Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/36147
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Rb. ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of procesbelang bestaat voor zover het beroep zich richt tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Anders dan een ongewenstverklaring kan een inreisverbod ingevolge het bepaalde in art. 66a, lid 1 Vw 2000 immers eerst worden opgelegd, indien er een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en vaststaat dat de vreemdeling het EU grondgebied onmiddellijk dient te verlaten. Deze verplichting om onmiddellijk te vertrekken volgt dan uit het terugkeerbesluit zelf (a) of uit het feit dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan een in een eerder terugkeerbesluit neergelegde vertrektermijn (b). De rechtmatigheid van dit terugkeerbesluit zal derhalve moeten worden beoordeeld alvorens wordt toegekomen aan de toetsing van het inreisverbod. Indien het terugkeerbesluit onrechtmatig wordt geoordeeld kan immers reeds om die reden geen inreisverbod worden opgelegd. In de onderhavige zaak wordt om die reden procesbelang aangenomen ten aanzien van het beroep gericht tegen de intrekking van de aan eiser verleende asielvergunning voor onbepaalde tijd.

Ten aanzien van eisers beroep op het bepaalde in art. 3.86, lid 10 van het Vb 2000, stelt de Rb. allereerst vast dat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft bevestigd dat, in afwijking van hetgeen in paragraaf C8/3 van de Vc 2000 is neergelegd, in het bestreden besluit terecht is overwogen dat art. 3.86 van het Vb 2000 in zijn geheel van toepassing is, dus ook het hiervoor genoemde tiende lid. De Rb. acht dit geen onjuist standpunt nu het strookt met de ratio van het toepasselijke beleid. Hierin is immers expliciet neergelegd dat art. 35, lid 1, onder b, van de Vw 2000 een verzwaard openbare-ordevereiste behelst voor de intrekking van asielvergunningen voor onbepaalde tijd ten opzichte van de asielvergunningen voor bepaalde tijd en reguliere vergunningen. Het zou dan ook strijdig zijn met deze ratio om de in art. 3.86, lid 10 van het Vb 2000 neergelegde gunstige afwijkingsbepaling wel van toepassing te achten op de intrekkingen van (asielvergunningen) voor bepaalde tijd, maar niet op asielvergunningen voor onbepaalde tijd. Gelet op het voorgaande dient het beroep van eiser op art. 3.86, lid 10, van het Vb 2000 eveneens te worden beoordeeld. (…) Het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit is van toepassing. Eveneens onjuist is de stelling van verweerder dat deze bepaling in art. 3.86, lid 10 van het Vb 2000 niet zou zien op de veelplegerssituatie beschreven in art. 3.86, lid 4 en 5 van de Vb 2000. Art. 3.86, lid 10 Vb 2000 wijst immers terug naar alle voorgaande leden en maakt daarbij geen uitzondering voor de leden vier en vijf.

Het voorgaande dient te leiden tot gegrondverklaring van het beroep wegens strijd met art. 3:46 Awb. De Rb. zal evenwel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten, nu (een aantal van) de door eiser gepleegde strafbare feiten naar het oordeel van de Rb. misdrijven zijn in de zin van art. 22b, lid 1 van het WvS.

Niet in geschil is dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van een inreisverbod voor de duur van 10 jaar. Het geschil spitst zich enkel toe op de vraag of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder van het inreisverbod had dienen af te zien dan wel de duur van het inreisverbod had dienen te verkorten als bedoeld in art. 66a, lid 8 van de Vw 2000 en art. 6.5, lid 5 van het Vb 2000 en nader uitgewerkt in paragraaf A5/3 van de Vc 2000.

De Rb. is van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen reden heeft hoeven zien om af te zien van de oplegging van het inreisverbod dan wel de duur daarvan te verkorten. Naar het oordeel van de Rb. is het opgelegde inreisverbod van tien jaar niet in strijd met art. 3 noch art. 8 van het EVRM. Hierbij acht de Rb. van belang dat eiser zijn stelling ten aanzien van de slechte veiligheidssituatie in Somalië op geen enkel wijze heeft gemotiveerd of nader met stukken heeft onderbouwd. Met betrekking tot het beroep op art. 8 van het EVRM wijst de Rb. er op dat de enkele omstandigheid dat eiser 20 jaar in Nederland woont en hier is geworteld, gelet op de hiervoor omschreven in die periode gepleegde ernstige strafbare feiten, van onvoldoende gewicht is om te oordelen dat het inreisverbod een ontoelaatbare inbreuk maakt op zijn private life in de zin van art. VRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/36147

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2013 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. J.W. van Leeuwen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Streef).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1975 en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 6 december 1994 heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op 16 augustus 2012 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt de verblijfsvergunning asiel van eiser in te trekken en tevens aan eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van 10 jaar.

Op 27 september 2012 heeft eiser zijn zienswijze naar voren gebracht.

Op 29 oktober 2012 is eiser gehoord met betrekking tot het voornemen van verweerder een inreisverbod op te leggen.

Bij besluit van 14 november 2012 heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken en tevens een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar.

Eiser heeft tegen dit besluit op 15 november 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 23 januari 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.W. van Leeuwen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H.J. Streef.

Overwegingen intrekking verblijfsvergunning

1 De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of procesbelang bestaat voor zover het beroep zich richt tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De rechtbank stelt namelijk vast dat het bestreden besluit ook een inreisverbod bevat van tien jaar op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, waarbij tevens is geconcludeerd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Ingevolge deze bepaling kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, indien deze een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 21 december 2012 (in zaak 201200487/1/V3, www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, stemt een ongewenstverklaring naar doel en strekking grotendeels met een inreisverbod overeen. Artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft ook grotendeels dezelfde strekking als artikel 67, derde lid, van de Vw 2000. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 6 juli 2006, LJN AY3849) van de A bRS heeft een vreemdeling geen belang bij een beroep tegen een besluit op een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan, zolang hij ongewenst is verklaard, omdat dit beroep, gelet op het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vw 2000, nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Indien een vreemdeling zoals in het onderhavige geval rechtmatig verblijf geniet op grond van een verblijfsvergunning, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 desondanks ongewenst worden verklaard. Hierbij wordt getoetst aan artikel 3:86 van het Vb 2000, waarin de voorwaarden voor het intrekken van de vergunning zijn neergelegd. Deze voorwaarden zijn derhalve geïncorporeerd in de bepaling die ziet op de ongewenstverklaring. Indien in het kader van de ongewenstverklaring is getoetst dat aan de voorwaarden van artikel 3:86 van het Vb 2000 is voldaan kan de ongewenstverklaring worden opgelegd en volgt daaruit logischerwijs dat tevens de vergunning kan worden ingetrokken.

Het voorgaande ligt evenwel anders bij een intrekking die wordt gevolgd door een inreisverbod. Anders dan een ongewenstverklaring kan een inreisverbod ingevolge het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 immers eerst worden opgelegd, indien er een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en vaststaat dat de vreemdeling het EU grondgebied onmiddellijk dient te verlaten. Deze verplichting om onmiddellijk te vertrekken volgt dan uit het terugkeerbesluit zelf (a) of uit het feit dat de vreemdeling zich niet heeft gehouden aan een in een eerder terugkeerbesluit neergelegde vertrektermijn (b). De rechtmatigheid van dit terugkeerbesluit zal derhalve moeten worden beoordeeld alvorens wordt toegekomen aan de toetsing van het inreisverbod. Indien het terugkeerbesluit onrechtmatig wordt geoordeeld kan immers reeds om die reden geen inreisverbod worden opgelegd. In de onderhavige zaak wordt om die reden procesbelang aangenomen ten aanzien van het beroep gericht tegen de intrekking van de aan eiser verleende asielvergunning voor onbepaalde tijd.

De rechtbank zal dan ook aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden eerst beoordelen of verweerder op juiste gronden is overgegaan tot intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De rechtbank overweegt te dien aanzien het volgende.

2 Op grond van artikel 33, aanhef en onder b, Vw 2000 is verweerder bevoegd om een verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in te trekken. Op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake een maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd.

Volgens het door verweerder gevoerde beleid in paragraaf C8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is artikel 3.86, tweede tot en met negende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van overeenkomstige toepassing. In dat artikel is de zogenoemde glijdende schaal bij intrekking van een verblijfsvergunning opgenomen. Bij de toepassing daarvan wordt, blijkens artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000 zoals dat geldt sinds 31 juli 2010, mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdelingen voor ten minste drie misdrijven bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht (WvS) is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm, de zogenoemde veelplegersregeling. Conform artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb 2000 bedraagt die norm bij een verblijfsduur van ten minste 15 jaar, maar minder dan 20 jaar, 14 maanden.

3 Eiser stelt dat door een onjuiste toepassing van artikel 3.86 van het Vb 2000 ten onrechte is overgegaan tot intrekking van de hem verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Eiser stelt hiertoe dat nu artikel 3.86, vierde lid, van het Vb 2000, de zogenoemde veelplegersregeling, pas op 31 juli 2010 in werking is getreden, enkel de nadien gepleegde delicten mogen meetellen voor de toepassing daarvan. Het laten meewegen van de oude feiten bij de intrekking is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Daar komt bij dat de na 31 juli 2010 gepleegde delicten geen misdrijven zijn als bedoeld in artikel 22b, eerste lid van het WvS, noch misdrijven op grond van de Opiumwet betreffen. Ingevolge artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 wordt gelet op eisers lange verblijfsduur niet tot intrekking overgegaan.

4 Verweerder heeft hetgeen is aangevoerd gemotiveerd weersproken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de toepassing van de veelplegersregeling conform de overgangsregeling als hierna weergegeven gekeken dient te worden of er delicten zijn gepleegd na de inwerkingtreding van de veelplegersregeling. Als dat het geval is, worden ook alle voor de inwerkingtreding van de veelplegersregeling gepleegde delicten betrokken bij de toepassing van de glijdende schaal van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb 2000. Er is dus geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door na de inwerkingtreding van de veelplegersregeling opnieuw delicten te plegen heeft eiser de toepassing van de veelplegersregeling over zichzelf afgeroepen.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen beroep kan doen op artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 en wel omdat deze bepaling niet ziet op intrekkingen die zijn gebaseerd op de veelplegersregeling neergelegd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van de Vb 2000. Bovendien is niet bepalend het ten tijde van het bestreden besluit geldende tiende lid, maar hooguit de bepaling zoals die ten tijde van het plegen van de feiten was neergelegd in het elfde lid, van artikel 3.86 van het Vb 2000. Deze bepaling was ruimer geformuleerd. Intrekking was op dat moment wel mogelijk, omdat sprake is van geweldsdelicten.

5 De rechtbank stelt vast dat eiser op 1 februari 2001 is veroordeeld tot 237 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor een poging zware mishandeling gepleegd op 24 augustus 2000. Op 2 september 2002 is de tenuitvoerlegging gelast van het voorwaardelijk deel van negentig dagen. Op 31 augustus 2002 is eiser veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf vanwege een bedreiging en een poging zware mishandeling gepleegd op 2 mei 2002. Eiser is voorts veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor een poging doodslag en bedreiging gepleegd op 29 maart 2007. Op 8 januari 2009 is eiser veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voor een bedreiging gepleegd op 25 augustus 2008, op 29 december 2009 tot 4 maanden gevangenisstraf voor een eenvoudige mishandeling gepleegd op 23 februari 2009, op 20 maart 2012 tot een geldboete van € 200,- voor het beledigen van een ambtenaar in functie, gepleegd op 24 april 2011, en op 13 maart 2012 tot 5 weken gevangenisstraf voor het mishandelen en beledigen van een ambtenaar in functie, gepleegd op 11 maart 2012.

6 Het betoog van eiser dat in het bestreden besluit bij de beoordeling van zowel artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb 2000 als artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 ten onrechte rekening is gehouden met delicten gepleegd voor de invoering van de veelplegersregeling op 31 juli 2010 nu dit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel wordt niet gevolgd. Hiertoe verwijst de rechtbank naar hetgeen in de nota van toelichting bij de inwerkingtreding van de veelplegersregeling op 31 juli 2010 (Staatsblad 2010, nr. 307) op de pagina’s 49 en 206 hieromtrent is opgenomen:

“ARTIKEL XIII

1. De onderdelen MMM en WWW, subonderdeel 3, van artikel I van dit besluit blijven buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na inwerkingtreding van die onderdelen van dit besluit gepleegd misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld, dan wel hem terzake van een zodanig misdrijf bij onherroepelijke beschikking een taakstraf is opgelegd.

2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de invoering van de Wet modern migratiebeleid en dit besluit.”

en:

“ARTIKEL XIII

Het onderhavige besluit bevat een aanzienlijke uitbreiding van de mogelijkheden om het verblijf van vreemdelingen om redenen van openbare orde te beëindigen (het opnieuw vastgestelde artikel 3.86 Vb 20000).

Eerste lid Het eerste lid van artikel XIII ziet op de eerbiediging van de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen van wie het verblijf op grond van het recht zoals dat gold vòòr de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd. Zonder nadere voorziening zou in voorkomende gevallen het verblijf van de vreemdeling die zich na de inwerkingtreding van dit besluit niet meer schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, kunnen worden beëindigd om de enkele reden dat het onderhavige besluit in werking is getreden. De rechtszekerheid verzet zich hiertegen. Artikel XIII bepaalt dat het nieuwe openbare orde beleid in dergelijke gevallen buiten toepassing blijft, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van dit besluit wederom schuldig maakt aan misdrijven. In dat laatste geval wordt uitgegaan van de nieuwe normen, waarbij uiteraard ook de voor de inwerkingtreding van dit besluit wegens misdrijf opgelegde straffen en maatregelen worden betrokken.

Tweede lid Op grond van het tweede lid kunnen in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 nadere regels worden gesteld die nodig zijn voor de invoering van het moderne migratiebeleid. Daarbij kan uiteraard niet worden afgeweken van de wet of het besluit.”

7 Nu de laatste twee veroordelingen van eiser zijn uitgesproken voor delicten gepleegd op een datum gelegen ná de inwerkingtreding van de veelplegersregeling op 31 juli 2010 en één van die twee delicten wordt bedreigd met een straf van ten minste twee jaren, te weten het mishandelen en beledigen van een ambtenaar in functie (artikel 300, eerste lid, van het WvS, jo artikel 304 ahf/sub 2, van het WvS, en artikel 266, eerste lid, van het WvS en artikel 267 ahf/sub 2 van het WvS), is voldaan aan het bepaalde in artikel XIII als hiervoor weergegeven. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu, zoals verweerder ook heeft betoogd, eiser door het plegen van nieuwe misdrijven na 31 juli 2010 had kunnen en behoren te weten dat ook de oude misdrijven van invloed konden zijn op zijn verblijfsrechtelijke positie hier te lande. In zoverre verschilt deze zaak wezenlijk van de zaak die aanleiding gaf tot uit uitspraak van de AbRS van 29 juli 2010, LJN: BN3366. Niet in geschil is dat alle veroordelingen meetellend wordt voldaan aan de glijdende schaal neergelegd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van de Vb 2000.

8 Ten aanzien van eisers beroep op het bepaalde in artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000, stelt de rechtbank allereerst vast dat verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft bevestigd dat, in afwijking van hetgeen in paragraaf C8/3 van de Vc 2000 is neergelegd, in het bestreden besluit terecht is overwogen dat artikel 3.86 van het Vb 2000 in zijn geheel van toepassing is, dus ook het hiervoor genoemde tiende lid. De rechtbank acht dit geen onjuist standpunt nu het strookt met de ratio van het toepasselijke beleid. Hierin is immers expliciet neergelegd dat artikel 35, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 een verzwaard openbare-ordevereiste behelst voor de intrekking van asielvergunningen voor onbepaalde tijd ten opzichte van de asielvergunningen voor bepaalde tijd en reguliere vergunningen. Het zou dan ook strijdig zijn met deze ratio om de in artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 neergelegde gunstige afwijkingsbepaling wel van toepassing te achten op de intrekkingen van (asielvergunningen) voor bepaalde tijd, maar niet op asielvergunningen voor onbepaalde tijd.

9 Gelet op het voorgaande dient het beroep van eiser op artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 eveneens te worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit van 14 november 2012 en in het daarin geïncorporeerde voornemen van 16 augustus 2012 ten onrechte is verwezen naar de tekst van artikel 3.86 van het Vb 2000 zoals die gold tot 1 juli 2012. Ten tijde van de bestreden besluitvorming was artikel 3.86 van het Vb 2000 gewijzigd bij besluit van 26 maart 2012, houdende wijziging van het Vb 2000 in verband met aanscherping van de glijdende schaal (Staatsblad 2012, nr. 158), in werking getreden bij besluit van 22 juni 2012 (Staatsblad 2012, nr. 286) per 1 juli 2012. Sindsdien is het gelet op het bepaalde in artikel 3.86, tiende lid, van de Vb 2000 enkel mogelijk om een verblijfsvergunning bij een verblijfsduur van tien jaren in te trekken indien er sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het WvS, of een misdrijf uit de Opiumwet, waarop naar de wettelijke omschrijving een straf van meer dan zes jaar is gesteld. Het is dus niet langer voldoende dat sprake is van een geweldsdelict. Het in het bestreden besluit ingenomen standpunt van verweerder dat moet worden getoetst aan de bepaling zoals die luidde ten tijde van het plegen van het ter zake relevante delict vindt geen grondslag in het recht. Het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit is van toepassing. Eveneens onjuist is de stelling van verweerder dat deze bepaling in artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 niet zou zien op de veelplegerssituatie beschreven in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van de Vb 2000. Artikel 3.86, tiende lid, van de Vb 2000 wijst immers terug naar alle voorgaande leden en maakt daarbij geen uitzondering voor de leden vier en vijf.

10 Het voorgaande dient te leiden tot gegrondverklaring van het beroep wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank zal evenwel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten, nu (een aantal van) de door eiser gepleegde strafbare feiten naar het oordeel van de rechtbank misdrijven zijn in de zin van artikel 22b, eerste lid, van het WvS. Zowel een poging zware mishandeling als een poging doodslag is immers een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad .

Overwegingen inreisverbod

11 Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.

Ingevolge het vierde lid van deze bepaling, wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstig bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Ingevolge het achtste lid van deze bepaling, kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

In artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. Ingevolge het tweede tot en met zesde lid van voormeld artikel 6.5a geldt voor bepaalde categorieën vreemdelingen een afwijkende maximumduur, in verband met aan deze vreemdelingen te relateren omstandigheden als bedoeld in deze artikelleden. Ingevolge artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste 10 jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;

b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;

c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of

d. de oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Volgens paragraaf A5/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is de maximale duur van het inreisverbod afhankelijk van het bepaalde in artikel 6.5a van het Vb 2000. In dit artikel is reeds verdisconteerd de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a van het Vb 2000 staat genoemd.

12 Niet in geschil is dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van een inreisverbod voor de duur van 10 jaar. Het geschil spitst zich enkel toe op de vraag of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder van het inreisverbod had dienen af te zien dan wel de duur van het inreisverbod had dienen te verkorten als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 en artikel 6.5, vijfde lid, van het Vb 2000 en nader uitgewerkt in paragraaf A5/3 van de Vc 2000.

13 Eiser stelt zich op het standpunt dat vrijwillige terugkeer naar Somalië niet van hem mag worden verlangd gelet op de slechte veiligheidssituatie aldaar. Voorts stelt eiser dat hij al langer in Nederland woont, al ruim 20 jaar, dan hij in Somalië heeft gewoond en daardoor in Nederland is geworteld.

14 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen reden heeft hoeven zien om af te zien van de oplegging van het inreisverbod dan wel de duur daarvan te verkorten. Naar het oordeel van de rechtbank is het opgelegde inreisverbod van tien jaar niet in strijd met artikel 3 noch artikel 8 van het EVRM. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser zijn stelling ten aanzien van de slechte veiligheidssituatie in Somalië op geen enkel wijze heeft gemotiveerd of nader met stukken heeft onderbouwd. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM wijst de rechtbank er op dat de enkele omstandigheid dat eiser 20 jaar in Nederland woont en hier is geworteld, gelet op de hiervoor omschreven in die periode gepleegde ernstige strafbare feiten, van onvoldoende gewicht is om te oordelen dat het inreisverbod een ontoelaatbare inbreuk maakt op zijn private life in de zin van artikel 8 van het EVRM. Voor zover eiser tevens een beroep heeft willen doen op zijn door artikel 8 van het EVRM beschermde familieleven is de rechtbank van oordeel dat ook dit van onvoldoende gewicht is. Hierbij overweegt de rechtbank dat blijkens het gehoor inzake het inreisverbod van

29 oktober 2012 alle familieleden van eiser in Engeland wonen. Engeland valt echter niet binnen de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn. Het inreisverbod werpt derhalve geen belemmeringen op ten aanzien van het uitoefenen van gezinsleven met zijn familieleden in Engeland. Met betrekking tot zijn in België wonende broer moet weliswaar worden vastgesteld dat sprake is van inmenging, echter, blijkens bladzijde twee van voornoemd gehoor, vindt eiser dit aspect zelf niet zo belangrijk. Wat daar ook van zij, inmenging lijkt ook gerechtvaardigd nu niet is gebleken van “more than the normal emotional ties” van eiser met zijn in België wonende broer. Evenmin is gebleken van een objectieve belemmering voor zijn broer om eiser in een ander land te bezoeken gedurende de duur van het inreisverbod.

15 Gezien het voorgaande heeft verweerder eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren kunnen opleggen. Het beroep voor zover dit zich richt tegen het inreisverbod is ongegrond.

16 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,-- (1 punt voor het beroepschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond voor zover deze zich richt tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven;

4. verklaart het beroep ongegrond voor zover dit zich richt tegen het inreisverbod;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 944, - (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter en mr. H.W. Vogels en mr. G.F. van der Linden-Burgers, rechters, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.

mr. M.D. Gunster mr. C.I.H. Kerstens-Fockens

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).