Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9290

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
SGR 12/10101
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2267, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling excellente studenten. Artikel 7.57b, eerste lid WHB.

Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak Raad van State van 7 september 2011 (LJN: BR6920) op basis van een onderzoek verricht door het Nuffic en met gebruikmaking van voorhanden zijnde statistische gegevens, een lijst samengesteld om voor buitenlandse diploma’s (Studenten uit EU Lidstaten) tot vaststelling van de A-categorie te kunnen komen. In Nederland haalt 3,8% van de studenten een 8 of hoger. In Italië haalt 5,6% 100 uit 100 (zonder lode = cum laude). Op grond van deze percentages geldt voor Italiaanse studenten dat zij 100 uit 100 (zonder lode) moeten halen, willen zij ingedeeld worden in de A klasse. Eiser heeft een studieresultaat behaald van 85 uit 100 en voldoet daarmee niet aan de norm om ingedeeld te worden in lotingsklasse A. Verweerder is met het samenstellen van bovengenoemde lijst voldoende tegemoetgekomen aan de uitspraak van de Raad van State van 7 september 2011. Hoewel aan de regeling een zekere grofheid kleeft omdat bij de vergelijking van de Italiaanse studieresultaten alle schooltypes zijn gebruikt en er voorts geen sprake is van een individuele beoordeling op basis van die vergelijking, is de rechtbank van oordeel dat met de regeling de aan de nationale wetgever toekomende beoordelingsvrijheid bij de inrichting van de kwaliteitseisen, met het oog op selectie bij de toegang tot het onderwijs, niet is overschreden. Daarbij komt dat verweerder voor Italiaanse studenten een ruimere grens hanteert dan voor Nederlandse, hetgeen niet ten nadele van eiser is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 12/10101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats] (Italië),

(gemachtigde: mr. S.M.M. Teklenburg),

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen het hierna onder 3 te noemen besluit bezwaar gemaakt.

Bij beslissing van 1 oktober 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013.

Namens eiser is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen

mr. F. Hummel-Fekkes.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft een opleiding gevolgd aan het Liceo Scientifico te [plaats] (Italië). Eiser heeft op 11 juli 2012 het aan deze opleiding verbonden diploma gehaald. Blijkens de bij de stukken gevoegde cijferlijst heeft eiser 85 uit 100 punten gehaald.

2. Eiser heeft voor het studiejaar 2012-2013 toelating verzocht tot de opleiding B Tandheelkunde aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.

3. Bij bericht van 25 juli 2012 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij is uitgeloot voor deze opleiding.

Geschil

4. In geschil is de uitloting van eiser voor bovenstaande opleiding. Eiser stelt dat hij is uitgeloot omdat verweerder hem ten onrechte heeft ingedeeld in lotingsklasse C. Eiser stelt dat er sprake had moeten zijn van plaatsing in klasse A. De normen in de regeling die verweerder thans hanteert naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 7 september 2011 zijn niet vastgesteld op de manier die door de Raad is beoogd en zo er al een norm voor eiser is vastgesteld dan is die niet op hem van toepassing omdat de regeling pas in juni 2012 tot stand is gekomen heeft eiser daarmee in zijn examenjaar geen rekening kunnen houden. Eiser beroept zich voorts op het gelijkheidsbeginsel. De broer van eiser heeft voor het studiejaar 2011-2012 (wel) een voorwaardelijk bewijs van toelating voor de opleiding tandheelkunde gekregen. Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is.

Eiser concludeert tot gegrond verklaring van het beroep, vernietiging van het bestreden besluit en afgifte van een (voorlopig) bewijs van toelating voor de door eiser aangegeven opleiding.

5. Verweerder heeft gesteld dat na de uitspraak van de Raad van State een tabel is gemaakt voor de beoordeling van buitenlandse studieresultaten. Eiser is op basis van zijn studieresultaten ingedeeld in lotingsklasse C. Verweerder concludeert tot ongegrond- verklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

6. Ingevolge artikel 7.57b, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) deelt Onze minister degenen die op grond van artikel 7.24, eerste of tweede lid, inschrijving verlangen voor een opleiding, aan de hand van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer in vijf klassen in.

Volgens het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde klassen als grenzen:

A. hoger dan of gelijk aan 8,

B. lager dan 8 maar hoger dan of gelijk aan 7,5,

C. lager dan 7,5 maar hoger dan of gelijk aan 7,

D. lager dan 7 maar hoger dan of gelijk aan 6,5 en

E. lager dan 6,5.

De klassen B tot en met E worden aangeduid als lotingsklassen. Plaatsing in klasse A geeft directe toegang tot universitaire opleidingen met een numerus fixus.

7. Naar aanleiding van de uitspraak Raad van State van 7 september 2011 (LJN: BR6920) heeft verweerder op basis van een onderzoek verricht door het Nuffic en met gebruikmaking van voorhanden zijnde statistische gegevens, een lijst samengesteld om voor buitenlandse diploma’s (Studenten uit EU Lidstaten) tot vaststelling van de A-categorie te kunnen komen. In Nederland haalt 3,8% van de studenten een 8 of hoger. In Italië haalt 5,6% 100 uit 100 (zonder lode = cum laude). Op grond van deze percentages geldt voor Italiaanse studenten dat zij 100 uit 100 (zonder lode) moeten halen, willen zij ingedeeld worden in de A klasse. Eiser heeft een studieresultaat behaald van 85 uit 100 en voldoet daarmee niet aan de norm om ingedeeld te worden in lotingsklasse A. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met het samenstellen van bovengenoemde lijst voldoende tegemoetgekomen aan de uitspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 7 september 2011. Hoewel aan de regeling een zekere grofheid kleeft omdat bij de vergelijking van de Italiaanse studieresultaten alle schooltypes zijn gebruikt en er voorts geen sprake is van een individuele beoordeling op basis van die vergelijking, is de rechtbank van oordeel dat met de regeling, de aan de nationale wetgever toekomende beoordelings- vrijheid bij de inrichting van de kwaliteitseisen, met het oog op selectie bij de toegang tot het onderwijs, niet is overschreden. De rechtbank overweegt daarbij dat in de regeling een percentage van 5.6% van alle Italiaanse studenten 100 uit 100 (zonder lode) behaalt en daarmee in aanmerking komt om te worden ingedeeld in lotingklasse A, terwijl voor Nederlandse studenten een percentage van 3.8 % gemiddeld 8 of hoger haalt. In die zin hanteert verweerder voor Italiaanse studenten een ruimere grens dan voor Nederlandse, hetgeen niet ten nadele van eiser is.

8. De stelling van eiser dat de regeling niet op hem van toepassing kan zijn omdat de regeling pas in juni 2012 tot stand is gekomen en eiser daarmee in zijn examenjaar geen rekening heeft kunnen houden, kan niet slagen. De regeling is vastgesteld in juni 2012 en eiser heeft zijn diploma gehaald in juli 2012. Eiser valt derhalve wel onder de regeling die, zoals hierboven is overwogen, niet ten nadele van hem werkt. De stelling van eiser dat, indien hij eerder van de regeling op de hoogte was geweest, hij daarmee rekening had kunnen houden -wat daar verder ook van zij- maakt het bovenstaande niet anders.

Gelijkheidsbeginsel

9. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Vast staat dat aan de broer van eiser bij wijze van uitzondering en na kennisname van de uitspraak van de Raad van State van 7 september 2011 een voorwaardelijk toelatingsbewijs voor de opleiding tandheelkunde is afgegeven en dat (de gemachtigde van) eiser daarvan op de hoogte was. Onder deze omstandigheden kan eiser geen gerechtvaardigd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel.

Hoorplicht

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft besloten dat er sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank overweegt dat tot het achterwege laten van een hoorzitting op grond van artikel 7:3 van de Awb in het algemeen met grote terughoudendheid dient te worden besloten. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar ongegrond is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Gelet op de feiten en omstandigheden van dit geschil leent het zich niet voor een kennelijkheidsoordeel. Er is dan ook geen sprake van een situatie dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar. Het beroep zal om die reden gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal wegens schending van de in artikel 7:2 van de Awb vervatte hoorplicht worden vernietigd.

11. Nu de gemachtigde van eiser in beroep naar het oordeel van de rechtbank alsnog voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaren nader toe te lichten, zal de rechtbank onderzoeken of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet in hetgeen hierboven is overwogen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Proceskosten

12. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.