Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7229

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
09-711550-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht; zware mishandeling, subsidiair medeplegen mishandeling (1) en openlijk geweld (2) in het Oranjepark en openlijk geweld (3) op het Oranjeplein in het Westland.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het door de slachtoffers van het eerste feit bekomen letsel kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank dient voorts de vraag te beantwoorden of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, het opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en op het medeplegen daarvan.

Indien deze vragen voor beide slachtoffers dan wel één van de slachtoffers ontkennend beantwoord wordt, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de - al dan niet voorwaardelijk - opzettelijke mishandeling van deze slachtoffers of dit slachtoffer.

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld tegen deze slachtoffers. De vraag die hierbij centraal staat is de vraag of de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld, kort gezegd de vraag of zijn gedrag het geweld heeft bevorderd.

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde is het de vraag of de verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. De verdachte wordt vrijgesproken van de zware mishandeling. Ten aanzien van het medeplegen van de mishandeling en het tweemaal plegen van openlijk geweld wordt hij veroordeeld tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringsbegeleiding, een leerstraf en een werkstraf.

Daarnaast gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. En de bepaling dat de eventueel ten uitvoer te leggen jeugddetentie ook als zodanig dient te worden tenuitvoergelegd indien de verdachte de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/711550-12

Datum uitspraak: 5 april 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] [datum] 1996,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 21 maart 2013, waarna het onderzoek ter terechtzitting van 25 maart 2013 is gesloten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. Gussenhoven en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. M.F.A. Enait, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een of

meerdere pers(o)on(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel (te weten [slachtoffer 1] een gebroken onderkaak en

gevoelloze onderlip en/of [slachtoffer 2] ernstig nierletsel), heeft toegebracht,

- door deze [slachtoffer 1] opzettelijk met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd

te trappen en/of

- deze [slachtoffer 2] hoog op te tillen en vervolgens met kracht op de grond te

gooien en/of te laten vallen en/of vervolgens, terwijl deze [slachtoffer 2] op de

grond lag, meermalen te schoppen in het gezicht en/of tegen het lichaam van

die [slachtoffer 2] en/of meerdere bierflesjes stuk te slaan op het lichaam, van die

[slachtoffer 2];

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend (een) perso(o)n(en) (te weten [slachto[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2])

- met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van

die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of

- die [slachtoffer 2] met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] hoog heeft opgetild en vervolgens met kracht op de grond heeft

gegooid en/of laten vallen en/of vervolgens, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond

lag, die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft

geschopt en/of meerdere bierflesjes heeft stukgeslagen op het lichaam van die

[slachtoffer 2], waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel heeft/hebben bekomen

en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Oranjepark, in elk geval

op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3]

en/of

- het trappen tegen het hoofd en/of de hals en/of het lichaam van die [slachtoffer 3]

en/of

- het slaan en/of stompen en/of schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van

die [slachtoffer 1] en/of

- het optillen en vervolgens hardhandig op de grond gooien en/of laten vallen

van die [slachtoffer 2] en/of het schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die

[slachtoffer 2] en/of

- het stukslaan van bierflesjes op het lichaam van die [slachtoffer 2];

3.

hij op of omstreeks 11 augustus 2012 te De Lier, gemeente Westland, met een

ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten het Oranjeplein, in elk

geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], welk geweld bestond uit

- het geven van een kopstoot aan die [slachtoffer 4] en/of

- het slaan met gebalde vuist tegen het linkeroog van die [slachtoffer 4] en/of

- het slaan met gebalde vuist tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] en/of

- het schoppen tegen het hoofd en/of de onderarm en/of het lichaam van die

[slachtoffer 5];

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 augustus 2012 te De Lier, gemeente Westland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

mishandelend een perso(o)nen (te weten [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5])

met gebalde vuist tegen het linkeroog van die [slachtoffer 4] heeft geslagen en/of

met gebalde vuist tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] heeft geslagen en/of

die [slachtoffer 5] heeft geschopt en/of geslagen tegen het hoofd en/of tegen

zijn onderarm en/of tegen het lichaam, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] en/of

[slachtoffer 5] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

3. Bewijsoverwegingen1

3.1 Inleiding

Op grond van de in de voetnoten opgesomde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat zich op 15 september 2012 in het Oranjepark te 's-Gravenzande het volgende heeft afgespeeld.

[slachtoffer 3], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] bevonden zich op een bankje in het park.23 Omdat het donker was in het park, hadden zij de verlichting van een aantal fietsen aangezet.4

Op enig moment kwam een groep jongens naar het bankje toe lopen. Eén van de jongens uit deze groep vroeg aan de jongens en meisjes op het bankje wie zij waren, waarop [slachtoffer 3] zei: "Je moeder". Daarop kreeg [slachtoffer 3] een vuistslag tegen haar gezicht en direct daarna werd [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd getrapt.56 [slachtoffer 1] raakte daardoor buiten bewustzijn. [slachtoffer 2] kreeg vervolgens een klap op zijn oog78 en [slachtoffer 1] werd nagetrapt toen hij al op de grond lag.9

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] renden daarna richting de uitgang van het park. Voordat zij de uitgang bereikten werd [slachtoffer 2] vastgepakt door iemand die hem optilde en op de grond gooide. Toen hij weer opgestaan was en probeerde weg te komen, werd hij nogmaals geslagen, waarop hij wederom viel en waarna hij door een aantal jongens uit de groep meerdere malen werd geschopt.1011

[slachtoffer 1] heeft door de trap in zijn gezicht, naast pijn en een hersenschudding een gebroken onderkaak opgelopen.12

[slachtoffer 2] heeft door het hierboven beschreven geweld een gekneusde pols, een blauw oog pijn13 en mogelijk een nierbloeding opgelopen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard aanwezig te zijn geweest in de buurt van het bankje in het Oranjepark ten tijde van de vechtpartij, maar heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van enig geweld jegens de slachtoffers. De verdachte heeft bekend buiten het park één van de slachtoffers een trap te hebben gegeven, naar zijn zeggen om hem in bescherming te nemen en weg te jagen, zodat hij niet opnieuw aangevallen zou worden.

De rechtbank stelt voorts op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 11 augustus 2012 op het Oranjeplein in De Lier [slachtoffer 5] een klap op zijn hoofd van een dikke donkere jongen en een schop tegen zijn lichaam van een iel mannetje met een getinte [de rechtbank leest: huid] kreeg. [slachtoffer 5] heeft aan een verbalisant de twee jongens aangewezen die hem op zijn hoofd hadden geslagen en hadden geschopt. 14 Deze jongens bleken [medeverdachte 1] en de verdachte te zijn.15 De getuige [getuige ] heeft verklaard dat zijn broer [slachtoffer 5] van een gezette jongen een trap tegen zijn hoofd kreeg en dat een kleine jongen tegen de onderarm van zijn broer schopte, dat zijn broer de gezette jongen aanwees aan een politieman en dat de kleine jongen bij de politieman stond .16

[slachtoffer 4] heeft bij deze gelegenheid een kopstoot en een vuistslag in zijn gezicht gekregen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verwezen naar zijn verklaring bij de politie waaruit blijkt dat hij niets van het ten laste gelegde zou weten.

Essentie

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het door de slachtoffers van het eerste feit bekomen letsel kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank dient voorts de vraag te beantwoorden of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, het opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en op het medeplegen daarvan.

Indien deze vragen voor beide slachtoffers dan wel één van de slachtoffers ontkennend beantwoord wordt, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de - al dan niet voorwaardelijk - opzettelijke mishandeling van deze slachtoffers of dit slachtoffer.

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld tegen deze slachtoffers. De vraag die hierbij centraal staat is de vraag of de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld, kort gezegd de vraag of zijn gedrag het geweld heeft bevorderd.

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk geweld jegens [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] dan wel de mishandeling van (één van) deze personen.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Zij is echter van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de zware mishandeling van [slachtoffer 1], maar dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de zware mishandeling van [slachtoffer 2]. Zij heeft daartoe aangevoerd dat vanuit de groep van de verdachte en zijn medeverdachten is besloten om het geweld voort te zetten nadat al zwaar geweld was gebruikt en de verdachte daarbij de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat dat [slachtoffer 2] daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Zij is tevens van mening dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3].

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4].

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van opzet. Niet overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf geweld heeft gebruikt, nu de aangevers niet naar de verdachte wijzen en de signalementen ook niet overeen komen met de verdachte.

Ten aanzien van de trap die de verdachte heeft bekend buiten het park te hebben gegeven, voert de raadsman aan dat deze lezing wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 5]. De raadsman heeft zich overigens op het standpunt gesteld dat de verdachte niet gericht geweld heeft gebruikt.

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving van twee personen met een getinte huidskleur in combinatie met de herkenning van de broer van de verdachte onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

Zwaar lichamelijk letsel

Uit de medische informatie van [slachtoffer 1], d.d. 2 oktober 2012, blijkt dat hij een gebroken kaak heeft opgelopen, waarvoor repositie en fixatie onder algehele anesthesie noodzakelijk was, waarvan de genezingsduur geschat werd op zes weken en waarvan na zes maanden het osteosynthesemateriaal en een verstandskies verwijderd moeten worden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het letsel, de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen en de geschatte genezingsduur maken dat het letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Uit verschillende stukken in het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] naast een pijnlijke pols heel veel pijn heeft gehad, zogenoemde koliekpijn, in zijn rechterflank, waarvoor hij meerdere onderzoeken heeft moeten ondergaan en waardoor hij tijdens een vlak na 15 september 2012 geplande schoolreis naar het buitenland, niet heeft kunnen deelnemen aan tal van activiteiten. Uit de medische informatie d.d. 16 november 2012 leidt de rechtbank af dat de koliekpijn waarschijnlijk het gevolg was van een nierbloeding en dat de klachten geleidelijk zijn verdwenen. Van noodzakelijk medisch ingrijpen noch van een lange genezingsduur is gebleken, zodat de rechtbank van oordeel is dat er in het geval van [slachtoffer 2] geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal uiteraard bij de strafmotivering rekening houden met de hierboven omschreven gevolgen voor [slachtoffer 2].

Gelet hierop al zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde, voor zover het (het medeplegen van) de zware mishandeling van [slachtoffer 2] betreft.

(Medeplegen van) zware mishandeling van [slachtoffer 1]

Zowel [getuige 5] als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hebben verklaard dat er een groep van zes jongens het park inging en dat deze groep bestond ui[medeverdachte 1]verdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en de verdachte.17 Vier jongens uit de groep renden als eerste het park in, waarbij [medeverdachte 5] voorop liep,18 en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] gingen daar iets achteraan het park in.1920 De rechtbank leidt hieruit af dat de vier die vooruit renden en vooraan bij het bankje stonden [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en de verdachte waren.

Vanuit deze groep is [slachtoffer 1] tegen zijn kaak getrapt. Er is wettig noch overtuigend bewijs dat de verdachte deze trap zou hebben gegeven.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of er sprake was van medeplegen.

De rechtbank acht het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen, nu uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van de zware mishandeling en ook niet van dubbel opzet, te weten op het medeplegen van de zware mishandeling en op de zware mishandeling.

Kort gezegd kan niet vast komen te staan dat de verdachte de zware mishandeling voor ogen hadden op het moment dat zij het park ingingen en voor het bankje stonden.

(Medeplegen van) mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn na het geweld bij het bankje weggerend richting de uitgang van het park. Vlak voor de uitgang heeft [medeverdachte 4] [slachtoffer 2] opgetild en op de grond gegooid.2122 [slachtoffer 2] stond hierna op en begaf zich in de richting van de uitgang. Vlak buiten het park heeft [medeverdachte 4] [slachtoffer 2] tegen zijn hoofd geslagen23, waarna [medeverdachte 2] hem tegen zijn achterhoofd heeft geschopt24. Hierna is [slachtoffer 2], terwijl hij op de grond lag, geschopt. [getuige 4] heeft verklaard dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 2] heeft geschopt.25 [medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer 2] meerdere malen tegen zijn rug en zijn benen werd getrapt door [medeverdachte 1] en de verdachte.26

Voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is op grond van bovenstaande beschrijving van hetgeen zich heeft afgespeeld in en buiten het Oranjepark, waarbij door verschillende leden van de groep waartoe de verdachte behoorde geweld is gebruikt jegens de slachtoffers, in combinatie met de wezenlijke bijdrage aan het geweld door de verdachte vlak buiten het park, van oordeel dat vaststaat dat er sprake was van een nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering, waarbij het opzet van de verdachte, zo leidt de rechtbank af uit de handelingen van de verdachte, gericht was op de mishandeling en op het tezamen en in vereniging plegen van deze mishandeling.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die daardoor letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden.

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegd dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Openlijk geweld

Uit bovenstaande komt naar voren dat het geweld op drie opeenvolgende momenten heeft plaatsgevonden, te weten bij het bankje in het park, vlakbij de uitgang van het park en buiten het park. De rechtbank is van oordeel dat dit geweld, gelet op het feit dat de momenten elkaar in een zeer kort tijdsbestek hebben opgevolgd en dat steeds de leden van dezelfde groep, in wisselende samenstelling, het geweld hebben gepleegd, dient te worden beschouwd als een voortdurende situatie.

Het geweld werd gepleegd vanuit een groep, waarvan de leden elkaar getalsmatig versterkten en waarvan de verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd. De verdachte stond vanaf het begin bij de groep van waaruit het geweld werd gepleegd en heeft bovendien geweld zelf gebruikt op het laatste moment, te weten buiten het park.

De verdachte heeft zich naar het oordeel van de rechtbank aldus schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Feit 3

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten opgesomde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens [slachtoffer 5].

Ten aanzien van het geweld jegens [slachtoffer 4] bevindt zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring op dit punt.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

(subsidiair)

hij op 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mishandelend

- met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam van [slachtoffer 1] heeft getrapt en

- [slachtoffer 2] met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen en

- die [slachtoffer 2] hoog heeft opgetild en vervolgens op de grond heeft gegooid en vervolgens, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, die [slachtoffer 2] meermalen tegen het lichaam heeft

geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden;

2.

hij op 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, met anderen, aan de openbare weg, Oranjepark, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] en

- het schoppen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- het optillen en vervolgens op de grond gooien van die [slachtoffer 2] en het schoppen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 2];

3.

hij op 11 augustus 2012 te De Lier, gemeente Westland, met een ander, op de openbare weg, te weten het Oranjeplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5], welk geweld bestond uit

- het slaan met gebalde vuist tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] en

- het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 5].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zij strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen waarvan 15 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun, en daarnaast tot een leerstaf voor de duur van 40 uur, te weten de leerstraf SoCool, en ten slotte tot een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van strafoplegging.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan het medeplegen van de mishandeling van volstrekt willekeurige slachtoffers die respectievelijk in het gezicht werden gestompt en tegen zijn gezicht getrapt. De jongen die tegen zijn gezicht werd getrapt viel bewusteloos van de bank viel en, zo bleek later, had een gebroken kaak opgelopen. De verdachte heeft zich daarna niet bekommerd om deze slachtoffers en heeft zich zelfs niet gedistantieerd van de groep van waaruit het geweld werd gepleegd, maar liep mee tot vlak buiten het park waar hij samen met een ander op een andere jongen, eveneens een volstrekt willekeurig slachtoffer, heeft ingetrapt op een manier die zodanig was dat een eerder slachtoffer dat getuige was van dit schoppen door de verdachte en een mededader dacht dat het slachtoffer dood zou gaan. De verdachte is pas opgehouden met het schoppen van deze jongen toen zijn mededader door anderen werd weggetrokken.

Uit de slachtofferverklaring die namens [slachtoffer 1], de jongen die in zijn gezicht is getrapt, ter terechtzitting door zijn moeder is voorgelezen blijkt hoe ingrijpend de gevolgen van het geweld voor dit slachtoffer zijn geweest en nog altijd zijn. Mogelijk zal er zelfs sprake zijn van blijvend letsel.

De moeder van [slachtoffer 2], de jongen die vlak buiten het park meerdere schoppen heeft gekregen, heeft ter terechtzitting een slachtofferverklaring voorgelezen waaruit eveneens blijkt hoe ingrijpend de gevolgen van het geweld voor dit slachtoffer en zijn omgeving zijn geweest.

De gevolgen voor beide slachtoffers betrekking op hun fysieke gesteldheid, maar ook in vergaande mate op hun gevoel van veiligheid.

Ook het slachtoffer [slachtoffer 3] heeft, zo blijkt uit de toelichting bij haar vordering benadeelde partij, nog altijd te kampen met de gevolgen die de feiten voor haar met zich hebben gebracht.

De verdachte heeft door te handelen zoals bewezen verklaard ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen. Het is bepaald niet aan de verdachte toe te schrijven dat de gevolgen niet nog veel ernstiger waren.

Naast deze feiten heeft de verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens een ander slachtoffer. Ook hierbij heeft de verdachte van geen enkel respect voor de lichamelijke integriteit van anderen betuigd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 15 maart 2013 waarin wordt aangegeven dat recidiverisico wordt ingeschat op gemiddeld en waarin geadviseerd wordt om aan de verdachte op te leggen de leerstraf So Cool alsmede een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met als bijzondere voorwaarde het houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg in het kader van de maatregel hulp en steun.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht door de heer R.W. Timmers, jeugdreclasseringsmedewerker, die na te zijn aangemerkt en beëdigd als deskundige, heeft verklaard dat de jeugdreclassering zich aansluit bij het advies van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot oplegging van de leerstraf SoCool (de reguliere variant) en daarnaast een al dan niet deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht door mevrouw N. van den Bogerd, raadsonderzoeker, die na te zijn aangemerkt een beëdigd als deskundige heeft verklaard dat de leerstraf SoCool goed aansluit bij de behoeften en het lage IQ van de verdachte, eventueel aangevuld met een werkstraf.

De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de feiten en in het bijzonder de ernst van het letsel, de rol die de verdachte heeft gehad bij de bewezenverklaarde feiten en het gegeven dat de verdachte geen openheid van zaken geeft. De rechtbank zal dan ook een straf opleggen die hoger is dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur en met na te melden bijzondere voorwaarden, die de verdachte ervan dienen te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten, en daarnaast de leerstraf SoCool en een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.933,77, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.745,28, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 900,00.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zij geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten slotte heeft zij ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] acht de rechtbank deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, subsidiair, en 2 bewezenverklaarde feiten.

Ten aanzien van de overige posten zal de rechtbank de vordering toewijzen tot het bedrag van € 313,77, nu de vordering voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij, de vordering niet inhoudelijk is betwist door of namens de verdachte en uit het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, subsidiair, en 2 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.813,77.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 15 september 2012 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer 2]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal de rechtbank deze met betrekking tot de ter terechtzitting opgevoerde schadepost met betrekking tot de bijkomende kosten van de werkweek alsmede de onder 6 opgenomen kosten van de werkweek niet-ontvankelijk verklaren, nu de bijkomende kosten niet zijn onderbouwd en de kosten van de werkweek niet het rechtstreekse gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00 naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, subsidiair, en 2 bewezenverklaarde feiten.

Ten aanzien van de overige posten zal de rechtbank de vordering toewijzen tot het bedrag van € 336,39, nu de vordering ten aanzien van die posten voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij, de vordering niet inhoudelijk is betwist door of namens de verdachte en uit het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, subsidiair, en 2 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.336,39.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 15 september 2012 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer 3]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] zal de rechtbank deze, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 750,00 naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 750,00 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair en het onder 2 en 3 ten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

MEDEPLEGEN VAN MISHANDELING, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 2 en feit 3:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 45 (zegge: vijfenveertig) dagen

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 30 (zegge: dertig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

de rechtbank bepaalt hierbij dat de jeugddetentie ook als zodanig dient te worden opgelegd indien de verdachte de leeftijd van achttien jaar reeds heeft bereikt ten tijde van de eventuele tenuitvoerlegging;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, voor de tijd van 150 (zegge: honderdvijftig) uren; bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 110 (zegge: honderdtien) uren,

alsmede uit een leerstraf, te weten SoCool, voor de tijd van 40 (zegge: veertig uren);

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van respectievelijk 55 (zegge: vijfenvijftig) en 20 (zegge: twintig) dagen;

de rechtbank bepaalt hierbij dat de jeugddetentie ook als zodanig dient te worden opgelegd indien de verdachte de leeftijd van achttien jaar reeds heeft bereikt ten tijde van de eventuele tenuitvoerlegging;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[slachtoffer 1], een bedrag van € 1.813,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

[slachtoffer 2], een bedrag van € 1.336,39, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

[slachtoffer 3], een bedrag van € 750,00;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partijen, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.813,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] en een bedrag groot

€ 1.336,39, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

€ 750,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5, 3 respectievelijk 2 dagen;

de rechtbank bepaalt hierbij dat de jeugddetentie ook als zodanig dient te worden opgelegd indien de verdachte de leeftijd van achttien jaar reeds heeft bereikt ten tijde van de eventuele tenuitvoerlegging;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Dam, kinderrechter,

en mr. P.J. Schreuder, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2013.

1 Wanneer hierna ten aanzien van de feiten 1 en 2 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1563 2012197919

Wanneer hierna ten aanzien van feit 3 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1563 2012169330

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], blz. 147

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], blz. 162

4 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 19 februari 2013, onder 13

5 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris op 19 februari 2013, onder 3

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], blz. 177 en 178

7 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, onder 4

8 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, onder 3

9 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, onder 8

10 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 19 februari 2013, onder 4

11 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris op 19 februari 2013, onder 3, 4 en 5

12 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1], blz. 151

13 Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 2], blz. 178

14 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 5], blz. 17 en 18.

15 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 20, 21

16 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige ], blz. 28

17 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris op 15 februari 2013, onder 2

18 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 5], blz. 396, halverwege

19 Proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris, onder 2

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], blz. 68, laatste alinea en blz. 69 voorlaatste alinea

21 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], blz. 178, halverwege

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], blz. 318, voorlaatste alinea

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], blz. 69, laatste alinea, regel 6 en 7

24 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], blz. 48, 4e alinea

25 Verklaring van [getuige 4] bij de rechter-commissaris

26 Verklaring [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris