Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9313

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
AWB 13/7998
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het kader van de belangenafweging na het constateren van een schending van de inspanningsverplichting weegt de rechtbank mee dat de vreemdeling ongewenst is verklaard. Weliswaar kan uit de ongewenstverklaring van de vreemdeling in deze zaak geen onttrekkingsgevaar worden gedestilleerd, nu de vreemdeling geen gelegenheid heeft gehad gehoor te geven aan de onmiddellijke vertrekplicht omdat hij direct in vreemdelingenbewaring is gesteld, echter dit neemt niet weg dat daaraan wel belang kan worden toegekend in het kader van de thans aan de orde zijnde belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/7998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2013, beroep vrijheidsontnemende maatregel in de zaak tussen

[vreemdeling], V-nummer [nummer],

(gemachtigde: mr. A. van Luyck),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Op 24 maart 2013 heeft de vreemdeling een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. Middelkoop, namens zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig drs. A. Visser-Szendi, tolk in de Hongaarse taal.

Overwegingen

1 De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1978 en de Hongaarse nationaliteit te hebben. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 22 maart 2013 waarbij de vreemdeling de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

2 Verweerder heeft de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en

onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in het belang van de openbare orde in bewaring gesteld, omdat een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft zich daartoe gebaseerd op de volgende gronden:

- dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

- dat hij zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 heeft gehouden;

- dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- dat hij verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; en

- dat hij ongewenst vreemdeling is als bedoeld in artikel 67 Vw 2000 of tegen hem met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 een inreisverbod is uitgevaardigd.

3 De vreemdeling stelt zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is en heeft daartoe aangevoerd dat het feit dat hem geen vertrektermijn is gegund in strijd is met het bepaalde in artikel 8.24, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit. Subsidiair is betoogd dat de vreemdeling de gelegenheid had moeten krijgen om Nederland zelfstandig te verlaten. De gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd, zijn onjuist en kunnen ook overigens de maatregel niet dragen. Meer subsidiair is betoogd dat nu verweerder zich gedurende de aan de vreemdelingrechtelijk bewaring voorafgaande strafrechtelijke detentie onvoldoende heeft ingespannen om te voorkomen dat de vreemdeling in vreemdelingenbewaring behoefte te worden gesteld.

4 Verweerder heeft hetgeen is aangevoerd gemotiveerd weersproken.

5 Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers primaire betoog niet slagen. De vertrektermijn van nul dagen volgt immers uit de ongewenstverklaring van 14 maart 2013, welk besluit thans niet ter toetsing voorligt.

6 Met de vreemdeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder noch de strafrechtelijke veroordeling noch de ongewenstverklaring ten grondslag heeft kunnen leggen aan het gestelde onttrekkingsgevaar, het strafbare feit niet is gerelateerd aan de uitzetting en de vreemdeling tussen het moment van ongewenstverklaring en zijn vreemdelingrechtelijke inbewaringstelling geen gelegenheid heeft gekregen om gevolg te geven aan de onmiddellijke vertrekplicht. Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij zich niet heeft gemeld en zich op die wijze heeft onttrokken aan toezicht. In het (straf)dossier bevinden zich aanwijzingen dat hij reeds gedurende 4 jaar zich in Nederland bevindt. Hij heeft daarentegen zijn stelling dat hij zich niet had hoeven melden niet onderbouwd. Ter zitting heeft hij tevens aangegeven dat hij in de afgelopen 4 jaar regelmatig in Nederland heeft verbleven, gedurende 2, 3 of 4 maanden. Daaruit volgt dat hij zich in ieder geval had moeten melden die keren dat hij langer dan 4 maanden in Nederland was, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarnaast heeft de vreemdeling geen vaste woon of verblijfplaats in Nederland. Het feit dat hij dit wel heeft in Hongarije doet niet af aan de omstandigheid dat hij in Nederland niet traceerbaar is voor de autoriteiten. Op basis van deze gronden heeft verweerder eiser in bewaring mogen stellen.

7 Met betrekking tot het meer subsidiaire betoog overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn beleid, Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, hoofdstuk A6/5.3.7.1, heeft neergelegd dat zoveel als mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden. Gelet op dit uitgangspunt van beleid, dat een inspanningsverplichting behelst en niet een garantie aan de vreemdeling dat na strafrechtelijke detentie geen vreemdelingenbewaring meer zal worden toegepast, is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verweerder niet heeft voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld, de bewaring niet onrechtmatig maakt. Verwezen wordt naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), onder meer de uitspraak van 11 februari 2002, JV 2002, 141. Niet gebleken is dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

Hierbij weegt de rechtbank mee de hiervoor genoemde gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag gelegd konden worden als ook de omstandigheid dat verweerder na aanvang van de bewaringsmaatregel bijzondere voortvarendheid heeft betracht bij de uitzetting. Reeds op 26 maart 2013 is een regievoerder aangewezen, een vertrekgesprek gevoerd, als ook een vlucht aangevraagd. De vreemdeling wordt op 3 april 2013 uitgezet. Ook weegt de rechtbank mee dat de vreemdeling ongewenst is verklaard. Weliswaar kan uit de ongewenstverklaring van de vreemdeling op dit moment geen onttrekkingsgevaar worden gedestilleerd zoals hiervoor reeds is overwogen, echter dit neemt niet weg dat daaraan wel belang kan worden toegekend in het kader van de thans aan de orde zijnde belangenafweging.

Er is gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met de Vw 2000, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

8 Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

9 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van J.J. Kip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)