Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8891

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
13/8845 en 13/8846
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, opvolgend beroep, verlengingsbesluit, informeren gemachtigde over voornemen verlengingsbesluit, verdedigingsbeginsel, gehoor in begrijpelijke taal, redelijk vooruitzicht op verwijdering, Libië

De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiser, ofschoon bij verweerder bekend, niet is geïnformeerd over het voornemen een verlenginsgebesluit te nemen. Dit levert in het licht van de Afdelingsuitspraak van 14-12-2012 (LJN: BY7400) een gebrek in de besluitvorming op dat echter alleen leidt tot vernietiging van het verlengingsbesluit, opheffing van de bewaring en gegrondverklaring van het beroep als eiser door verweerders verzuim in relevante mate is benadeeld. Daarvan is geen sprake. De rechtbank ziet wel aanleiding voor veroordeling van verweerder in de proceskosten, omdat het geconstateerde gebrek voor eiser redelijkerwijs aanleiding heeft kunnen zijn tegen het verlengingsbesluit beroep in te stellen.

Voorts wordt overwogen dat eisers stelling, dat hij in zijn vertrekgesprekken niet is gewezen op de mogelijkheid om overleg te voeren met zijn gemachtigde, niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep, omdat verweerder tot zo’n alertering niet gehouden is. Eiser kan te allen tijde contact op kan nemen met zijn gemachtigde.

De rechtbank overweegt verder dat eiser pas achteraf, in de gronden van beroep, heeft aangegeven de Engelse taal niet voldoende machtig te zijn. Blijkens het verslag van het vertrekgesprek is aan eiser gevraagd of hij de Engelse taal voldoende machtig is, waarop eiser bevestigend heeft geantwoord. Eiser heeft ook niet om een tolk in een andere taal gevraagd en in 2012 is ook een vertrekgesprek gehouden in de Engelse taal, zonder dat is gebleken dat eiser de Engelse taal niet voldoende machtig is. Van een schending van het recht is dan ook geen sprake.

Uit de reactie op het namens eiser ingediende Wob-verzoek volgt dat vanaf 25 mei 2012 tot 20 maart 2013 één gedwongen vertrek naar Libië heeft plaatsgevonden met een afgegeven lp door de Libische diplomatieke vertegenwoordiging in Nederland. Gelet op deze informatie is, met inachtneming van de Afdelingsjurisprudentie hieromtrent, uitzetting naar Libië dan ook niet uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummers: Awb 13/8845 (bewaring) en Awb 13/8846 (verlengingsbesluit)

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn

in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Libische nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer],

V-nummer [nummer],

thans verblijvende in het detentiecentrum te Zeist,

raadsman mr. drs. A. Boumanjal,

eiser;

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

vertegenwoordigd door mr. P.A.L.A. van Ittersum,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 2 april 2013 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring en het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn. De beroepen strekken tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 maart 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Op 25 september 2012 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 7 februari 2013

(Awb 13/2360) heeft de rechtbank laatstelijk een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard.

Voor wat betreft het beroep tegen het voortduren van de bewaring (Awb 13/8845) staat thans uitsluitend ter beoordeling of het voortduren rechtmatig is sinds het sluiten van het onderzoek op 4 februari 2013 in die zaak. Verder staat ter beoordeling of het besluit tot verlenging van 22 maart 2013 van de bewaringstermijn rechtmatig is opgelegd.

2.2 Verweerder heeft zich in het verlengingsbesluit van 22 maart 2013 op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat om de termijn van de bewaring te verlengen met ten hoogste twaalf maanden, ingaande 24 maart 2013. Daarbij is de volgende motivering gegeven. Na presentatie van eiser bij de vertegenwoordiging van Libië in het kader van het laissez-passer (lp) traject op 23 november 2012, heeft de vertegenwoordiging te kennen gegeven dat nader onderzoek in eisers (gestelde) land van herkomst dient te worden verricht. Voorts heeft eiser geen dan wel onvoldoende informatie verstrekt en evenmin bescheiden overgelegd waarmee het onderzoek van de diplomatieke vertegenwoordiging en het onderzoek van verweerder ter vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit kan worden bespoedigd. Nadat verweerder eiser op 15 maart 2013 in kennis had gesteld van het voornemen tot verlenging van de bewaringstermijn met maximaal twaalf maanden, heeft eiser enkel gesteld het daarmee oneens te zijn en de belofte gedaan om Nederland binnen 24 uur te verlaten als hij wordt vrijgelaten, wat niet kan worden aangemerkt als een steekhoudend argument om (verlenging van) de maatregel van bewaring achterwege te laten.

2.3 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 juli 2012 (nr. 201205751/1/V3) is de rechtbank van oordeel dat bij een verlengingsberoep de beroepsgronden die zien op zicht op uitzetting, voortvarend handelen en de belangenafweging bij de beoordeling betrokken dienen te worden.

2.4 Eiser betoogt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Hiertoe voert eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 december 2012 (LJN: BY7400), aan dat verweerder heeft verzuimd om eisers gemachtigde, die bij verweerder bekend is, in kennis te stellen van het voornemen jegens eiser een verlengingsbesluit te nemen. Hierdoor heeft de gemachtigde eiser niet kunnen bijstaan in zijn reactie op dit voornemen. Voorts is niet gebleken dat eiser in een vertrekgesprek reeds is gewezen op de mogelijkheid tot verlenging dan wel voortduring van de bewaring en is eiser evenmin gewezen op de mogelijkheid om overleg te voeren met zijn gemachtigde. Eiser voert voorts aan dat het verlengingsbesluit niet in een voor eiser begrijpelijke taal is uitgelegd, waarbij wordt verwezen naar het uitreikingsblad waaruit niet blijkt dat dit wel is gebeurd. Verder stelt eiser dat het vertrekgesprek van

22 maart 2013, waarin eiser kort is medegedeeld dat zijn bewaring wordt verlengd, anders dan voorgaande gesprekken, in de Engelse taal is gevoerd welke taal hij niet voldoende machtig is. Eiser stelt zich, gelet op het voormelde in onderling verband bezien, op het standpunt dat geconcludeerd dient te worden dat de maatregel onrechtmatig is.

2.5 Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat in eerdere vertrekgesprekken met eiser de mogelijkheid aan de orde is geweest dat de bewaring na zes maanden zou worden verlengd. Dat is ook in de rapportages van die gesprekken vastgelegd. Deze rapportages zijn - naar aanleiding van een eerder beroep tegen het voortduren van de bewaring - aan de rechtbank en aan (de gemachtigde van) eiser toegezonden. Daarom stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser en zijn gemachtigde wel degelijk schriftelijk zijn ingelicht over het voornemen om tot verlenging van de bewaring over te gaan.

2.6 De rechtbank volgt verweerder niet in zijn hiervoor weergegeven standpunt. De verslaglegging van een gesprek waarin in het verleden de mogelijkheid van een toekomstige verlenging aan de orde is geweest kan naar haar oordeel niet worden beschouwd als de bekendmaking van het voornemen om het thans bestreden verlengingsbesluit daadwerkelijk te nemen.

2.7 De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat het voornemen om een verlengingsbesluit te nemen aan eiser is medegedeeld tijdens het vertrekgesprek op 15 maart 2013, maar niet ook aan eisers gemachtigde kenbaar is gemaakt. Dit ondanks het gegeven dat eisers gemachtigde bij verweerder bekend was. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit, bezien in het licht van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 14 december 2012, een gebrek in de besluitvorming op.

Dit gebrek leidt echter alleen tot vernietiging van het verlengingsbesluit, opheffing van de bewaring en gegrondverklaring van het beroep als eiser door verweerders verzuim in relevante mate is benadeeld.

Gesteld noch anderszins gebleken is dat er een belemmering is geweest in het contact tussen eiser en zijn gemachtigde. Verder kan eiser op elk moment tegen het voortduren van de inbewaringstelling in beroep komen, welk beroep dan leidt tot dezelfde rechterlijke toetsing als die welke naar aanleiding van het aanvechten van een verlengingsbesluit wordt verricht. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat eiser door het gesignaleerde gebrek in de besluitvorming zodanig is benadeeld, dat deze een vernietiging van het verlengingsbesluit zou rechtvaardigen dan wel tot opheffing van de inbewaringstelling dient te leiden.

De rechtbank ziet wel aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het verlengingsbesluit redelijkerwijs heeft moeten maken, omdat het geconstateerde gebrek voor eiser redelijkerwijs aanleiding heeft kunnen zijn tegen het verlengingsbesluit beroep in te stellen. De proceskosten van eiser worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 944,=, (1 punt voor het beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472,=; wegingsfactor 1).

2.8 Voorts wordt overwogen dat eisers stelling, dat hij in zijn vertrekgesprekken niet is gewezen op de mogelijkheid om overleg te voeren met zijn gemachtigde, naar het oordeel van de rechtbank niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep, omdat verweerder tot zo’n alertering niet gehouden is. Eiser kan te allen tijde contact op kan nemen met zijn gemachtigde, teneinde eventuele ontwikkelingen in zijn situatie te bespreken.

2.9 Eiser heeft ook doen aanvoeren dat het vertrekgesprek van 22 maart 2013 heeft plaatsgevonden in het Engels, welke taal hij niet voldoende machtig is.

De rechtbank overweegt dat eiser pas achteraf, in de gronden van beroep van 5 april 2013, heeft aangegeven de Engelse taal niet voldoende machtig te zijn. Echter blijkens het verslag van het vertrekgesprek van 22 maart 2013 is door de regievoerder aan eiser gevraagd of hij de Engelse taal voldoende machtig is. Eiser heeft hierop bevestigend geantwoord. Indien eiser niet had kunnen communiceren in de Engelse taal, had het op de weg van eiser gelegen om tijdens voornoemd vertrekgesprek te verzoeken om een tolk in een taal die voor hem wel begrijpelijk is. Daarbij komt dat er met eiser in 2012 ook een vertrekgesprek is gehouden in de Engelse taal, blijkens welk gespreksverslag evenmin is gebleken dat eiser de Engelse taal niet voldoende machtig is. Van een schending van het recht is dan ook geen sprake.

2.10 Eiser voert voorts aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt ten aanzien van eisers uitzetting. Gelet op het feit dat de bewaring inmiddels ruim zes maanden voortduurt, diende verweerder actie te ondernemen op dossierniveau.

Voorts heeft eiser, in verband met de vraag of wel zicht op uitzetting bestaat, op 1 februari 2013 bij verweerder een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoek) ingediend. De gemachtigde van eiser heeft de reactie van verweerder op het Wob-verzoek eerst onlangs ontvangen, waardoor naar de mening van eiser onvoldoende voortvarend is gehandeld.

Volgens eiser is er geen reëel zicht op uitzetting, nu uit verweerders beantwoording van het Wob-verzoek volgt dat door de Libische autoriteiten één lp is verstrekt vanaf 25 mei 2012 tot aan 20 maart 2013.

Verder voert eiser aan dat hij niet ongewenst is verklaard, geen criminele antecedenten heeft en altijd zijn medewerking heeft verleend. Een belangenafweging dient daarom in zijn voordeel uit te vallen.

2.11 De rechtbank overweegt dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld tot aan 25 maart 2013, nu verweerder maandelijks uitzettingshandelingen heeft verricht in de vorm van (standaard)rappels en vertrekgesprekken.

Omdat bij het sluiten van het onderzoek in deze zaak nog geen dertig dagen zijn verstreken na 25 maart 2013, de dag waarop eiser zes maanden in bewaring verbleef, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of verweerder voldoende voortvarend handelde na die zes maanden en in het bijzonder of dan nog kan worden volstaan met de huidige vorm van (standaard)rappelleren.

Ten aanzien van eisers stellingen omtrent het Wob-verzoek wordt als volgt overwogen. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat de vorige gemachtigde van eiser, mr. A. Berends, een Wob-verzoek heeft ingediend op 1 februari 2013. Vervolgens is op 15 maart 2013 telefonisch contact geweest tussen de regievoerder en voornoemde gemachtigde. Tijdens dit gesprek heeft de regievoerder excuses gemaakt voor het niet reageren op het verzoek en daarbij aangegeven het verzoek dezelfde dag nog aan de lp-afdeling door te leiden. De gemachtigde heeft hierop positief gereageerd. Vervolgens is bij brief van 21 maart 2013 een reactie op het Wob-verzoek verzonden naar mr. A. Berends. Dat de huidige gemachtigde van eiser eerst onlangs kennis heeft genomen van die brief, maakt niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Als de communicatie tussen de vorige gemachtigde van eiser en de huidige gemachtigde te wensen overlaat, kan dat verweerder niet worden tegengeworpen.

Uit voornoemde reactie op het Wob-verzoek volgt dat vanaf 25 mei 2012 tot 20 maart 2013 één gedwongen vertrek naar Libië heeft plaatsgevonden met een afgegeven lp door de Libische diplomatieke vertegenwoordiging in Nederland. Gelet op deze informatie is, met inachtneming van de Afdelingsjurisprudentie hieromtrent, uitzetting naar Libië dan ook niet uitgesloten. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn niet meer bestaat.

Eisers stelling dat de afweging van alle belangen moet leiden tot het achterwege laten van het verlengingsbesluit, wordt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet gevolgd.

2.12 De beroepen zijn ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in het beroep tegen het verlengingsbesluit ad € 944,--, te voldoen aan de rechtsbijstandverlener van eiser;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, en door hem en D.K. Bloemers als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2013.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen de uitspraak inzake het verlengingsbesluit binnen één week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.