Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9336

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
C-09-356451 - HA ZA 10-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Tussenvonnis. Geschil over de vraag wie (mede)aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan in een sluis. De sluismeester, in dienst van de Staat, had de schipper vooraf moeten waarschuwen dat de schutlengte in de sluis zeer krap was. Sprake van onrechtmatig handelen. De schipper heeft echter ook eigen schuld aan het ontstaan van de schade. De omvang van de uiteindelijke schade kan nu nog niet worden vastgesteld. Nadere toelichting noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/356451 / HA ZA 10-99

Vonnis van 10 april 2013

in de zaak van

1. [A],

wonende te [woonplaats], België,

2. de rechtspersoon naar het recht van haar plaats van vestiging

L' ALLIANCE BATELIÈRE DE LA SAMBRE BELGE,

gevestigd te Thuin, België,

eisers,

advocaat mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. drs. A. Divis-Stein te Utrecht.

Partijen worden hierna afzonderlijk [A], ABSB en de Staat genoemd. [A] en ABSB worden gezamenlijk aangeduid als [A] c.s. (in mannelijk enkelvoud).

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 november 2009;

- de akte producties (met producties 1-12) van 13 januari 2010 van [A] c.s.;

- de conclusie van antwoord van 7 april 2010, met producties 1-5;

- het tussenvonnis van 21 april 2010, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 januari 2011, inclusief de daarin genoemde nadere stukken;

- de akte na comparitie (met wijziging eis) van 30 november 2011 van de zijde van [A] c.s., met producties 13-15;

- de antwoordakte na comparitie van 21 maart 2012 van de zijde van de Staat, met producties 6-11;

- de akte uitlating producties van 2 mei 2012 van de zijde van [A] c.s.;

- de brieven van 7 en 23 februari 2013 van de advocaat van de Staat, met de producties 12 en 13;

- de producties 16 en 17 van de zijde van [A] c.s.;

- de pleitzitting op 28 februari 2013 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen van mr. A.P. Smit, advocaat te Rotterdam, namens [A] c.s., en de pleitnotities van de advocaat van de Staat.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. De Staat is eigenaar en beheerder van het sluizencomplex te Born, dat bestaat uit een oude kolk (westelijke sluis) en twee nieuwere kolken. De beide laatstbedoelde kolken zijn groter dan de eerstbedoelde.

2.2. Aan beide zijden van de oude kolk bevinden zich stopstrepen, die een schipper niet mag passeren. Deze zijn er om de sluismeester in staat te stellen met behulp van camera’s te zien of een schip in de juiste positie ligt voordat het schutten begint. Voorts zijn in de oude kolk vaste bolders en drijvende bolders aangebracht. De vaste bolders bevinden zich op de kade van de sluis en de drijvende bolders zijn lager in de sluismuren aangebracht. Afhankelijk van het waterpeil in de sluis zakken of stijgen deze drijvende bolders met enige vertraging mee met het waterpeil in de sluis. Indien het waterpeil in de sluis hoog is en het schutproces begint, bevinden de drijvende bolders zich nog onder water.

2.3. [A] is eigenaar en schipper van het binnenschip genaamd “Athina” (hierna: de Athina). De Athina is 134,92 meter lang.

2.4. Op 20 augustus 2007 is de Athina op aanwijzing van de sluismeester [sluismeester] (hierna: de sluismeester), die in dienst is van Rijkswaterstaat en dus van de Staat, de oude kolk binnengevaren, omdat op dat moment de beide andere kolken in de laagste stand stonden. Nadat de sluismeester via de marifoon aan [A] opdracht had gegeven om de Athina nog ongeveer een meter naar voren te varen, heeft [A] de Athina afgemeerd aan de vaste bolders en de schroef uitgezet. Vervolgens heeft de sluismeester het schutproces in werking gezet, waarbij hij het waterpeil heeft laten zakken. Tijdens het schutten is de Athina op de aanvaringsbalk terechtgekomen, waardoor schade is ontstaan aan de aanvaringsbalk, die voor een van de deuren van de oude kolk is aangebracht.

2.5. Bij brief van 20 augustus 2007 heeft de Staat [A] aansprakelijk gesteld voor de onder 2.4 genoemde schade en hem tevens verzocht een waarborgsom van

€ 130.000 te storten. ABSB, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [A], heeft deze waarborgsom op 27 augustus 2007 voldaan.

2.6. In een brief van 23 juli 2008 heeft de Staat aan ABSB bericht dat de herstelkosten € 127.624,60 hebben bedragen en dat ABSB recht heeft op restitutie van het teveel betaalde bedrag van € 2.375,40. De Staat heeft laatstgenoemd bedrag vervolgens aan ABSB betaald.

2.7. ABSB heeft bij brief van 12 november 2008 de Staat verzocht de waarborgsom terug te storten, omdat volgens haar [A] geen schuld had aan de schade. De Staat heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven.

2.8. Op verzoek van [A] c.s. heeft Expertise-en Ingenieursbureau Verschoor & Bras BV, onder meer, de lengte van de oude kolk en de afstand tussen de stopstrepen opgemeten. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een rapport van 25 oktober 2011. In dit rapport is onder meer vermeld dat (i) de afstand tussen de binnenkant van de ene stopstreep naar de binnenkant van de andere stopstreep in 2007 133,10 meter was en (ii) in 2010 de stopstreep aan de noordzijde over een lengte van 1,40 meter is verplaatst naar de richting van de aanvaringsbalk.

2.9. Op verzoek van de Staat heeft het bedrijf Linders meten en peilen BV op 16 februari 2012 de oude kolk opgemeten. Volgens dit bedrijf is de afstand van stopstreep naar stopstreep 134,86 meter.

3. Relevante bepalingen van het Binnenvaart Politiereglement (BPR)

Artikel 1.04. Voorzorgsmaatregelen

De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:

o a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;

o b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;

o c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.

Artikel 1.05. Afwijking van het reglement

De schipper moet in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, voorzover dit door de bijzondere omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt is geboden, volgens goede zeemanschap afwijken van de bepalingen van dit reglement.

Artikel 6.28. Doorvaren van sluizen

[…]

3. Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip, dat met een marifooninstallatie is uitgerust uitluisteren op het kanaal van de sluis.

[…]

9. In een sluis

a. moeten een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting ligplaats nemen binnen de door stopstrepen of op andere wijze aangegeven grenzen;

b. moet tijdens het vullen en het ledigen van de sluiskolk en totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan een schip zodanig zijn gemeerd en moet het zijn meerdraden zodanig vieren of doorhalen, dat het niet de sluismuren, de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel andere schepen of drijvende voorwerpen kan beschadigen;

[…]

15. De bevoegde autoriteit kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan, te verzekeren, wanneer een schip zich in een sluis of op een wachtplaats daarvan bevindt, aan de schipper een verkeersaanwijzing geven. Daarbij kan dit artikel worden aangevuld, dan wel daarvan worden afgeweken.

De schipper is verplicht aan deze verkeersaanwijzing gevolg te geven.

In bijlage D van het BPR is, onder meer, vermeld dat de maximale schutlengte in de oude kolk 132,50 meter is.

4. Het geschil

4.1. [A] c.s. vordert na eiswijziging – samengevat – de veroordeling van de Staat tot (terug)betaling van: (i) het onder 2.6 genoemde bedrag van € 127.624,60, vermeerderd met wettelijke rente, (ii) een schadevergoeding van € 7.074 in totaal en (iii) de proceskosten.

4.2. [A] c.s. heeft – samengevat – het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. De Staat weigert ten onrechte het niet teruggestorte deel van de waarborgsom terug te betalen. De schade in de oude kolk is namelijk niet te wijten aan de schuld van hem, [A], of “schuld van het schip”, maar aan de schuld van de Staat. In ieder geval is de Staat in hoofdzaak verantwoordelijk en aansprakelijk voor de ontstane schade. Zo heeft de sluismeester nagelaten hem, [A], te waarschuwen dat de oude kolk niet gebruikt mocht worden voor schepen langer dan 132,50 meter. Voorts heeft de sluismeester ondanks alle risico’s hem geïnstrueerd de Athina de oude kolk in te varen, terwijl hij wist dat de Athina te groot was om tussen de stopstrepen te passen en dat er maar zeer weinig ruimte over was tot de aanvaringsbalk. Hierdoor heeft de sluismeester bewust het risico genomen dat er schade zou ontstaan.

Nu de Staat zich kennelijk beroept op verrekening van de borgsom met de door hem geleden schade, rust op de Staat de bewijslast dat de schade is veroorzaakt door feiten en omstandigheden waarvoor hij, [A], aansprakelijk is.

De Staat heeft in strijd met gemaakte afspraken, de schade niet op basis van nacalculatie vastgesteld. Het recht om de hoogte van de schade te betwisten wordt voorbehouden.

4.3. De Staat voert verweer. Dit kan als volgt worden samengevat.

- De oude kolk is geschikt voor schepen van 135 meter en was niet te krap om de Athina veilig te kunnen schutten.

- Op grond van artikel 6.28 lid 15 BPR mocht de sluismeester afwijken van de in het BPR vermelde schutlengte van 132,50 meter.

- De sluismeester heeft [A] weliswaar een verkeersaanwijzing geven om in de oude kolk te schutten, maar gezien het bepaalde in de artikelen 1.04 en 1.05 BPR was [A] niet verplicht deze verkeersaanwijzing op te volgen.

- [A] kende de afmetingen van de oude kolk en wist dat er voor de Athina weinig ruimte tussen de stopstrepen was. Op grond van de artikelen 1.04 en 1.05 BPR had [A] ook kunnen wachten totdat de (grotere) andere kolken weer beschikbaar zouden zijn.

- De stopstrepen, die zich vóór de aanvaringsbalk bevinden, waren goed zichtbaar en [A] had deze kunnen en moeten zien. Ook de aanvaringsbalk zelf is bij hoog en laag water zichtbaar.

- [A] is verantwoordelijk voor het verdere verloop van het nivelleringsproces tijdens het schutten.

- [A] heeft in strijd met artikel 6.28 lid 9 sub b BPR gehandeld. Hij had de Athina moeten vastleggen aan de drijvende bolders in de oude kolk, maar heeft dit niet gedaan. Voorts heeft hij nagelaten de touwen te laten vieren en weer “door te halen”, om zo te voorkomen dat er speling in de touwen kwam.

- [A] heeft in strijd met artikel 6.28 lid 3 BPR gehandeld, omdat hij zijn marifoon niet heeft uitgeluisterd. Hierdoor kon de sluismeester geen contact met hem krijgen op het moment dat het fout ging en kon de sluismeester hem ook niet waarschuwen.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Partijen geven een verschillend antwoord op de vraag wie (mede)aansprakelijk is voor de schade aan de aanvaringsbalk. Volgens [A] c.s. is de schade ontstaan door de schuld van de Staat, omdat de sluismeester onzorgvuldig heeft gehandeld. De Staat bepleit het tegendeel en voert aan dat [A] verwijtbaar heeft gehandeld en dat de schade het gevolg is van een opeenstapeling van fouten aan zijn zijde.

5.2. De rechtbank stelt voorop dat op de Staat in beginsel de plicht rust de door [A] c.s. betaalde borgsom terug te betalen, tenzij hij stelt en bij betwisting bewijst dat de [A] aansprakelijk is voor de schade. Ingevolge artikel 8:1004 van het Burgerlijk Wetboek bestaat een wettelijke vermoeden dat het schip aansprakelijk is, tenzij blijkt dat de aanraking niet is veroorzaakt door de schuld van het schip. Stelplicht en bewijslast daarvan rusten op grond van deze bijzondere regel op [A] c.s.

5.3. Bij de beoordeling neemt de rechtbank voorts tot uitgangspunt – zoals ten dele al onder de vaststaande feiten is vermeld – dat tussen partijen niet in geschil is dat (i) de maximale schutlengte in de oude kolk 132,50 meter is, (ii) de Athina gezien de lengte van 134,92 meter niet tussen de stopstrepen paste en (iii) er weinig ruimte over was tot de aanvaringsbalk. Het betoog van de Staat dat [A] bekend was met de afmetingen van de oude kolk en wist dat er voor de Athina weinig ruimte was tussen de stopstrepen, wordt verworpen. Uit het door de Staat overgelegde overzicht (productie 13) volgt immers dat de Athina vóór het incident op 20 augustus 2007 alleen één keer is geschut in de (grotere) middenkolk en niet, zoals de Staat heeft aangevoerd, al een keer eerder is geschut in de oude kolk. Andere feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [A] bekend was met de krappe schutruimte in de oude kolk, heeft de Staat niet aangevoerd. Nu [A] c.s. verder onbetwist heeft aangevoerd dat de sluismeester hem, vóórdat hij de oude kolk invoer, niet heeft meegedeeld dat de schutlengte 132,50 meter was, gaat de rechtbank hierna ervan uit dat [A] vooraf niet bekend was met de zo krappe

schutlengte. De sluismeester was echter wel bekend met het feit dat de Athina niet tussen de stopstrepen paste en dat er weinig ruimte was om te schutten. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de sluismeester [A] vooraf had moeten waarschuwen dat de schutlengte 132,50 meter was en dat er zeer krap geschut moest worden. Nu dit niet is gebeurd, heeft de Staat in zoverre onrechtmatig jegens [A] c.s. gehandeld en is hij in beginsel aansprakelijk is voor de hierdoor ontstane schade.

5.4. Aan de orde is dan de vraag of [A] eigen schuld heeft aan de schade aan de aanvaringsbalk. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

5.5. Enerzijds heeft te gelden dat als [A] tijdig en volledig zou zijn geïnformeerd dat de schutlengte in de oude kolk zeer krap was, hij misschien ervoor zou hebben gekozen om te wachten op een plekje in één van de twee grotere nieuwere kolken. Dan zou de schade niet zijn ontstaan. In zoverre was het achterwege blijven van een waarschuwing van de sluismeester een conditio sine qua non voor het optreden van de schade. Anderzijds had [A] kunnen en moeten zien dat de Athina de stopstrepen had gepasseerd en had hij, ook zonder waarschuwing vooraf, alerter moeten reageren en (bijvoorbeeld) in nauwer contact met de sluismeester moeten staan om een goede “strategie” te bepalen. Hiervoor was temeer aanleiding nu [A] niet eerder in de oude kolk had geschut. Daar komt bij dat hij zelf heeft aangevoerd dat het door het gewicht van de Athina onmogelijk was om, ook als de lijnen strak worden gehouden, het schip geheel stil te houden. Een en ander leidt de rechtbank tot de slotsom dat het ontstaan van de schade aan de aanvaringsbalk in enige mate moet worden toegerekend aan eigen schuld van [A]. De rechtbank begroot dit deel op 25%. Dit brengt mee dat de Staat de schade aan de aanvaringsbalk voor 75% zelf dient te dragen.

5.6. Ten aanzien van de schade aan de aanvaringsbalk heeft [A] c.s. aangevoerd dat de Staat deze, in strijd met gemaakte afspraken, niet op basis van nacalculatie heeft vastgesteld. De Staat heeft betwist dat is afgesproken dat de schade op basis van nacalculatie moest worden bepaald. Voorts heeft hij aangevoerd dat [A] c.s. geen enkel nadeel ondervindt als er niet op nacalculatie is afgerekend, omdat de uiteindelijke herstelkosten exact hetzelfde zijn als het geoffreerde bedrag. Ter toelichting hiervan heeft hij een offerte en een specificatie overgelegd (zie zijn producties 2 en 3 bij de conclusie van antwoord). De rechtbank is van oordeel dat zij thans niet kan vaststellen wat de omvang van de schade is. Het enkel overleggen van een offerte en een specificatie door de Staat is in dit kader onvoldoende. Zij zal de Staat alsnog in de gelegenheid stellen zijn stellingen nader toe te lichten en te documenteren. [A] c.s. mag hierop vervolgens bij antwoordakte reageren.

5.7. De Staat heeft de hoogte van de door [A] c.s. gevorderde expertisekosten op zichzelf niet betwist. Deze hoogte staat dus vast. In het eindvonnis zal de rechtbank een antwoord geven op de vraag wie deze kosten moet dragen.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 mei 2013 voor akte na tussenvonnis aan de zijde van de Staat;

6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2013.?