Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
1212460 / 12-27665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring van de vordering op de Staat. Eisende partij heeft onvoldoende gesteld om toegelaten te worden tot bewijslevering van zijn stelling dat de eigenaar van een pand, dat eisende partij als woning in gebruik had, jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

YFR

Rolnr.: 1212460 / 12-27665

17 april 2013

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.A.R. Schuckink Kool,

(toevoeging 3FF5139, afgegeven d.d. 5 mei 2008),

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Raad Vastgoed B.V.,

gevestigd te Katwijk,

gemachtigde: mr. D.G. Lasschuit,

2. de Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Veiligheid en Justitie,

zetelend te ’s-Gravenhage,

gemachtigde: mr. drs. M. Hallers,

gedaagde partijen.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]”, “De Raad”, en “de Staat”.

Procedure

1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaardingen van 11 september 2012 en de oproepexploten van 12 en 15 oktober 2012;

- producties, in het geding gebracht door [eiser];

- de conclusie van antwoord van de Staat;

- de conclusie van antwoord van De Raad.

1.2. Op 11 februari 2013 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen namens [eiser] zijn gemachtigde mr. M.A.R. Schuckink Kool, namens De Raad de heer [X], bijgestaan door de gemachtigde mr. D.G. Lasschuit en namens de Staat de gemachtigde mr. drs. M. Hallers. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen zijn door mr. Schuckink Kool pleitaantekeningen overgelegd. Voor het overige zijn van het verhandelde ter zitting door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

Feiten

2.1. De Raad is eigenaar van het pand gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: het pand). In de zomer van 2006 is dit pand door meerdere personen gekraakt.

2.2. Op 28 augustus 2007 heeft de politie onder leiding van de officier van justitie een doorzoeking gedaan in (onder meer) het pand, naar aanleiding van een verdenking op overtreding van de Opiumwet.

2.3. De Raad heeft na de doorzoeking op 28 augustus 2007 het pand ontruimd. De huisraad zonder waarde is afgevoerd naar de sloop; de spullen die nog van enige waarde waren zijn opgeslagen in een loods.

2.4. Op 28 januari 2009 heeft [eiser] tegen De Raad aangifte gedaan van huisvredebreuk. Deze aangifte heeft uiteindelijk niet geleid tot een strafrechtelijke vervolging.

Vordering, grondslag en verweer

3.1. [eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van De Raad en de Staat tot betaling van een schadevergoeding van € 25.000,-, met veroordeling van De Raad en de Staat in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] legt, naast voormelde feiten, aan zijn vordering ten grondslag dat hij schade heeft geleden als gevolg van de ontruiming van het pand, dat hij als woning in gebruik had. De goederen die zich in het pand bevonden en die volgens [eiser] een waarde vertegenwoordigen van € 25.000,-, zijn aan anderen meegegeven dan aan [eiser] ofwel vernietigd. Dit is, aldus [eiser], onrechtmatig. Nu onduidelijk is wie van beide gedaagde partijen verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de ontruiming, heeft [eiser] beide partijen gedagvaard teneinde zijn schade vergoed te krijgen.

3.3. De Raad en de Staat voeren gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover relevant, aan de orde zal komen.

Beoordeling

Verjaring van de vordering op de Staat?

4.1. De Staat heeft primair ten verwere aangevoerd dat [eiser] niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tegen de Staat, nu tussen het moment van ontruiming op 28 augustus 2007 en het ontvangen van de dagvaarding op 11 september 2012 meer dan vijf jaar heeft gezeten, zodat een eventuele vordering van [eiser] op de Staat is verjaard. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat van verjaring geen sprake kan zijn, nu de Staat pas gedurende de artikel 12 Sv-procedure bij het Gerechtshof in Den Haag als mogelijk schuldenaar in beeld is gekomen.

4.2. Ten aanzien van de verjaring van de vordering op de Staat overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt. Blijkens zijn aangifte van huisvredebreuk was [eiser] immers vanaf 29 augustus 2007 op de hoogte van de inval in het pand. Dat hierbij politie, en dus in de visie van [eiser] de Staat, betrokken was, moet [eiser] redelijkerwijs duidelijk zijn geweest. Het Gerechtshof in Den Haag heeft op 21 maart 2012 uitspraak gedaan in de artikel 12 Sv-procedure. Het had in elk geval op de weg van [eiser] gelegen om, zodra hij bekend was met deze uitspraak, vóór 28 augustus 2012 zijn vordering bij de Staat kenbaar te maken. Gesteld noch gebleken is dat hij dit heeft gedaan, dan wel dat hij enige andere stuitingshandeling heeft verricht, zodat de vordering van [eiser] op de Staat is verjaard. [eiser] zal op dit punt dan ook niet ontvankelijk worden verklaard.

Onrechtmatige daad van De Raad jegens [eiser]?

4.3. De Raad heeft gemotiveerd betwist dat zij een onrechtmatige daad jegens [eiser] heeft gepleegd waardoor [eiser] schade heeft geleden. Bovendien heeft De Raad de omvang van de schade, zo er al sprake is van schade, gemotiveerd bestreden. Het had op de weg van [eiser] gelegen om, gelet op het goed onderbouwde verweer van De Raad, zijn stellingen nader te doen staven en een begin van bewijs aan te dragen voor het bestaan van een onrechtmatige daad en van de omvang van de schade. De enkele stelling dat het evident is dat er sprake is van een onrechtmatige daad en het overleggen van een lijstje van spullen die [eiser] zou missen is, in het licht van het gemotiveerde verweer, daarvoor niet voldoende. [eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet voldaan aan zijn stelplicht, zodat aan enige bewijslevering niet kan worden toegekomen. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] tegen De Raad zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.4. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van De Raad en de Staat. De Raad heeft verzocht om in het onderhavige geval de daadwerkelijke proceskosten toe te wijzen, nu de door haar gemaakte kosten het gevolg zijn van het onrechtmatig handelen van [eiser]. Dit verzoek zal worden afgewezen, enerzijds nu niet kan worden geoordeeld dat op voorhand sprake is geweest van misbruik van procesrecht en anderzijds nu De Raad heeft nagelaten inzicht te geven in de werkelijk gemaakte proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vordering tegen de Staat;

- wijst de vordering tegen De Raad af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van De Raad begroot op € 800,- aan salaris gemachtigde en aan de zijde van de Staat eveneens begroot op € 800,- aan salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.J. Verbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2013.