Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7056

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
09/711377-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling, subsidiair medeplegen mishandeling (1) en openlijk geweld (2) in het Oranjepark en openlijk geweld (3) op het Oranjeplein in het Westland.

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het door de slachtoffers van het eerste feit bekomen letsel kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk Letse.

De rechtbank dient voort de vraag te beantwoorden of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, het opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en op het medeplegen daarvan. Indien deze vragen voor beide slachtoffers dan wel één van de slachtoffers ontkennend beantwoord wordt, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de – al dan niet voorwaardelijk – opzettelijke mishandeling van deze slachtoffers of dit slachtoffer.

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit dient de rechtbank de vraagt te beantwoorden of het door de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld tegen deze slachtoffers. De vraag die hierbij centraal staat is de vraag of de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld, kort gezegd de vraag of zijn gedrag het geweld heeft bevorderd.

Ten aanzien vahet derde ten laste gelegde feit dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het door de verdachte gebruikte geweld dient te worden beschouwd als verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens hem , zoals de verdachte heeft betoogd.

De verdachte wordt wegens zware mishandeling (partieel primair), medeplegen mishandeling (partieel subsidiair) en tweemaal openlijk geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden is bevolen.

Daarnaast gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/711377-12

Datum uitspraak: 5 april 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te 's-Gravenzande op [datum] 1995

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 maart 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. Gussenhoven en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. W.S.A.H. Croes, advocaat te Bodegraven, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een of meerdere pers(o)on(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten [slachtoffer 1] een gebroken onderkaak en gevoelloze onderlip en/of [slachtoffer 2] ernstig nierletsel), heeft toegebracht,

- door deze [slachtoffer 1] opzettelijk met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd te trappen en/of

- deze [slachtoffer 2] hoog op te tillen en vervolgens met kracht op de grond te gooien en/of te laten vallen en/of vervolgens, terwijl deze [slachtoffer 2] op de grond lag, meermalen te schoppen in het gezicht en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of meerdere bierflesjes stuk te slaan op het lichaam, van die [slachtoffer 2];

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend (een) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2])

- met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van

die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of

- die [slachtoffer 2] met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] hoog heeft opgetild en vervolgens met kracht op de grond heeft gegooid en/of laten vallen en/of vervolgens, terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geschopt en/of meerdere bierflesjes heeft stukgeslagen op het lichaam van die [slachtoffer 2], waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Oranjepark, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] en/of

- het trappen tegen het hoofd en/of de hals en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of

- het slaan en/of stompen en/of schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het optillen en vervolgens hardhandig op de grond gooien en/of laten vallen van die [slachtoffer 2] en/of het schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- het stukslaan van bierflesjes op het lichaam van die [slachtoffer 2].

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Op grond van de in de voetnoten opgesomde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat zich op 15 september 2012 in het Oranjepark te 's-Gravenzande het volgende heeft afgespeeld.

[slachtoffer 3], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] bevonden zich op een bankje in het park.12 Omdat het donker was in het park, hadden zij de verlichting van een aantal fietsen aangezet.3

Op enig moment kwam een groep jongens naar het bankje toe lopen. Eén van de jongens uit deze groep vroeg aan de jongens en meisjes op het bankje wie zij waren, waarop [slachtoffer 3] zei: "Je moeder". Daarop kreeg [slachtoffer 3] een vuistslag tegen haar gezicht en direct daarna werd [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd getrapt.45 [slachtoffer 1] raakte daardoor buiten bewustzijn.

[slachtoffer 2] kreeg vervolgens een klap op zijn oog en [slachtoffer 1] werd nagetrapt toen hij al op de grond lag.6

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] renden daarna richting de uitgang van het park. Voordat zij de uitgang bereikten werd [slachtoffer 2] vastgepakt door iemand die hem optilde en op de grond gooide.

Toen hij weer opgestaan was en probeerde weg te komen, werd hij nogmaals geslagen, waarop hij wederom viel en waarna hij door een aantal jongens uit de groep meerdere malen werd geschopt.

[slachtoffer 1] heeft door de trap in zijn gezicht, naast pijn en een hersenschudding een gebroken onderkaak opgelopen.

[slachtoffer 2] heeft door het hierboven beschreven geweld een gekneusde pols, een blauw oog, pijn en mogelijk een nierbloeding opgelopen.

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend met de groep meegegaan te zijn naar het park.7

Essentie

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het door de slachtoffers van het eerste feit bekomen letsel kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank dient voorts de vraag te beantwoorden of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, het opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en op medeplegen daarvan.

Indien deze vragen voor beide slachtoffers dan wel één van de slachtoffers ontkennend beantwoord wordt, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de - al dan niet voorwaardelijk - opzettelijke mishandeling van deze slachtoffers of dit slachtoffer.

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in verenging plegen van openlijk geweld tegen deze slachtoffers. De vraag die hierbij centraal staat is de vraag of de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld, kort gezegd de vraag of zijn gedrag het geweld heeft bevorderd.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het letsel van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zij heeft zich in dit kader niet uitgelaten over feit 1 subsidiair.

Zij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld jegens [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3].

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft verklaard geen geweld te hebben gebruikt, laat staan zwaar lichamelijk letsel te hebben toegebracht, dat hij geen intentie had om te vechten, er geen sprake was van een vooropgezet plan en er ook overigens geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit, op grond van het ontbreken van de intentie om te gaan vechten, het ontbreken van een vooropgezet plan en de ontkennende verklaring van de verdachte inhoudende dat hij geen deel heeft uitgemaakt van de vechtende groep.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Zwaar lichamelijk letsel

Uit de medische informatie van [slachtoffer 1], d.d. 2 oktober 2012, blijkt dat hij een gebroken kaak heeft opgelopen, waarvoor repositie en fixatie onder algehele anesthesie noodzakelijk was, waarvan de genezingsduur geschat werd op zes weken en waarvan na zes maanden het osteosynthesemateriaal en een verstandskies verwijderd moeten worden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het letsel, de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen en de geschatte genezingsduur maken dat het letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Uit verschillende stukken in het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] naast een pijnlijke pols heel veel pijn heeft gehad, zogenoemde koliekpijn, in zijn rechterflank, waarvoor hij meerdere onderzoeken heeft moeten ondergaan en waardoor hij tijdens een vlak na 15 september 2012 geplande schoolreis naar het buitenland, niet heeft kunnen deelnemen aan tal van activiteiten. Uit de medische informatie d.d. 16 november 2012 leidt de rechtbank af dat de koliekpijn waarschijnlijk het gevolg was van een nierbloeding en dat de klachten geleidelijk zijn verdwenen. Van noodzakelijk medisch ingrijpen noch van een lange genezingsduur is gebleken, zodat de rechtbank van oordeel is dat er in het geval van [slachtoffer 2] geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal uiteraard bij de strafmotivering rekening houden met de hierboven omschreven gevolgen voor [slachtoffer 2].

Gelet hierop al zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het hem onder 1 primair ten laste gelegde, voor zover het (het medeplegen van) de zware mishandeling van [slachtoffer 2] betreft.

(Medeplegen van) zware mishandeling van [slachtoffer 1]

Zowel [getuige 5] als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hebben verklaard dat er een groep van zes jongens het park inging en dat deze groep bestond uit [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en de verdachte.8 Vier jongens uit de groep renden als eerste het park in, waarbij [medeverdachte 5] voorop liep,9 en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] gingen daar iets achteraan het park in.1011 De rechtbank leidt hieruit af dat de vier die vooruit renden en vooraan bij het bankje stonden [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en de verdachte waren en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] daar vlak achter stonden.

Vanuit de groep is [slachtoffer 1] tegen zijn kaak getrapt.

De medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat de verdachte de jongen op de bank heeft geschopt. De rechtbank stelt vast dat de verdachte niet voldoet aan het door de getuigen genoemde signalement van degene die [slachtoffer 1] tegen zijn kaak heeft geschopt, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 3] dat als enige van de verdachten die bij het bankje stonden wel doet.

Daartegenover staan zoals gezegd de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2], die de verdachte aanwijzen als degene die geschopt heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat [medeverdachte 1] er belang bij heeft om ontlastend te verklaren ten aanzien van zijn broer, [medeverdachte 3], en dat [medeverdachte 5] er eveneens belang bij heeft om ontlastend te verklaren ten aanzien van zijn vriend, met wie hij onder meer samen op vakantie is gegaan. Bovendien is de verklaring van [medeverdachte 5] naar het oordeel van de rechtbank niet betrouwbaar te achten omdat hij wisselend heeft verklaard over de zekerheid van wat hij heeft waargenomen. Als getuige heeft hij verklaard er zeker van te zijn dat de verdachte de jongen op de bank heeft geschopt (echter, vanwege de verklaringen van anderen dat de verdachte niet degene is geweest die heeft geschopt, twijfelde hij). Eerder heeft hij verklaard dat hij de verdachte heeft zien slaan en een schop zien geven, maar dat laatste wist hij niet zeker.

Daarnaast bevond [medeverdachte 2] zich op een afstand van ongeveer 25 meter en daarmee op een grotere afstand van het bankje dan de getuigen [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] die direct zicht hadden op de jongen vóór het bankje waarbij zij werden bijgelicht door fietsverlichting. Bovendien keek [medeverdachte 2] op de rug van [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1] en de verdachte bij het bankje. Hierbij komt dat door [getuige 1] is verklaard dat [slachtoffer 1] werd nagetrapt toen hij op de grond lag en niet valt uit te sluiten dat [medeverdachte 2] die trap heeft gezien.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte deze trap heeft gegeven.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of er sprake was van medeplegen.

De rechtbank acht ook het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen, nu uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van de zware mishandeling en ook niet van dubbel opzet, te weten op het medeplegen van de zware mishandeling en op de zware mishandeling.

Kort gezegd kan niet vast komen te staan dat de verdachte de zware mishandeling voor ogen had op het moment dat hij het park inging en bij het bankje stond.

(Medeplegen van) mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn na het geweld bij het bankje weggerend richting de uitgang van het park. Vlak voor de uitgang heeft [medeverdachte 4] [slachtoffer 2] opgetild en op de grond gegooid. [slachtoffer 2] stond hierna op en begaf zich in de richting van de uitgang. Vlak buiten het park heeft [medeverdachte 4] [slachtoffer 2] tegen zijn hoofd geslagen, waarna [medeverdachte 2] hem tegen zijn achterhoofd heeft geschopt. Hierna is [slachtoffer 2], terwijl hij op de grond lag, geschopt. [getuige 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 2] heeft geschopt. [medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer 2] meerdere malen tegen zijn rug en zijn benen werd getrapt door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1].

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij is meegegaan met de groep naar het park, maar dat hij op enig moment naar huis is gegaan.

De rechtbank is gelet op al het bovenstaande van oordeel dat niet vast staat dat de verdachte op enig ander moment dan bij het bankje betrokken dan wel aanwezig is geweest bij de geweldplegingen.

Niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op enig moment zelf één of meer geweldshandelingen heeft gepleegd.

Voor medeplegen is vereist dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is op grond van bovenstaande beschrijving van hetgeen zich heeft afgespeeld in en buiten het Oranjepark, van oordeel dat niet kan komen vast te staan dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat de verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Openlijk geweld

Uit bovenstaande komt naar voren dat het geweld op drie opeenvolgende momenten heeft plaatsgevonden, te weten bij het bankje in het park, vlakbij de uitgang van het park en buiten het park. De rechtbank is van oordeel dat dit geweld, gelet op het feit dat de momenten elkaar in een zeer kort tijdsbestek hebben opgevolgd en dat steeds de leden van dezelfde groep, in wisselende samenstelling, het geweld hebben gepleegd, dient te worden beschouwd als een voortdurende situatie.

Niet vast kan komen te staan dat de verdachte op enig moment na het moment bij het bankje deel heeft uitgemaakt van de groep. Nu de verdachte heeft verklaard te zijn weggegaan, houdt de rechtbank het ervoor dat de verdachte zich heeft gedistantieerd van de groep, nadat het geweld bij het bankje had plaatsgevonden.

Het geweld bij het bankje werd gepleegd vanuit een groep, waarvan de leden elkaar getalsmatig versterkten en waarvan de verdachte zich op dat moment niet heeft gedistantieerd. De verdachte stond vanaf het begin bij de groep van waaruit het geweld werd gepleegd, terwijl hij wist dat er een gespannen sfeer was12. [getuige 5], de vriendin van de verdachte, heeft verklaard dat de reden om naar het Oranjepark te gaan een ruzie was met ene [persoon] die zou worden uitgevochten.13

De verdachte heeft zich naar het oordeel van de rechtbank aldus schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens zowel [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1].

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

hij op 15 september 2012 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, met anderen, aan de openbare weg, Oranjepark, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit

- het stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] en

- het schoppen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen waarvan 15 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun, en daarnaast tot een werkstraf voor de duur van 70 uur, subsidiair 35 dagen vervangende jeugddetentie.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een werkstraf bij bewezenverklaring passend is, waarbij hij de rechtbank verzocht heeft rekening te houden met het feit dat de verdachte spijt heeft betuigd aan de slachtoffers, geen documentatie heeft, en het op persoonlijk vlak goed gaat met de verdachte.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens twee volstrekt willekeurige slachtoffers. Allereerst werd een meisje in haar gezicht gestompt. De jongen die tegen zijn gezicht werd getrapt viel bewusteloos van de bank en had, zo bleek later, een gebroken kaak opgelopen. De verdachte heeft zich niet bekommerd om deze slachtoffers. Hierna is door de mededaders van de verdachte nog meer en excessief geweld gebruikt jegens dit en een ander slachtoffer. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij door zijn bijdrage zoals hierboven beschreven heeft bijgedragen aan deze sfeer van ontremming.

Uit de slachtofferverklaring die namens [slachtoffer 1], de jongen die in zijn gezicht is getrapt, ter terechtzitting door zijn moeder is voorgelezen blijkt hoe ingrijpend de gevolgen van het geweld voor dit slachtoffer zijn geweest en nog altijd zijn. Mogelijk zal er zelfs sprake zijn van blijvend letsel.

De gevolgen voor [slachtoffer 1] hebben betrekking op zijn fysieke gesteldheid, maar ook in vergaande mate op zijn gevoel van veiligheid.

Ook het slachtoffer [slachtoffer 3] heeft, zo blijkt uit de toelichting bij haar vordering benadeelde partij, nog altijd te kampen met de gevolgen die de feiten voor haar met zich hebben gebracht.

De verdachte heeft door te handelen zoals bewezen verklaard ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 1 maart 2013 waaruit blijkt dat de Raad voor de Kinderbescherming adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun, ook wanneer dit verdere behandeling of begeleiding, bijvoorbeeld vanuit de GGZ inhoudt.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht door mevrouw C.C.M. Martis, jeugdreclasseringsmedewerker, die na te zijn aangemerkt en beëdigd als deskundige, heeft verklaard dat een leerstraf mogelijk vollediger is dan wat de jeugdreclassering tijdens een eventuele begeleiding kan bieden.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht door de heer D.J. van Leeuwarden, jeugdreclasseerder, die na te zijn aangemerkt een beëdigd als deskundige heeft verklaard dat GGZ eventueel ingezet kan worden ten aanzien van mogelijke leerdoelen.

De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat aan de verdachte een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden waarvan is gebleken uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht namens de jeugdreclassering, geen meerwaarde in oplegging van een voorwaardelijke straf, al dan niet met bijzondere voorwaarden daaraan gekoppeld.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.933,77, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting bij monde van zijn moeder de vordering uitgebreid met een post "kosten eigen risico ziektekosten" voor het bedrag van € 350,00.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.745,28, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting bij monde van zijn vader de vordering uitgebreid met een post "extra kosten werkweek" voor het bedrag van € 129,00.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 900,00.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van de ter terechtzitting aanvullend gevorderde kosten van € 129,00 met betrekking tot de werkweek, nu deze kosten niet nader onderbouwd zijn en tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten slotte heeft zij ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de vorderingen op het standpunt gesteld dat daaraan met het oog op de bepleite vrijspraak niet toegekomen kan worden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] acht de rechtbank deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van de post "kosten eigen risico ziektekosten" zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren, nu dit toekomstige schade betreft die in dit stadium niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Ten aanzien van de overige posten zal de rechtbank de vordering toewijzen tot het bedrag van € 313,77, nu de vordering voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij, de vordering op dit punt niet inhoudelijk is betwist door of namens de verdachte en uit het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.813,77.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 15 september 2012 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer 2]

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren, nu de verdachte ten aanzien van het deel van de tenlastelegging waarop zijn vordering betrekking heeft zal vrijspreken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[slachtoffer 3]

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] acht de rechtbank deze, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding ter zake van immateriële schade tot een bedrag van € 250,00, naar billijkheid toewijsbaar nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 250,00 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 100 (zegge: honderd) uren,

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van respectievelijk 50 (zegge: vijftig) dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf daarbij op 2 uur per dag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[slachtoffer 1], een bedrag van € 1.813,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

[slachtoffer 3], een bedrag van € 250,00;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partijen, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.813,77, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] en een bedrag groot

€ 250,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 26 respectievelijk 4 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter,

en mr. P.J. Schreuder, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2013.

1 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], blz. 147

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3], blz. 162

3 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris op 19 februari 2013, onder 13

4 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris op 19 februari 2013, onder 3

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], blz. 177 en 178

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris op 19 februari 2013, onder 8

7 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris op 15 februari 2013, onder 2

9 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 5], blz. 396, halverwege

10 Proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris op 15 februari 2013, onder 2

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], blz. 68, laatste alinea en blz. 69 voorlaatste alinea

12 eigen verklaring verdachte ter terechtzitting

13 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris, onder 2