Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9282

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/9553 en AWB 13/1551
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidie lokale omroep; toereikend media-aanbod.

“Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 7 september 2011, LJN BX4169) is zij van oordeel dat verweerder niet gehouden is de (gehele) rijksbijdrage van € 1,30 per woonruimte die aan het gemeentefonds is toegevoegd in de vorm van subsidie aan de lokale publieke media-instelling te verstrekken.”

“Wel geldt daarbij dat een gemeentebestuur dat de bekostiging relateert aan de rijksbijdrage bevrijd is van de last om aannemelijk te maken dat met het toegekende bedrag een toereikend media-aanbod kan worden gerealiseerd. Op een gemeentebestuur dat besluit een lager bedrag als bekostiging toe te kennen, rust die last wel. In dit geding is dan ook aan de orde of verweerder geslaagd is in zijn last om aannemelijk te maken dat eiseres met de uiteindelijk toegekende bekostiging een toereikend media-aanbod kan realiseren”.

In dit geval concludeert de rechtbank dat verweerder niet overtuigend aannemelijk heeft gemaakt dat een toereikend media-aanbod kan worden verzorgd met een bedrag dat lager is dan het bedrag van € 1,30 per woning ergo € 13.000 per jaar. Verweerder had de activiteiten van eiseres dan ook volgens die norm moeten bekostigen.

De rechtbank voorziet vervolgens zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/9553 en AWB 13/1551

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2013 in de zaak tussen

de stichting Stichting Streekomroep Braassemermeer (SBB), te Roelofarendsveen, eiseres,

(gemachtigde: mr. M.I. Robichon-Lindenkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.A. Boere).

Procesverloop

AWB 12/9553

Bij besluit van 14 december 2010 heeft verweerder de bekostiging van eiseres als lokale publieke media-instelling over 2011 vastgesteld op € 3.700,--.

Tegen dat besluit heeft eiseres bij brief van 24 januari 2011 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft verweerder de bekostiging van eiseres als lokale publiek media-instelling over 2012 vastgesteld op € 3.700,--.

Tegen dat besluit heeft eiseres bij brief van 1 maart 2012 bezwaar gemaakt.

Eiseres is op 28 maart 2012 over haar bezwaren gehoord door de Adviescommissie Bezwaren en Klachten (hierna: de commissie). Op 27 augustus 2012 heeft de commissie advies uitgebracht aan verweerder.

Bij besluit van 13 september 2012 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie, de bezwaren van eiseres gegrond verklaard en de bekostiging over 2011 vastgesteld op € 5.771,-- en de bekostiging over 2012 vastgesteld op € 6.885,--.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 oktober 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd een verweerschrift ingediend.

AWB 13/551

Bij brief van 30 januari 2013 heeft verweerder eiseres meegedeeld de bekostiging van eiseres als lokale publieke media-instelling over 2013 nog niet te kunnen vaststellen en een voorschot verstrekt van € 6.885,--.

Daartegen heeft eiseres bij brief van 4 februari 2013 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft ingestemd met het daarin opgenomen verzoek om rechtstreeks beroep bij de rechtbank in te stellen en het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brieven van 26 februari 2013, 28 februari 2013 en 4 maart 2013 nadere gronden ingediend en stukken overgelegd.

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft verweerder de bekostiging van eiseres als lokale publieke media-instelling over 2013 vastgesteld op € 6.894,95.

Het door eiseres ingestelde rechtstreeks beroep wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 14 maart 2013, waarmee beide partijen ter zitting hebben ingestemd.

De beroepen zijn op 20 maart 2013 gevoegd ter zitting behandeld.

Namens SBB zijn verschenen: [A], voorzitter en [B], secretaris, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. J. de Jong-Kransse.

Overwegingen

1.1. Eiseres is een lokale publieke media-instelling als bedoeld in de Mediawet 2008.

1.2.1. Ingevolge artikel 2.170a, eerste lid, van de Mediawet 2008 zorgt het college van burgemeester en wethouders voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.62, eerste lid, heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c.

Ingevolge het tweede lid betreft de bekostiging vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke omroepdienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd.

1.2.2. De bekostiging van een lokale publieke media-instelling valt niet onder de reikwijdte van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) over subsidies omdat bij de inwerkingtreding van deze titel de Mediawet 2008 van toepassing is uitgezonderd.

2.1. Bij brief van 6 januari 2010 heeft eiseres verzocht om de bekostiging over 2010 vast te stellen op € 13.060,-- gebaseerd op € 1,30 per woonruimte in de gemeente (10.047 maal € 1,30). Voor het jaar 2011 heeft zij verzocht om de bekostiging vast te stellen op € 13.000,-- eveneens gebaseerd op € 1,30 per woonruimte. Bij brief van 10 januari 2013 heeft zij verzocht om de bekostiging voor het jaar 2013 vast te stellen.

2.2. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op het standpunt dat verweerder niet gehouden is de (gehele) rijksbijdrage van € 1,30 per woonruimte die aan het gemeentefonds is toegevoegd in de vorm van bekostiging aan de lokale publieke media-instelling te verstrekken. Anders dan verweerder in zijn verweerschrift heeft gesteld, kan het bestreden besluit niet gebaseerd zijn op de Algemene Subsidieverordeningen 2011 en 2012 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregels, nu verweerder – door overneming van het advies van de commissie – zich op het standpunt heeft gesteld dat deze regelgeving niet van toepassing is. Verweerder heeft zich door overneming van het advies bovendien – naar het oordeel van de rechtbank terecht – op het standpunt gesteld dat het hanteren van een subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud in strijd is met artikel 2:170a van de Mediawet.

Verweerder heeft de bekostiging gebaseerd op een beoordeling van de begroting van eiseres over de desbetreffende jaren, waarbij zij als toetsingsmaatstaf heeft genomen of de opgevoerde kosten reëel zijn en noodzakelijk om te kunnen voorzien in een toereikend media-aanbod. Gelet op de penibele financiële situatie van de gemeente is verweerder daarbij uitgegaan van een minimaal niveau van bekostiging. Verweerder heeft een aantal begrotingsposten buiten twijfel geacht, van een aantal posten het bedrag verminderd en een aantal posten geheel buiten beschouwing gelaten omdat deze ofwel niet goed zijn onderbouwd ofwel niet is aangetoond dat de activiteiten waarop deze posten zien benodigd zijn om in een toereikend media aanbod te voorzien. Laatstgenoemde posten betreffen de kosten van de website.

2.3. Eiseres heeft in beroep betoogd dat de Mediawet 2008 per 1 januari 2010 is gewijzigd door invoering van een expliciete financieringsplicht in artikel 2.170a Mediawet door aanname van het amendement Van der Ham en Van Dijk. Uit de toelichting op het amendement en de memorie van antwoord blijkt volgens eiseres dat het de bedoeling is dat het bedrag dat destijds met het oog op de financiering van de lokale omroep bij de fiscalisering van de omroepbijdrage in het gemeentefonds is gestort, in beginsel aan de lokale media-instelling ten goede komt. Eiseres heeft daarbij ook verwezen naar de aanbeveling van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de brief van het Commissariaat voor de Media uit 2009, waaruit blijkt dat het bedrag van € 1,30 een ondergrens is. Verder verwijst eiseres naar de ledenbrief van de VNG van 6 april 2012. Eiseres stelt zich op het standpunt dat € 1,30 per woonruimte een normbedrag is, dat is bedoeld om discussies over specifieke uitgaven en investeringen te voorkomen. Verweerder heeft de bekostiging ten onrechte gebaseerd op een beoordeling van de diverse begrotingsposten over de desbetreffende jaren. Verweerder is zodoende ten onrechte op de stoel van het bestuur van de stichting gaan zitten. Subsidiair heeft eiseres de vermindering en het buiten beschouwing laten van een aantal begrotingsposten betwist.

3.1. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 7 september 2011, LJN BX4169) is zij van oordeel dat verweerder niet gehouden is de (gehele) rijksbijdrage van € 1,30 per woonruimte die aan het gemeentefonds is toegevoegd in de vorm van subsidie aan de lokale publieke media-instelling te verstrekken. Voor een andersluidend oordeel is in de Mediawet 2008 geen steun te vinden. Ook uit de wetsgeschiedenis en de door eiseres overgelegde stukken van de VNG en het Commissariaat volgt niet dat verweerder verplicht is de rijksbijdrage in zijn geheel aan eiseres te verstrekken. Dat uit deze stukken de wenselijkheid naar voren komt dat de rijksbijdrage die via het gemeentefonds bij de gemeente terechtkomt ook daadwerkelijk ten goede komt aan de lokale omroep, doet niet af aan de vrijheid van het gemeentebestuur om de hoogte van de gemeentelijke bijdrage aan de lokale omroep zelf vast te stellen.

3.2. Wel geldt daarbij dat een gemeentebestuur dat de bekostiging relateert aan de rijksbijdrage bevrijd is van de last om aannemelijk te maken dat met het toegekende bedrag een toereikend media-aanbod kan worden gerealiseerd. Op een gemeentebestuur dat besluit een lager bedrag als bekostiging toe te kennen, rust die last wel. In dit geding is dan ook aan de orde of verweerder geslaagd is in zijn last om aannemelijk te maken dat eiseres met de uiteindelijk toegekende bekostiging een toereikend media-aanbod kan realiseren. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.1. Volgens de bestreden besluiten is een toereikend media-aanbod te realiseren met een bekostiging van € 5.771 (2011), € 6.885 (2012) en € 6.894 (2013). Bij de vaststelling van die bedragen heeft verweerder de oude, lage huur van de bedrijfsruimte in aanmerking genomen, de kosten van elektriciteit buiten aanmerking gelaten, is hij voor de bedragen voor de afschrijving van apparatuur uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 10 jaar, en heeft hij de kosten van de website buiten aanmerking gelaten.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de post huur studio heeft verlaagd. Eiseres heeft in beroep de noodzaak van het maken van deze kosten, die niet onredelijk hoog zijn, aangetoond. Ook de bij de huur komende kosten van elektriciteit van € 870,-- per jaar zijn aannemelijk.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een afschrijving van de apparatuur gelijkmatig verspreid over meerdere jaren. De omstandigheid dat eiseres stelt in 2011 en 2012 (en eventueel 2013) tot volledige vervanging van haar apparatuur over te moeten gaan, betekent niet dat de aanschafkosten daarvan niet over meerdere jaren kunnen worden afgeschreven. Indien eiseres daarvoor in het verleden onvoldoende heeft gereserveerd, kan dit niet aan verweerder tegengeworpen worden. Indien eiseres geen liquide middelen heeft om tot aanschaf over te gaan, kan zij ervoor kiezen een lening aan te gaan. Evenwel acht de rechtbank de door verweerder voorgestane afschrijvingsperiode van 10 jaar voor alle apparatuur van tien jaar niet redelijk. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen rekening is gehouden met de kosten van afschrijving op softwarepakketten. De rechtbank acht al bij al een jaarlijkse afschrijving voor deze posten van € 5.000,-- per jaar redelijk. Tot slot heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen rekening is gehouden met de kosten van het opzetten en onderhouden van een website. Laatstgenoemde kosten moeten anno 2011, 2012 en 2013 in beginsel worden gerekend tot de kosten die noodzakelijk zijn voor de aanbieding van een toereikend media-aanbod van een lokale omroepdienst.

4.3. Uitgaande van de posten die buiten twijfel zijn, de verschuldigde huursommen inclusief energiekosten, zoals door eiseres feitelijk worden betaald (€ 3.270,- per jaar), een jaarlijkse afschrijving op apparatuur en software die ex aequo et bono worden vastgesteld op € 5.000,- per jaar, en te maken websitekosten, zal de jaarlijkse bekostiging over de jaren 2011 tot en met 2013 uitkomen op ten minste € 13.000,- per jaar.

4.4. De conclusie is dan ook gewettigd dat verweerder niet overtuigend aannemelijk heeft gemaakt dat een toereikend media-aanbod kan worden verzorgd met een bedrag dat lager is dan het bedrag van € 1,30 per woning ergo € 13.000 per jaar. Verweerder had de activiteiten van eiseres dan ook volgens die norm moeten bekostigen.

4.5. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten komen wegens strijd met artikel 7:12 (2011 en 2013) resp. 3:46 (2013) van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de bekostiging over 2011, 2012 en 2013 vast te stellen op € 13.000 per jaar.

4.6. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 472,-- voor het verschijnen ter zitting bij twee samenhangende zaken van gemiddeld gewicht.

4.7. Dit leidt tot de navolgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 13 september 2012 en 14 maart 2013;

- herroept de besluiten van 14 december 2010 en 10 februari 2012;

- bepaalt dat de bekostiging door verweerder van eiseres als lokale publieke media-instelling over de jaren 2011 tot en met 2013 € 13.000,-- per jaar bedraagt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 628,-- (€ 310,-- en € 318,--) aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, mr. K. Schaffels en mr. F. Arichi, rechters, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.