Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9375

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
C-09-435027 - HA ZA 13-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling onbezoldigde stichtingbestuurder ex artikel 2:9 BW. Beroep op verleende finale kwijting en decharge: bewijsopdracht. Terzijdestelling van een statutaire bepaling die handelen met tegenstrijdig belang door een bestuurder verbiedt is mogelijk - hoewel niet statutair geregeld: unaniem besluit van de overige bestuurders is daarvoor vereist.

In geval van aansprakelijkheid onbehoorlijke taakvervulling: welke schade lijdt de stichting?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2013/49
NJF 2013/280
JONDR 2013/657
JIN 2013/94 met annotatie van P. Haas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/435027 / HA ZA 13-50

Vonnis van 24 april 2013 – bij vervroeging

in de zaak van

de stichting

STICHTING IJSHAL LEIDEN,

gevestigd te Leiden,

eiseres,

advocaat mr. M.M. Hoving te Leiden,

tegen

[T],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Bink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de stichting en [T] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 december 2012, met producties;

- de brief van deze rechtbank van 18 januari 2013 waarin partijen ervan op de hoogte zijn gebracht dat deze zaak is bestempeld als pilotzaak in het kader van het Project Civiele Procesinnovatie en aan de daarvoor geldende procesregels is onderworpen;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 27 februari 2013;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 april 2013.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [T] is van september 1992 tot februari 2009 bestuurslid geweest van de stichting. Hij bekleedde van meet af aan de functie van penningmeester.

In de periode 2006-2008 waren, naast [T], mevrouw [U] (secretaris), mevrouw [V] en de heer [W], bestuursleden van de stichting. De heer [W] was tevens ijsmeester, en daardoor alleen in de wintermaanden bij bestuursvergaderingen aanwezig.

In de periode vanaf medio 2006 tot ultimo 2009 had de stichting geen bestuurslid die de functie van voorzitter bekleedde.

De bestuursleden van de stichting, ook de penningmeester, ontvingen voor hun werkzaamheden als bestuurder geen vergoeding.

2.2. [T] was in de periode 2003-2009 werkzaam bij Adams Management Services BV te Amsterdam (hierna: Adams). Hij bekleedde bij Adams de functie van directeur tevens (indirect) mede-aandeelhouder.

2.3. In de periode van 2003 tot en met 2009 heeft Adams verschillende werkzaamheden gefactureerd bij de stichting.

In dit geding zijn van belang de facturen van:

A. 29 februari 2008 van € 16.0655,00,

B. 9 mei 2008 van € 4.569,60,

C. 3 juli 2008 van € 4.569,60, en van

D. 2 februari 2009 van € 12.328,40.

Factuur D is, na overleg met het stichtingbestuur, door Adams deels gecrediteerd, namelijk voor de helft (€ 6.164,20) en staat niet in dit geding ter discussie

Factuur A had betrekking op: “begeleiding aankoop nieuwe Zamboni ijsdweilmachine”. De werkzaamheden werden verricht in de periode najaar 2007/begin 2008 en betroffen met name de (verkrijging van een toereikende financiering van de) aankoop van en de onderhandelingen over de nieuwe ijsdweilmachine alsmede de inruil van de oude ijsdweilmachine.

De facturen B en C betroffen werkzaamheden die in de eerste helft van 2008 zijn verricht ten behoeve van de stichting nadat de brandweerinspectie had gedreigd de gebruikersvergunning van de ijshal in te trekken. Namens de stichting is door Adams meermaals overleg gevoerd over uitstel en over de inhoud van het Plan van Aanpak/Eisen ter verbetering van de brandveiligheidssituatie. Verder zijn onderhandelingen gevoerd met de verhuurder van de ijshal om de kosten van verbetering ten laste van de verhuurder te laten komen, die deze kosten door een verhoogde huurprijs op basis van een herziene huurovereenkomst terug zou verdienen.

2.4. Artikel 10 van de statuten van de stichting luidt:

Bestuursleden mogen, middellijk noch onmiddellijk betrokken zijn bij leveringen, aannemingen of diensten ten behoeve van de stichting. Zij mogen evenmin enige financiële relatie met de stichting aangaan.

2.5. Artikel 15 lid 1 van de statuten van de stichting luidt:

De voorzitter en de secretaris van het bestuur zijn belast met de uitvoering van de besluiten van het bestuur. Zij vertegenwoordigen gezamenlijk de stichting in en buiten rechte.

2.6. Artikel 17 van de statuten luidt:

Lid 1:

De penningmeester legt uiterlijk in de maand juni aan het bestuur rekening en verantwoording af van het door hem in het afgelopen boekjaar gevoerde beheer. Goedkeuring van de jaarstukken strekt de penningmeester tot décharge.

Lid 2:

Goedkeuring van de jaarstukken kan niet plaatsvinden alvorens zij zijn gecontroleerd en in orde bevonden door:

1. een kascommissie bestaande uit drie leden die daartoe zijn aangewezen door de ledenvergadering van het distrikt Sassenheim [Distrikt Sassenheim van de Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijdersbond, rechtbank];

2. de in lid 1 genoemde ledenvergadering zelf.

2.7. De jaarrekening 2008/2009 van de stichting is in september 2009 door de toen nog (enig) overgebleven bestuurders, [U] en [V], getekend. Zij zijn nadien afgetreden, waarna een nieuw bestuur is aangetreden.

3. Het geschil

3.1. De stichting vordert samengevat - veroordeling van [T] tot betaling van € 30.335,70 (de hoofdsom van € 25.204,20, verhoogd met de wettelijke rente tot de dag van dagvaarding), en tot betaling van buitengerechtelijke kosten groot € 2.463,30, kosten rechtens.

3.2. [T] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De geschilpunten

4.1. De stichting vordert van [T] de door de stichting aan Adams betaalde som van de drie facturen (hierboven genoemd:) A tot en met C als schadevergoeding. Grondslag van de vordering is onbehoorlijke taakvervulling van [T] (artikel 2:9 BW), althans onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De stichting beroept zich er op dat zij niet bevoegdelijk vertegenwoordigd werd bij het geven van de opdracht aan Adams voor het verrichten van de onder 2.3. genoemde werkzaamheden. Bovendien wijst de stichting erop dat in haar statuten expliciet is bepaald dat bestuurders niet betrokken mogen zijn bij de levering van diensten aan de stichting (artikel 10, hierboven geciteerd). Zij stelt dat bestuursleden [W] en [V] niet betrokken zijn geweest bij besluitvorming over het geven van de opdracht aan Adams. Bovendien, stelt de stichting, zijn de gefactureerde bedragen buiten proportie.

Daartegenover stelt [T] dat het voltallige bestuur gekend is in het geven van de opdracht aan Adams en wist dat voor de werkzaamheden een commercieel tarief zou worden gerekend. Er is door Adams behoorlijk wat werk verzet, zowel ten aanzien van de aankoop, financiering en inruil van de ijsdweilmachine, als met betrekking tot de dreigende intrekking van de gebruikersvergoeding. [T] beroept zich op de hem verleende decharge, doordat het bestuur van de stichting de jaarrekening 2007/2008 heeft goedgekeurd. Bovendien, voert [T] aan, is hem finale kwijting verleend toen hij in augustus 2009 namens Adams de helft van factuur D crediteerde.

Toepasselijke norm

4.2. De stichting grondt haar vordering op [T] op onbehoorlijke taakvervulling en op onrechtmatig handelen. Hierna zal uitsluitend worden gesproken over het verwijt van onbehoorlijke taakvervulling. Bij de beoordeling van het gestelde onrechtmatig karakter van het handelen van [T] zal immers, gezien HR 2 maart 2007, LJN AZ3535 (Holding Nutsbedrijf Westland NV), evenzeer als ‘drempel’ voor aansprakelijkheid de voor onbehoorlijke taakvervulling gehanteerde norm van ernstige verwijtbaarheid moeten worden toegepast.

Finale kwijting, decharge

4.3. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de nu vaststaande feiten (nog) niet de conclusie getrokken kan worden dat aan [T] tijdens het gesprek in augustus 2009 finale kwijting zou zijn verleend voor al hetgeen de stichting van [T] te vorderen zou kunnen hebben ter zake van de facturen A tot en met C. In haar overgelegde schriftelijke verklaring steunt mevrouw [U] het standpunt van [T] dat zulks bij die gelegenheid wel is gebeurd, maar de stichting heeft dat betwist.

Het is – gelet op de betwisting van de stichting – aan [T] om te bewijzen dat tijdens dat gesprek namens de stichting bevoegdelijk finale kwijting is verleend, en dat die kwijting ook zag op de facturen A tot en met C.

4.4. Ook de stelling van [T] dat hem decharge is verleend voor zijn handelingen met inbegrip van de aan Adams betaalde facturen A tot en met C in het boekjaar 2007/2008, kan de rechtbank vooralsnog niet volgen. In de eerste plaats is door [T] wel aangevoerd maar – gezien het verweer van de stichting – nog niet komen vast te staan, dat het bestuur van de stichting de jaarrekening 2007/2008 – na voorafgaande goedkeuring door de ledenvergadering van het district Sassenheim – daadwerkelijk heeft goedgekeurd. [T] zal dat moeten bewijzen. Uit de enkele omstandigheid dat de jaarrekening 2008/2009 is goedgekeurd door ondertekening van de twee overgebleven bestuursleden (in welke jaarrekening expliciet is voortgebouwd op de jaarrekening 2007/2008) kan niet zonder meer tevens goedkeuring van, en daarmee decharge voor, het boekjaar 2007/2008 besloten zijn. Gelet op het verstrekkende gevolg van decharge dat ingevolge de statuten van de stichting in de goedkeuring van de jaarrekening besloten ligt, is vereist dat een expliciet goedkeuringsbesluit over het betreffende boekjaar wordt genomen. Het is aan [T] om zijn stelling te bewijzen dat de jaarrekening 2007/2008 expliciet door het bestuur is goedgekeurd.

4.5. Maar met het bewijs dat het bestuur de jaarrekening 2007/2008 heeft goedgekeurd is [T] er nog niet. Hij zal immers ook moeten bewijzen – nu de stichting ook op dat punt gemotiveerd verweer voert – dat het voltallige bestuur bij de goedkeuring van de jaarrekening 2007/2008 wist of evident behoorde te weten dat in het betreffende boekjaar door Adams werkzaamheden waren verricht voor de stichting en wat, althans in welke orde van grootte, daarvoor door Adams is gefactureerd. De rechtbank gaat niet zover dat zij – om het beroep op kwijting te honoreren – de eis stelt dat facturen in de bestuursvergadering waarin de goedkeuring zou zijn verleend expliciet aan de orde moeten zijn gesteld. Wel moet voor een toereikende decharge verlangd worden dat de bestuurders zich er, ten tijde van de verlening van decharge, op basis van kennis opgedaan tijdens bestuursvergaderingen, bewust waren of moesten zijn dat ze [T] dechargeerden ter zake van de betalingen aan de aan hem gelieerde vennootschap Adams, voor de door deze gefactureerde werkzaamheden.

Wetenschap opdracht aan Adams bij bestuur

4.6. Zelfs al zou [T] niet slagen in het bewijs van de verlening van finale kwijting of de verlening van decharge, dan zal hij, gelet op het navolgende, niettemin verschoond kunnen blijven van aansprakelijkheid jegens de stichting. Onbehoorlijke taakvervulling zal hem immers niet kunnen worden verweten indien hij er in slaagt te bewijzen dat – zoals toenmalig bestuurssecretaris [U] dat in haar overgelegde verklaring suggereert – het gehele bestuur ervan op de hoogte was dat de werkzaamheden die bij de stichting in rekening zijn gebracht door middel van de facturen A tot en met C zouden worden verricht door de aan [T] gelieerde vennootschap Adams, en deze daarvoor een commercieel tarief in rekening zou brengen. Hoewel de statuten in artikel 10 geen uitzonderingsregeling bevatten, moet – in het kader van een redelijke en voor de hand liggende uitleg van die bepaling – worden aangenomen dat [T] als penningmeester wél namens de stichting zaken kon doen met de aan [T] gelieerde vennootschap, Adams, op basis van een commercieel tarief, mits alle overige bestuurders – die een dergelijk tegenstrijdig belang niet hadden – daarmee op voorhand unaniem hebben ingestemd. Op deze wijze zou, naar het oordeel van de rechtbank, ontheffing van het tegenstrijdig belang-verbod kunnen worden verleend.

En voor zover over deze benadering van de rechtbank anders gedacht zou (kunnen) worden, dan geldt dat – als voldaan is aan de zojuist genoemde voorwaarden – [T] omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepaling niet een ernstig verwijt oplevert (HR 29 november 2002, LJN AE7011 Schwandt/Berghuizer Papierfabriek).

[T] zal worden toegelaten tot het bewijs van zijn stellingen.

Schade

4.7. De stichting heeft er, zo verklaarde zij ter comparitie, ‘vooralsnog’ voor gekozen Adams niet aan te spreken wegens onverschuldigde betaling, op basis van de stelling dat de stichting onbevoegd vertegenwoordigd was. Zij heeft besloten de door haar gestelde schade geheel te verhalen op [T].

Voor zover later in deze procedure het oordeel zal luiden dat [T] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, komt alsdan aan de orde of en in hoeverre de stichting schade heeft geleden. Daarbij zal als uitgangspunt gelden dat een vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie waarin de stichting zou hebben verkeerd zonder de onbehoorlijke taakvervulling van [T], en de (financiële) positie waarin de stichting is terechtgekomen als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling.

De stichting meent dat de som van de volledige factuurbedragen haar schade vormt, omdat de door [T] en zijn mede-aandeelhouder [X] in naam van Adams verrichte werkzaamheden door [T], als onbezoldigd penningmeester, om niet verricht hadden moeten worden. Daartegenover heeft [T] ter comparitie verklaard dat hij de werkzaamheden die zijn verricht onmogelijk in de avonduren of in het weekend had kunnen verrichten, omdat de noodzakelijke gesprekken en onderhandelingen overdag moesten plaatsvinden.

4.8. Hoewel de regel, naar het oordeel van de rechtbank, zal zijn dat een onbezoldigd bestuur van een stichting alle werkzaamheden om niet verricht, is zeer wel denkbaar dat de bijzondere aard van de werkzaamheden en – zoals in dit geval – het feit dat werkzaamheden per se tijdens kantooruren verricht moeten worden, de toekenning van een commerciële vergoeding aan een (BV van de) bestuurder kan rechtvaardigen. Dat zal zich in het bijzonder kunnen voordoen als geen andere, kostenloze, oplossing om de belangen van de stichting naar behoren te behartigen, voorhanden is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat het huidige bestuur, zoals voorzitter [Y] ter comparitie verklaarde, werkzaamheden voor de stichting te allen tijde onbezoldigd verricht, niet beslissend zijn voor het oordeel over de redelijkheid van de uitbesteding van werkzaamheden aan Adams (waarmee [T] nu gemakshalve wordt vereenzelvigd) en het door Adams daarvoor gefactureerde. Dat betekent, kort en goed, dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van ‘schade’ bij de stichting, beoordeeld moet worden of er een andere, kostenloze oplossing mogelijk was en – zo neen – wat, onder de gegeven omstandigheden, een redelijke vergoeding was voor de verrichte werkzaamheden, gezien de aard van de werkzaamheden en de tijdsbesteding die ze vergden. Het ligt op de weg van de stichting haar stellingen op dit punt te preciseren, waarbij wellicht de specificaties van Adams – die er wel zijn maar kennelijk nimmer door de stichting zijn opgevraagd bij Adams – in ogenschouw genomen moeten worden.

Conclusies

4.9. In de beoordeling hierboven is duidelijk geworden dat op [T] de last rust het bewijs te leveren van verschillende stellingen. Als [T] niet slaagt in het leveren van het bewijs van (één van) de behandelde stellingen, staat zijn aansprakelijkheid vast. [T] heeft dan immers gehandeld in strijd met – in het bijzonder – artikel 10. Omdat geen (andere) omstandigheden naar voren zijn gebracht die ertoe zouden leiden dat aansprakelijkheid ontbreekt, staat alsdan de ernstige verwijtbaarheid vast, vanwege de veronachtzaming van artikel 10 van de statuten.

Dan komt aan de orde de omvang van de schade. De rechtbank heeft hierboven duidelijk gemaakt dat het zeker niet vast staat dat de stichting de in facturen A, B en C gefactureerde bedragen integraal als schade zal kunnen vorderen, en dat de stichting haar stellingen over de omvang van de schade zal moeten preciseren met inachtneming van het bovenstaande.

Vervolg

4.10. [T] zal worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hem finale kwijting door de stichting is verleend in het gesprek dat hij met secretaris [U] en de heer [Y] had in augustus 2009 en van de stelling dat hem decharge is verleend door goedkeuring door het bestuur van de jaarrekening 2007/2008, zulks met inachtneming van hetgeen daarover in ro. 4.4. en 4.5. is overwogen. Verder wordt [T] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de overige bestuursleden er unaniem in hebben toegestemd dat de werkzaamheden die bij de stichting in rekening zijn gebracht door middel van de facturen A tot en met C zouden worden verricht door de aan [T] gelieerde Adams en deze daarvoor een commercieel tarief in rekening zou brengen.

[T] zal op de in het dictum te vermelden roldatum moeten melden of hij het bewijs (mede) wenst te leveren door middel van getuigen. Indien dat het geval is zal hij de verhinderdata van beide partijen en – voor zover mogelijk – de te horen getuigen, alsmede het aantal van de te horen getuigen, aan de rechtbank kenbaar moeten maken, zulks over een periode van drie maanden. Voor zover [T] ook nog schriftelijk bewijs wenst te leveren, zal hij dat kunnen doen bij akte, uiterlijk 14 dagen voor de aanvang van het getuigenverhoor, of – voor zover [T] geen bewijs door getuigen wenst te leveren – bij akte 14 dagen nadien.

4.11. Nadien zal de stichting als eerste in de gelegenheid worden gesteld een conclusie na bewijslevering te nemen. De stichting zal bij die gelegenheid ook dienen in te gaan op de omvang van de schade waarvan zij vergoeding vordert, met inachtneming van hetgeen daarover in ro. 4.7. en 4.8. is overwogen. Daarna heeft [T] de gelegenheid een antwoordconclusie te nemen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat [T] toe tot het bewijs van zijn stellingen als bedoeld in ro. 4.10.;

5.2. verwijst de zaak naar de rol van 8 mei 2013 voor uitlating aan de zijde van [T] over de wijze van bewijslevering, als beschreven in ro. 4.10.

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.