Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8211

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
12/25448
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regulier, artikel 3.80a, 1e, 2e en 4e lid, Vb 2000, begrip ‘huiselijk geweld’ , B1/4.7.2.1 Vc2000, inburgeringsvereiste, onbillijkheid

Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het begrip ‘huiselijk geweld’ in artikel 3.80a, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 enkel betrekking heeft op fysiek geweld en niet ook betrekking kan hebben op psychisch geweld. De bewijslast ligt bij de vreemdeling, die zal moeten aantonen dat de verbreking van de relatie het gevolg is van (psychisch) huiselijk geweld.

Met de enkele brief van Careyn Maatschappelijke Dienstverlening van 1 mei 2012 heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat haar relatie is verbroken als gevolg van het door haar gestelde huiselijke geweld.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan niet dient te worden vastgehouden aan het inburgeringsvereiste.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.51
Vreemdelingenbesluit 2000 3.80a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 12/25448

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

van Thaise nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer],

eiseres,

gemachtigde mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht;

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, als rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te Den Haag,

vertegenwoordigd door mr. J.P. Guérain,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 31 januari 2012 heeft eiseres een aanvraag tot wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de beperking ‘voortgezet verblijf’ ingediend. Bij besluit van 5 maart 2012 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken per 14 april 2011. Bij brief van 28 maart 2012 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 16 juli 2012 ongegrond verklaard.

Bij brief van 10 augustus 2012 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 31 augustus 2012 is het beroep voorzien van gronden. Op 21 december 2012 zijn nadere stukken ingediend.

Het beroep is ter zitting van 15 januari 2013 behandeld. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Niet in geschil is dat verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning heeft kunnen intrekken omdat eiseres niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 3.80a, tweede lid, onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) niet op eiseres van toepassing is en tot de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard of van bijzondere omstandigheden op grond waarvan niet kan worden vastgehouden aan het inburgeringsvereiste.

2.2 Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege het feit dat zij eerst moest alfabetiseren en meerdere operaties moest ondergaan en er sprake was van psychisch geweld binnen haar relatie, niet eerder in staat is geweest te voldoen aan het inburgeringsvereiste.

2.3 Ingevolge artikel 3.80a, eerste lid, van het Vb 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, die het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald.

Het tweede lid, onder e, van artikel 3.80a van het Vb 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is, indien de vreemdeling verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld.

Het vierde lid van artikel 3.80a van het Vb 2000 bepaalt dat de minister het eerste lid voorts buiten toepassing kan laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.4.1 Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het begrip ‘huiselijk geweld’ in artikel 3.80a, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 enkel betrekking heeft op fysiek geweld en niet ook betrekking kan hebben op psychisch geweld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit strikte onderscheid uit de wettekst noch de wetsgeschiedenis. De rechtbank acht het bovendien niet redelijk om psychisch geweld categorisch van toepassing van artikel 3.80a, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 uit te sluiten, omdat psychisch geweld evengoed ernstige vormen kan aannemen en gerechtvaardigd tot verbreking van een relatie kan leiden. De bewijslast ligt bij de vreemdeling, die zal moeten aantonen dat de verbreking van de relatie het gevolg is van (psychisch) huiselijk geweld.

2.4.2 Blijkens het beleid van verweerder zoals vastgelegd in paragraaf B1/4.7.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, dient verbreking van de relatie door huiselijk geweld te worden aangetoond door:

• gegevens van de politie, mits bij de politie voldoende aannemelijk is gemaakt dat het geweld heeft plaatsgevonden, of een proces-verbaal van de aangifte; èn één van de volgende eisen:

• een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener. De vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of

• gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of

• andere gegevens, voorzover het gaat over objectieve gegevens uit betrouwbare bron.

Dit beleid acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk, zij het dat het verband tussen het (psychische of andere) geweld en de verbreking van de relatie ook op andere wijze aannemelijk gemaakt zal kunnen worden; voor een beperkende opsomming van de bewijsmiddelen die hiertoe kunnen dienen ziet de rechtbank geen redelijke grond.

2.4.3 Met de enkele brief van Careyn Maatschappelijke Dienstverlening van 1 mei 2012 heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat haar relatie is verbroken als gevolg van het door haar gestelde huiselijke geweld.

2.4.4 Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat artikel 3.80a, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 niet op eiseres van toepassing is.

2.5 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan niet dient te worden vastgehouden aan het inburgeringsvereiste. Verweerder heeft daartoe van belang kunnen achten dat eiseres sinds 2007 niet meer is geopereerd en onvoldoende heeft onderbouwd dat haar alfabetisering en het gestelde psychische geweld in de weg hebben gestaan aan het nakomen van de inburgeringsplicht. De omstandigheid dat eiseres het eerder niet noodzakelijk vond inburgeringsexamen te doen, aangezien haar verblijfsvergunning nog geldig was tot 2015, komt voor rekening en risico van eiseres en maakt het vorenstaande derhalve niet anders.

Het bovenstaande in aanmerking genomen bestaat evenmin grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet noopten tot afwijking van verweerders beleid, zoals bedoeld in art. 4:84 van de Awb.

2.6 Het beroep is daarom ongegrond.

2.7 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, voorzitter, mr. A.P.W. Esmeijer en mr. W.R.H. Lutjes, rechters en door de voorzitter en mr. A. Korporaal-Wisman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.