkregen allen op grond van artikel 3 lid 1 RWN, bij hun geboorte als kind van een Nederlandse vader, de Nederlandse nationaliteit.

5.12. De volgende verzoekers zijn inmiddels volgens opgave van de IND in het bezit van de Belgische nationaliteit:

- verzoeker 1 vanaf 4 juni 2010,

- verzoekers 1a en 1b vanaf 7 juni 2010,

- verzoeker 1c vanaf 4 juni 2010,

- verzoekers 1d, 1e en 1f vanaf 1 september 2009,

- verzoeker 2 vanaf 2 december 2010,

- verzoeker 2b vanaf 15 december 2010,

- verzoeker 2c vanaf 20 april 2011,

- verzoekers 4a en 4b vanaf 4 mei 2001,

- verzoekers 4c en 4d vanaf hun geboorte op [geboortedatum] 2004 als kinderen van een Belgische moeder.

Van de overige verzoekers is niet gebleken dat zij inmiddels in het bezit zijn van een andere dan de Nederlandse nationaliteit.

5.13. Voor zover hiervoor is vermeld dat een betrokkene inmiddels in het bezit is van de Belgische nationaliteit, dient te worden aangetekend dat die informatie is verkregen van de IND. Verzoekers hebben ter zitting verzocht nog in de gelegenheid te worden gesteld zich uit te laten over de juistheid van die informatie en over de mogelijke gevolgen die de verkrijging van de Belgische nationaliteit heeft voor het al dan niet behouden c.q. verliezen van de Nederlandse nationaliteit.

5.14. Alvorens een definitieve beslissing te nemen op het onderhavige verzoekschrift zal de rechtbank verzoekers in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de door de IND gestelde verkrijging van de Belgische nationaliteit door een aantal verzoekers en de gevolgen die een dergelijke verkrijging heeft op de Nederlandse nationaliteit van de betreffende verzoekers. De rechtbank verwijst hierbij naar artikel 15 lid 1 aanhef en onder a RWN, dat bepaalt dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Ten aanzien van minderjarigen bepaalt artikel 16 lid 1 aanhef en onder b RWN (oud), thans artikel 16 lid 1 aanhef en onder c RWN, dat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren gaat indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in die verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit.

5.15. De IND en de officier van justitie zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk te reageren op de reactie van verzoekers. Na ontvangst van de reacties van de IND en de officier van justitie zal de rechtbank beslissen op het verzoek.

6. De beslissing

De rechtbank:

- stelt verzoekers in de gelegenheid zich voor 1 juni 2013 schriftelijk uit te laten over de juistheid van de van de IND verkregen informatie over de verkregen Belgische nationaliteit door een aantal verzoekers en over de mogelijke gevolgen die de verkrijging van de Belgische nationaliteit heeft voor het al dan niet behouden c.q. verliezen van de Nederlandse nationaliteit,

- stelt de IND en de officier van justitie in de gelegenheid om binnen 4 weken na ontvangst van de schriftelijke reactie van verzoekers daarop schriftelijk te reageren.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, mr. D.H. von Maltzahn en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2013.