Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7184

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
AWB 08/3831
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is uitgezonden geweest naar Srebrenica. Vastgesteld is dat eiser lijdt aan een PTSS als gevolg van traumatische militaire oorlogservaringen tijdens zijn uitzending.

Eiser is in aanmerking gebracht voor een militair invaliditeitspensioen.

Namens eiser is verweerder aansprakelijk gesteld voor de gevolgen die PTSS voor eiser heeft en is daartoe een vordering ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 26 april 2007 de vordering afgewezen omdat zij is verjaard.

Rb.: De Rb. zal eerst beoordelen of, zoals gesteld, verweerder inconsistent handelt voor zover het betreft het inroepen van de verkorte verjaringstermijn. Zij stelt vast dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat verweerder willekeurig handelt bij het inroepen van de verkorte verjaringstermijn.

Uit de Nota van Toelichting bij de Ereschuldregeling blijkt dat verweerder ook voor de toekomst voornemens is onverkort vast te houden aan zijn beleidsbepaling. Voor zover eiser zich ter onderbouwing van zijn standpunt beroept op de concepttekst van art. 8a van Besluit AO/IV gaat de Rb. daaraan voorbij nu zij het bestreden besluit dient te beoordelen op grond van het recht zoals dat gold ten tijde van de totstandkoming van het besluit.

De Rb. onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser voor 12 februari 2002 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon en dat eiser voor die datum zijn aanspraak aan verweerder bekend had kunnen en ook had moeten maken.

Aan het betoog van eiser dat hij eerst na het gesprek met zijn raadsman begin 2007 over de kwaliteit van de nazorg heeft begrepen dat verweerder de veroorzaker van de schade was, kan niet dat gewicht worden toegekend dat eiser daaraan wil toekennen. Van eisers psychische klachten kan niet gezegd worden dat de herkomst daarvan voor hem niet zonder meer duidelijk was. Deze gezondheidsschade is in maart 2000 nadrukkelijk als een PTSS gekwalificeerd en in relatie gebracht met de uitzending van eiser naar Srebrenica. Vanaf dat moment kon eiser met voldoende mate van zekerheid weten dat zijn werkzaamheden in dienst bij verweerder de schade hebben veroorzaakt. Anders dan in de gevallen die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad in Saelman/AZVU (HR 31 oktober 2003, NJ 2006/112, LJN: AL8168) en BASF/Rensink (HR 24 januari 2003, NJ 2003, 300, LJN: AF0694) is er in het geval van eiser geen twijfel over de mogelijke oorzaak van het letsel. In maart 2000 was duidelijk dat de klachten van eiser gerelateerd waren aan de uitzending. Of achteraf geoordeeld in de jaren negentig van de vorige eeuw de kwaliteit van de nazorg te wensen overliet kan in dit geval dan ook niet van doorslaggevende betekenis zijn bij het bepalen van het aanvangstijdstip van de verjaring.

Uit het dossier blijkt dat eiser actief op zoek is geweest naar een mogelijke behandeling en oplossing voor zijn klachten en problemen. De Rb. passeert de stelling van eiser dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat is geweest tijdig verweerder aansprakelijk te stellen. Uit de stukken blijkt niet dat de psychische klachten van eiser dusdanig zijn geweest dat het voor hem daardoor niet mogelijk was verweerder aansprakelijk te stellen. Dat geldt temeer nu eiser op 9 februari 2004 in staat is geweest een verzoek om een militair invaliditeitspensioen in te dienen, hetgeen er ook op wijst dat eiser verweerder zag als de veroorzaker van zijn gezondheidsschade.

Het standpunt van eiser dat dienstfunctionarissen in het CMH hem hadden moeten attenderen op de mogelijkheid om verweerder voor restschade aansprakelijk te stellen volgt de Rb. niet. Eiser heeft geen geschreven of ongeschreven rechtsregel kunnen duiden op grond waarvan deze functionarissen daartoe gehouden zouden zijn. Ook is de Rb. niet bekend met een dergelijke toentertijd op medewerkers bij het CMH rustende specifieke informatieplicht. Daarbij komt dat eiser sinds 1999 contact had met een belangenbehartiger van de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO) en ook die persoon zou eiser op de mogelijkheid om verweerder tijdig aansprakelijk te stellen voor restschade hebben kunnen wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/3831

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2013 in de zaak tussen

[eiser]

(gemachtigde: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden),

en

de minister van Defensie (voorheen: de staatssecretaris van Defensie), verweerder

(gemachtigde: mr. A.E.P. van Zandbergen).

Procesverloop

In de periode december 1994 tot en met juni 1995 is eiser uitgezonden geweest naar Srebrenica. In maart 2000 is door het Hoofd van de Afdeling Psychiatrie van het Centraal Militair Hospitaal (CMH) vastgesteld dat eiser lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) als gevolg van traumatische militaire oorlogservaringen tijdens zijn uitzending.

Eiser is in aanmerking gebracht voor een militair invaliditeitspensioen vanaf 3 maart 2003 op grond van een daartoe op 9 februari 2004 ingediende aanvraag.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft de gemachtigde namens eiser verweerder aansprakelijk gesteld voor de gevolgen die PTSS voor eiser heeft en daartoe een vordering ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 26 april 2007 de vordering afgewezen omdat zij is verjaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 29 mei 2007 bezwaar gemaakt, welk bezwaar verweerder bij besluit van 16 april 2008 ongegrond heeft verklaard.

Eiser heeft bij brief van 23 mei 2008 beroep ingesteld tegen het besluit van

verweerder van 16 april 2008. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij

brief van 23 juni 2008.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Bij brief van 24 november 2008 heeft eiser er op gewezen dat een rechterlijk oordeel over de verjaringsproblematiek rondom PTSS in zijn zaak uitstraling heeft voor andere zaken en verzocht op korte termijn een zittingsdatum te bepalen.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tijdens de behandeling ter zitting is het onderzoek geschorst.

Bij tussenuitspraak van 2 maart 2009 heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na deze tussenuitspraak zijn stelling te onderbouwen dat verweerder niet consistent handelt ten aanzien van het inroepen van de korte verjaringstermijn van vijf jaar bij aanspraken op letselschade.

Bij brief van 10 april 2009 heeft eiser verzocht om een nadere termijn van twee weken.

In verband met een bemiddeling van de Nationale Ombudsman met betrekking tot letselschades als de onderhavige heeft eiser verzocht om verlenging van de nadere termijn.

Bij brief van 25 juni 2010 heeft eiser een persbericht van de Nationale Ombudsman alsmede diens brief aan verweerder, beide van 1 juni 2010, overgelegd en betoogd dat het beroep van eiser gegrond verklaard zal moeten worden.

In reactie daarop heeft verweerder bij brief van 19 augustus 2010 het volgende meegedeeld.

“Het bemiddelingsresultaat van de Nationale Ombudsman heeft mij aanleiding gegeven de gemachtigden van de veteranen die het Ministerie van Defensie aansprakelijk hebben gesteld voor de klachten die zij hebben opgelopen als gevolg van hun inzet als militair tijdens een vredes- of humanitaire missie onder oorlogsomstandigheden nader te informeren over de voortgang van de behandeling van de procedures die zich in de primaire-, de bezwaar-, of de gerechtelijke fase bevinden. Daarbij heb ik bedoelde gemachtigden in overweging gegeven de behandeling van bedoelde procedures aan te houden in afwachting van een mogelijke regeling.”

Bij brief van 27 augustus 2010 heeft eiser de rechtbank verzocht hem een reactietermijn tot

1 januari 2011 te verlenen. Op verzoek van eiser is deze termijn nadien verlengd tot 1 juli 2011.

Bij brief van 30 juni 2011 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld en verzocht aan hem op grond van artikel 8:72, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorschot van € 5000, althans een geldsbedrag toe te kennen.

Bij brief van verweerder van 29 juli 2011 stelt verweerder het te betreuren dat de beoogde schadevergoedingsregeling voor veteranen er nog niet is, maar daarin geen aanleiding te zien het door hem ingenomen standpunt in deze procedure te wijzigen. Verweerder acht geen termen aanwezig aan het verzoek om toekenning van een voorschot tegemoet te komen.

Bij brief van 20 juli 2012 geeft eiser een onderbouwing van zijn standpunt dat verweerder niet consistent handelt ten aanzien van het inroepen van de korte verjaringstermijn van vijf jaar.

Bij brief van 20 augustus 2012 reageert verweerder op eisers standpunt in zijn brief van 20 juli 2012.

In december 2012 is aan eiser in het kader van de Ereschuldregeling veteranen (hierna: Ereschuldregeling) een uitkering van € 125.000 toegekend.

Bij brief van 1 maart 2013 reageert eiser op verweerders standpunt in de brief van 20 augustus 2012.

De openbare behandeling van het beroep is voortgezet op 28 maart 2013. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het bestreden besluit en het nader standpunt van verweerder

1.1 In het bestreden besluit heeft verweerder als volgt gereageerd op de argumenten van eiser dat de verkorte verjaringstermijn door verweerder ten onrechte is ingeroepen.

“Voor wat betreft uw stelling dat u in maart 2000 niet bekend was met de veroorzaker van de schade stel ik vast dat u toen in ieder geval wel bekend bent geworden, dan wel was, met het feit dat u gezondheidsschade had opgelopen in de vorm van een posttraumatische stress-stoornis. Deze diagnose is gesteld naar aanleiding van een doorverwijzing van de BNMO in december 1999 naar het CMH. Tijdens het intake traject is onder andere aan de orde geweest dat uw klachtenpatroon overeenkomt met PTSS en dat deze duidelijk is gerelateerd aan uw uitzending. Verder blijkt uit de informatie van huisarts (…) te (…), dat hij al in 1998 met u heeft gesproken over PTSS in verband met onder andere uw uitzending naar Bosnië. Door onder andere de ervaringen die u tijdens deze uitzending hebt opgedaan, hebt u een psychotrauma opgelopen. (…) De door u opgelopen gezondheidsschade – zoals in ieder geval vastgesteld in maart 2000 – is naar mijn oordeel niet het gevolg van een onjuiste of onvolledige nazorg maar van de persoonlijke ervaringen die u onder andere tijdens uw uitzending hebt opgedaan. (…)”

1.2 “Het is juist dat het Ministerie van Defensie bij de beoordeling van PTSS-schadeclaims een beleid voert ten aanzien van het inroepen van verjaring. In schadeclaims ten gevolge van incidenten tijdens crisisbeheersingsoperaties wordt door het Ministerie van Defensie geen beroep gedaan op de absolute verjaringstermijn van 20 jaar. Dit met het oog op de bijzondere zorgplicht voor militaire oorlog- en dienstslachtoffers. Voor deze claims wordt gehandeld in overeenstemming met art. 3:310 lid 5 BW, wat inhoudt dat er alleen een beroep wordt gedaan op de verkorte verjaringstermijn van 5 jaar, ook wanneer de gezondheidsschade dateert van vóór 1 februari 2004. (…)

(…) dat een beroep op verjaring in deze zaak in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap gaat naar mijn oordeel niet op. (…) In uw geval stel ik vast dat u, nadat de diagnose PTSS door de artsen van het CMH is gesteld, op initiatief van de werkgever in de gelegenheid bent gesteld om een passend behandelprogramma te volgen.”

1.3 “Vanaf het bekend worden van de klachten en de mogelijke oorzaak daarvan heeft het Ministerie van Defensie u in de gelegenheid gesteld om passende zorg te krijgen. U bent destijds begonnen met een gerichte behandeling doch deze heeft, als gevolg van niet aan het Ministerie van Defensie toe te rekenen omstandigheden, niet tot het gewenste resultaat geleid. Verder hebt u vanuit uw rechtspositie als (gewezen) militair aanspraak kunnen maken op diverse voorzieningen, waaronder een militair invaliditeitspensioen.

Uit de door mij verkregen informatie blijkt niet dat u, vanaf het moment dat u bekend was met uw psychische klachten, niet in staat bent geweest om uw situatie naar behoren in te schatten dan wel een oordeel te vormen over de wijze waarop u hulp zou kunnen krijgen. Op meerdere momenten vanaf in ieder geval 1996 hebt u contact gezocht met artsen dan wel hulpverleners, waarbij de problemen die speelden door u bespreekbaar zijn gemaakt en waarbij er voor wat betreft de mogelijke oplossingen, keuzes en afspraken zijn gemaakt. (…) Aldus ben ik van oordeel dat u zeer goed in staat bent geweest om een oordeel te vormen over de situatie waarin u verkeerde. (…)”

1.4 In het verweerschrift van 20 augustus 2012 heeft verweerder met betrekking tot de samenloop tussen het aanspraak maken op een uitkering op grond van de ereschuldregeling en het aanhangig zijn van een aansprakelijkheidsprocedure verwezen naar de Nota van Toelichting bij de Ereschuldregeling:

“De bijzondere uitkering komt alle invalide veteranen toe met dien verstande dat de uitkering in voorkomend geval als opkomend voordeel met een toe te kennen schadevergoeding zal worden verrekend. Indien een aansprakelijkheidsprocedure jegens de Staat loopt of wordt gestart dan dient de invalide veteraan de onrechtmatigheid van het handelen van de Staat onverkort aan te tonen. Ook de verjaring is in dit soort situaties onverkort van toepassing.”

1.5 Ten aanzien van de gevallen waarop eiser zich beroept heeft verweerder betoogd dat het niet inroepen van de verjaring in de zaak [A.] een unieke situatie betrof omdat de rechtbank in haar uitspraak van 5 juni 2000 betrokkene had gewezen op de mogelijkheid tot het indien van een schadeclaim. In het geval genoemd in de brief van 18 juli 2008 is zonder erkenning van aansprakelijkheid coulancehalve een vergoeding toegekend. In het geval van de heer [B.] was de vordering niet verjaard aangezien verweerder op 9 juli 1996 aansprakelijk was gesteld en [B.] de verjaring van zijn vordering bij brief van 15 maart 2001 heeft gestuit. In de zaak [C.] is betrokkene op grond van sociale omstandigheden opnieuw aangesteld in militaire dienst en niet in het kader van aansprakelijkstelling, zodat ook niet is getoetst of er sprake was van verjaring. Verweerder concludeert dat het betoog van eiser dat hij niet consistent handelt ten aanzien van het inroepen van de korte verjaringstermijn niet slaagt.

Het standpunt van eiser

2.1 Eiser is de mening toegedaan dat eerst wanneer op basis van argumenten en conclusies gesteld kan worden wie de veroorzaker van de schade is, alsmede op grond waarvan men die veroorzaker als zodanig kan duiden, voldaan wordt aan hetgeen in artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt gesteld. Eiser heeft eerst na het gesprek begin 2007 met zijn raadsman begrepen dat verweerder de veroorzaker was van de schade. Immers, eiser is bekend geworden met het gegeven dat vanaf 1990 geen inzichtelijk beleid is gevoerd met betrekking tot de (na)zorg aan uitgezonden militairen te verlenen alsmede dat verweerder eerst op 30 maart 2006, met het indienen van een brief bij de Tweede Kamer (P/2006009547), de randvoorwaarden en condities heeft aangegeven op grond waarvan de (na)zorg dient plaats te vinden.

2.2 Voor zover toch sprake is van een toepasselijkheid van de korte verjaringstermijn voert verweerder een inconsistent beleid. Ter onderbouwing van dit standpunt beroept eiser zich op de situatie als weergegeven in een brief van verweerder aan de heer [A.] van 20 augustus 2000 in samenhang met de uitspraak in diens zaak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 augustus 2006 (LJN: AY6556), de situatie genoemd in brieven van de Hoofddirecteur Personeel van het Ministerie van Defensie van 13 juni 2008 en 10 juli 2008, de zaak [B.] en de zaak van [C.], welke thans nog bij de rechtbank aanhangig is (AWB 09/33). Volgens eiser blijkt uit artikel 7 van de Veteranenwet en de voorgestelde tekst van artikel 21a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) dat deze dejuridisering in zich herbergt en de verjaring daarbij wordt uitgesloten. In dit kader wijst eiser ook op het nieuw in te voeren artikel 8a van Besluit AO/IV waarin een onderscheid wordt gemaakt dat inhoudt dat veteranen die vóór 1 juli 2007 zijn ontslagen en die, boven het bedrag dat in het kader van de regeling Ereschulden is uitgekeerd, een vordering indienen geconfronteerd kunnen worden met een beroep op verjaring, terwijl veteranen die vóór 1 juli 2007 invaliditeit hebben opgelopen en vervolgens na 1 juli 2007 zijn ontslagen, bij een aanspraak op restschade de verjaring niet meer kan worden tegengeworpen.

2.3 Voorts stelt eiser dat hij behept was met PTSS en alle grote gevolgen van dien (gedragsverandering, financiële- en relatieproblemen, alcohol en drugsmisbruik etc.) en zich dus in een situatie bevond waarin van hem simpelweg niet verwacht kon worden dat hij zich bewust zou kunnen zijn van welke veroorzaker van de schade dan ook.

2.4 Verder is eiser van mening dat nu dienstfunctionarissen in het CMH hem niet hebben voorgelicht over de mogelijkheid om de Staat aansprakelijk te stellen hem de verjaringstermijn niet kan worden tegengeworpen.

2.5 Tenslotte stelt eiser dat niet tijdig op zijn bezwaar is beslist nu daarop te rekenen vanaf het moment (26 juni 2007) van het door hem indienen van de gronden voortvarend binnen 3 maanden, derhalve uiterlijk op 1 oktober 2007 had behoren te worden beslist.

Overwegingen

3 In geschil is of verweerder zich met betrekking tot het geldend maken door eiser van zijn aanspraak op schadevergoeding heeft kunnen beroepen op verjaring.

3.1 Voor de beoordeling wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (CRvB 1 augustus 2000, JB 2000, 260).

3.2 Ingevolge artikel 3:310, eerste lid van het BW – voor zover hier van belang –verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (hierna: verkorte verjaringstermijn).

3.3 Nu eiser zijn vordering op 12 februari 2007 heeft ingesteld ligt, gelet op artikel 3:310, eerste lid, van het BW ter beoordeling voor of eiser al voor 12 februari 2002 in de gelegenheid was om verweerder aansprakelijk te stellen voor de in zijn psychische klachten gelegen gezondheidsschade.

3.4 De rechtbank zal eerst beoordelen of, zoals gesteld, verweerder inconsistent handelt voor zover het betreft het inroepen van de verkorte verjaringstermijn. Zij stelt vast dat eiser met de door hem hiervoor bij 2.2 genoemde gevallen er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat verweerder willekeurig handelt bij het inroepen van de verkorte verjaringstermijn. Verweerder heeft de door eiser genoemde gevallen overtuigend weersproken (1.5). Uit de door verweerder geciteerde en hiervoor bij 1.4 weergegeven passage uit de Nota van Toelichting bij de Ereschuldregeling blijkt dat verweerder ook voor de toekomst voornemens is onverkort vast te houden aan zijn beleidsbepaling. Voor zover eiser zich ter onderbouwing van zijn standpunt beroept op de concepttekst van artikel 8a van Besluit AO/IV gaat de rechtbank daaraan voorbij nu zij het bestreden besluit dient te beoordelen op grond van het recht zoals dat gold ten tijde van de totstandkoming van het besluit.

3.5 De rechtbank onderschrijft het hiervoor onder 1.1 weergegeven standpunt van verweerder dat eiser voor 12 februari 2002 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke (rechts)persoon en dat eiser voor die datum zijn aanspraak aan verweerder bekend had kunnen en ook had moeten maken.

Aan het betoog van eiser dat hij eerst na het gesprek met zijn raadsman begin 2007 over de kwaliteit van de nazorg heeft begrepen dat verweerder de veroorzaker van de schade was, kan niet dat gewicht worden toegekend dat eiser daaraan wil toekennen. Van eisers psychische klachten kan niet gezegd worden dat de herkomst daarvan voor hem niet zonder meer duidelijk was. Deze gezondheidsschade is in maart 2000 nadrukkelijk als een PTSS gekwalificeerd en in relatie gebracht met de uitzending van eiser naar Srebrenica. Vanaf dat moment kon eiser met voldoende mate van zekerheid weten dat zijn werkzaamheden in dienst bij verweerder de schade hebben veroorzaakt. Anders dan in de gevallen die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad in Saelman/AZVU (HR 31 oktober 2003, NJ 2006/112) en BASF/Rensink (HR 24 januari 2003, NJ 2003, 300) is er in het geval van eiser geen twijfel over de mogelijke oorzaak van het letsel. In maart 2000 was duidelijk dat de klachten van eiser gerelateerd waren aan de uitzending. Of achteraf geoordeeld in de jaren negentig van de vorige eeuw de kwaliteit van de nazorg te wensen overliet kan in dit geval dan ook niet van doorslaggevende betekenis zijn bij het bepalen van het aanvangstijdstip van de verjaring.

3.6 Uit het dossier blijkt dat eiser actief op zoek is geweest naar een mogelijke behandeling en oplossing voor zijn klachten en problemen. De rechtbank passeert de stelling van eiser dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat is geweest tijdig verweerder aansprakelijk te stellen. Uit de stukken blijkt niet dat de psychische klachten van eiser dusdanig zijn geweest dat het voor hem daardoor niet mogelijk was verweerder aansprakelijk te stellen. Dat geldt temeer nu eiser op 9 februari 2004 in staat is geweest een verzoek om een militair invaliditeitspensioen in te dienen, hetgeen er ook op wijst dat eiser verweerder zag als de veroorzaker van zijn gezondheidsschade.

3.7 Het standpunt van eiser dat dienstfunctionarissen in het CMH hem hadden moeten attenderen op de mogelijkheid om verweerder voor restschade aansprakelijk te stellen volgt de rechtbank niet. Eiser heeft geen geschreven of ongeschreven rechtsregel kunnen duiden op grond waarvan deze functionarissen daartoe gehouden zouden zijn. Ook is de rechtbank niet bekend met een dergelijke toentertijd op medewerkers bij het CMH rustende specifieke informatieplicht. Daarbij komt dat eiser sinds 1999 contact had met een belangenbehartiger van de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO) en ook die persoon zou eiser op de mogelijkheid om verweerder tijdig aansprakelijk te stellen voor restschade hebben kunnen wijzen.

4 Met de hiervoor onder 2.5 weergegeven grond stelt eiser dat verweerder niet binnen een redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), op zijn verzoek heeft beslist.

4.1 De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.2 Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de CRvB mag de bestuursrechtelijke procedure in drie instanties, behoudens uitzonderingen, niet langer dan vier jaar duren: een half jaar voor het bezwaar, anderhalf jaar voor het beroep en twee jaar voor het hoger beroep. Is de behandelingsduur in een of meer van deze instanties langer geweest, terwijl daar geen goede reden voor bestaat, dan is de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM in de procedure als geheel overschreden en wordt een schadevergoeding toegekend (zie CRvB 26 januari 2009, LJN: BH1009). De hoogte van de vergoeding bedraagt in het algemeen € 500 per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Veiligheid en Justitie).

4.3 De rechtbank stelt vast dat eiser er van uit gaat dat de redelijke termijn is aangevangen na de ontvangst door verweerder op 26 juni 2007 van de gronden van zijn bezwaar tegen het besluit van 26 april 2007. Aangezien op 16 april 2008 op bezwaar is beslist, luidt de conclusie dat niet binnen ten hoogste een half jaar op het bezwaar is beslist. Nu verweerder voor de overschrijding van de beslistermijn in bezwaar met bijna vier maanden geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, ziet de rechtbank daarin aanleiding voor vergoeding van de immateriële schade aan eiser van € 500.

Ten aanzien van de behandelingsduur van het beroep bij de rechtbank geldt dat op verzoek van eiser die behandeling is aangehouden en de lange behandelingsduur daarom niet voor rekening van de Staat dient te worden gebracht.

5 Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verweerder eisers verzoek heeft kunnen afwijzen, moet de rechtbank bij gebreke van een andere wettelijke voorziening dan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiser te kunnen toekennen.

Aangezien het standpunt van verweerder in rechte standhoudt, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

6 De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. Deze kosten worden begroot op € 1180 voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter (nadere) zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 16 april 2008;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van

€ 500 (vijfhonderd euro);

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 1.180 (duizendeenhonderdentachtig euro);

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten

€ 145 (honderdvijfenveertig) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, mr. B. Meijer, lid, mr. S. van Groningen (generaal-majoor b.d. Koninklijke luchtmacht), militair lid, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.