Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7313

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
1251866 \ CV EXPL 13-1704
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zie ook LJ BZ7312

Op 17 april 2013 heeft de kantonrechter te Leiden beslist op de ontbindingsverzoeken van Sierafor B.V. tegen 27 werknemers. Voorts is beslist op de vordering van de werknemers tot tewerkstelling. Weliswaar is Sierafor op 10 april 2013 in staat van faillissement verklaard, maar omdat de behandeling en het indienen van de stukken heeft plaatsgevonden vóór de faillietverklaring dient (toch) te worden beslist.

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomsten met de werknemers per 1 mei 2013 ontbonden en heeft kort samengevat het volgende overwogen.

Centraal in het debat tussen partijen staat de vraag of een werkgever de arbeidsovereenkomsten met de vaste werknemers kan beëindigen, wanneer het werk wordt uitbesteed aan een ander bedrijf, die het werk gaat verrichten met meer flexibele en niet onder de cao van de werkgever vallende arbeidskrachten. Die vraagstelling kan naar het oordeel van de kantonrechter niet los worden gezien van de ingrijpende veranderingen die zich voltrekken op (vooral de onderkant van) de arbeidsmarkt in een groot aantal sectoren, mede een gevolg van de toegenomen arbeidsmigratie uit Midden- en Oost Europa en een daarmee samenhangende scherpe concurrentie ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en arbeidsproductiviteit.

Anders dan in de recente uitspraak van de Hoge Raad in het Albron-arrest, waarin ook uitbesteding van werkzaamheden en bescherming van werknemersrechten onderwerp van geschil waren, hebben partijen in deze procedure het standpunt ingenomen dat in de gegeven omstandigheden de bepalingen van de Wet overgang van onderneming (artikel 7: 663 e.v. BW) niet van toepassing zijn.

De werknemers hebben betoogd dat de kantonrechter met oog op de beschermingsfunctie van het arbeidsrecht door onduidelijke constructies, zoals de onderhavige uitbesteding, heen dient te kijken. Maar is in deze zaak sprake van een onduidelijke constructie? Het productiebedrijf waaraan de werkzaamheden zijn uitbesteed is naar het oordeel van de kantonrechter niet aan te merken als een schijnzelfstandige zoals bedoeld in de Beleidsregels van het UWV. Het productiebedrijf is een al jarenlang bij de Kamer van Koophandel ingeschreven Nederlandse onderneming en verricht productiewerkzaamheden met eigen vooral uit Polen afkomstig personeel en met eigen productiemiddelen voor Sierafor en andere ondernemingen. Het productiebedrijf draagt het ondernemersrisico van die activiteiten. De contractuele relatie met Sierafor bestaat al sedert 2007 en heeft erin geresulteerd dat al meer dan 90 % van de productie door het productiebedrijf werd gedaan. Het productiebedrijf is een gecertificeerde onderneming en houdt zich volgens Sierafor aan de bepalingen van de wet minimumloon. Er zou niet worden gewerkt met uitzendkrachten.

Dit alles leidt tot de conclusie dat hier sprake is van reguliere uitbesteding waarvan in de Beleidsregels hoofdstuk 7 paragraaf 5 is overwogen “dat het met enige regelmaat voor komt dat werkgevers ontslagaanvragen indienen omdat zij om redenen van een doelmatige bedrijfsvoering werkzaamheden willen uitbesteden. In de regel wordt in die gevallen een ontslagvergunning verleend omdat het tot de beleidsvrijheid van een ondernemer behoort daar wel of niet toe over te gaan”. Nu sprake is van reguliere uitbesteding bestaat voor het oordeel dat Sierafor feitelijk haar vaste personeel (via een derde) heeft vervangen door flexibel personeel en dat dus is gehandeld in strijd met doel en strekking van de Beleidsregels, in de gegeven omstandigheden geen grond. Dat op een behoorlijk handelend werkgever de verplichting kan rusten om zich in een situatie als de onderhavige te vergewissen of het bedrijf, waaraan het productiewerk wordt uitbesteed, voldoet aan de geldende wettelijke regels, brengt naar het oordeel van de kantonrechter niet met zich dat (ook) een inhoudelijk oordeel moet worden gevormd over de mate van flexibiliteit van de door dat bedrijf ingezette werknemers.

De kantonrechter realiseert zich dat uitbesteding de rechten van werknemers ernstig kan uithollen, zeker in een situatie waarbij werknemersbescherming van de Wet overgang van (een onderdeel van de) onderneming ex artikel 7: 663 e.v. BW ontbreekt. In die situatie doet zich de in aanhef omschreven ontwikkeling hard voelen. Ook bestaat alle begrip voor de frustraties van de werknemers over de abrupte wijze waarop het verval van de arbeidsplaats is medegedeeld en over de omstandigheid dat vervolgens het uitbestede productiewerk onder de neus van de werknemers werd uitgevoerd door anderen. Dit laatste echter legt, hoe zuur ook, geen gewicht in de schaal voor de vraag of sprake is van reguliere uitbesteding, nu al jarenlang door het productiebedrijf met eigen productiemiddelen en personeel (ook) in de bedrijfshal van Sierafor werd gewerkt.

Het bovenstaande afwegend is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Sierafor, vooral gezien de ontstane financiële noodsituatie, zwaarder weegt dan het betrokken belang van de werknemers en dat er sprake is van een verandering in de omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomsten billijkheidshalve per 1 mei 2013 worden ontbonden. Voor een afvloeiingsregeling ontbreken de middelen. De vorderingen tot tewerkstelling zijn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Leiden/Gouda

Locatie Leiden

jm

Rolnr.: 1251866 \ CV EXPL 13-1704

Datum: 17 april 2013

Vonnis in de voorziening bij voorraad van:

[de werknemers]

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.P. Boot,

tegen

de besloten vennootschap Sierafor B.V.,

gevestigd te Rijnsburg, gemeente Katwijk ZH,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. drs. G.B.M. Zuidgeest.

Partijen worden aangeduid als “de werknemers” en “de werkgever”.

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het oproepingsexploot van de werknemers d.d. 2 april 2013 met producties,

- het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling op 9 april 2013,

- de pleitnotities van partijen.

2. Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling gaat de kantonrechter van het volgende uit.

2.1 De werknemers zijn voor onbepaalde tijd bij de werkgever in dienst. Van toepassing is de CAO voor de Groothandel Bloemen en Planten.

2.2 De werkgever is een groothandel in bloemen en planten en levert onder meer boeketten aan grote Europese supermarktketens. Bij de werkgever zijn in totaal ongeveer 140 werknemers werkzaam. De werkgever behoort tot de Florimex-groep bestaande uit een aantal ondernemingen dat zich bezighoudt met de im- en export van bloemen en planten. Door onderlinge verbindingen kan de financiële situatie van de werkgever niet los worden gezien van de situatie van de Florimex-groep als geheel. Bij de groep zijn in totaal ongeveer 350 werknemers in dienst. De werkgever noch de Florimex-groep heeft een ondernemingsraad.

2.3 Binnen het bedrijf van de werkgever houdt een groep medewerkers zich bezig met het machinaal vervaardigen van boeketten (verder ook te noemen: productiewerk) voor afnemers. Dit productiewerk heeft de werkgever vanaf 2007 geleidelijk steeds meer uitbesteed aan een ander bedrijf genaamd Ruigrok Productie B.V. (verder te noemen: Ruigrok). Ruigrok vervaardigt in opdracht van de werkgever voor haar rekening en risico en met behulp van eigen productiemiddelen machinaal boeketten tegen een vaste prijs per boeket. Ruigrok valt niet onder de CAO voor de Groothandel in Bloemen en Planten. In de periode tussen 2007 en 2012 zijn 93 medewerkers, die betrokken waren bij het productiewerk, op natuurlijke wijze uitgestroomd en is het vrijvallende productiewerk en productiewerk als gevolg van groei van de omzet aan Ruigrok uitbesteed. Dit heeft ertoe geleid dat in 2012 ongeveer 94 % van het productiewerk was uitbesteed aan Ruigrok. De productiewerkzaamheden worden door Ruigrok verricht in het bedrijf van de werkgever en gedeeltelijk (bij pieken in de productie) in de bedrijfsruimte van Ruigrok.

2.4 In het najaar van 2012 heeft de werkgever besloten het laatste deel (6%) van het productiewerk aan Ruigrok uit te besteden en ontslag aan te vragen voor de bij die productie betrokken 47 medewerkers. Deze medewerkers – waaronder de werknemers- zijn veelal langdurig voor de werkgever werkzaam (geweest) op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd.

2.5 Op 7 november 2012 heeft de werkgever melding gedaan op de voet van artikel 3 Wet melding collectief ontslag (WMCO). Op 14 november 2012 zijn op grond van bedrijfseconomische omstandigheden 47 ontslagvergunningen verzocht bij het UWV. Op vrijdag 16 november 2012 zijn de productiemedewerkers door de werkgever op de hoogte gesteld van het voorgenomen ontslag en zijn zij vrijwel onmiddellijk vrijgesteld van de werkzaamheden onder doorbetaling van het salaris. Eveneens vrijwel onmiddellijk is Ruigrok de resterende uitbestede productiewerkzaamheden in de bedrijfsruimte van de werkgever gaan verrichten. De lopende banden en etikettenmachines voor het productiewerk zijn door de werkgever aan een derde (niet zijnde Ruigrok) verkocht en afgevoerd. Bij brief d.d. 22 november 2012 heeft het UWV bevestigd dat de melding collectief ontslag voldoet aan de eisen die artikel 4 van de Wet melding collectief ontslag stelt.

2.6 Vanaf 16 november 2012 heeft overleg plaatsgevonden met de vakorganisaties. In dat kader is een door de vakorganisaties ingeschakelde accountant in de gelegenheid gesteld de bedrijfseconomische positie van de werkgever en de Florimex-groep te onderzoeken. Als resultante van dat onderzoek heeft de accountant op 7 januari 2013 (onder meer) aan de vakorganisaties gerapporteerd dat de werkgever en de Florimex-groep zich door de verliezen van de laatste jaren in een financieel nijpende situatie bevinden en dat er geen ruimte is voor een sociaal plan zonder de continuïteit van de hele groep nog verder in gevaar te brengen.

2.5 Het overleg met de vakorganisaties heeft niet geleid tot een akkoord over een sociaal plan. Tijdens de UWV procedure heeft de werkgever bij brief d.d. 24 januari 2013 aan de met ontslag bedreigde medewerkers een individueel financieel voorstel gedaan, inhoudende een ontslagvergoeding en een vergoeding voor outplacement en opleiding, mits vóór 1 februari 2013 zou worden ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De tekst van de brief aan de medewerkers is vooraf afgestemd met vertegenwoordigers van de vakorganisaties. Het voorstel is, in aanwezigheid van de vakorganisaties, in een personeelsbijeenkomst op 25 januari 2013 gepresenteerd en nader toegelicht. Twaalf medewerkers hebben met het voorstel ingestemd. Acht medewerkers zijn herplaatst.

2.7 Na een uitvoerige schriftelijke procedure heeft het UWV bij beslissing d.d. 28 februari 2013 de gevraagde toestemming voor de (resterende) 27 medewerkers – waaronder de werknemers – geweigerd.

2.8 De werkgever heeft ontbindingsverzoeken ex artikel 7: 685 BW ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemers, welke verzoeken gelijktijdig zijn behandeld met de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure.

3. Gevraagde voorziening

De werknemers vorderen bij wege van voorziening bij voorraad wedertewerkstelling in de eigen functie, dan wel in een andere passende functie elders binnen het bedrijf van de werkgever, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de werkgever in de proceskosten.

4. Verweer

De werkgever heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verwezen naar de gelijktijdig gevoerde procedures tegen de werknemers strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5. Beoordeling

5.1 Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat de werkgever en de Florimex-groep bij beslissing van de Rechtbank Amsterdam d.d. 10 april 2013 in staat van faillissement zijn verklaard. Omdat de stukken zijn overgelegd en vonnis is gevraagd vóór de faillietverklaring is de procedure niet geschorst en wordt vonnis gewezen.

5.2 Bij beslissing van heden heeft de kantonrechter in de ontbindingsprocedures de arbeidsovereenkomsten met de werknemers ontbonden per 1 mei 2013 zonder toekenning van enige vergoeding. Voorts zijn de werkgever en de Florimex groep per 10 april 2013 failliet. Onder die omstandigheden ontvalt het belang aan de vordering tot tewerkstelling en zal de vordering worden afgewezen.

5.3 De omstandigheden van het geval geven de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in dier voege dat elke partij de eigen kosten zal dragen.

6. Beslissing in de voorziening bij voorraad

De kantonrechter:

- weigert de gevraagde voorziening;

- compenseert de proceskosten in dier voege dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.P. Mulder en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2013.