Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6976

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
09/925281-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer drie weken im maart 2012 schuldig gemaakt aan aanranding van (in ieder geval) negen vrouwen. Rijdend op zijn scooter en met zijn zwarte integraalhelm op heeft de verdachte op klaarlichte dag zijn vrouwelijke slachtoffers onverhoeds van achteren benaderd. Hij heeft hen tijdens het voorbijrijden op hun billen geslagen of in hun billen geknepen en is daarna doorgereden. Een aantal keren heeft hij zich nog omgedraaid richting zijn slachtoffers en heeft hij hun obscene teksten toegeroepen. Hiermee heeft hij de slachtoffers angst aangejaagd en op brutale wijze een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Sommige slachtoffers zijn zelfs meer dan één keer door de verdachte aangerand, waardoor hun angst dat dit persoonlijk op hen was gericht, des te groter werd en zij zich niet meer veilig voelden op straat.

Het grote aantal aanrandingen in de betreffende regio heeft geleid tot een opsporingsbericht van de politie en aandacht daarvoor in diverse media. Dit heeft in de regel tot gevolg dat ook het algemeen gevoel van veiligheid op straat nadelig wordt beïnvloed. De verdachte is hier mede debet aan.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij alleen oog heeft gehad voor zijn eigen behoefte aan spanning en niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedragingen. Dat de verdachte in het verleden zou zijn gepest, is - hoe heftig dat voor de verdachte ook mag zijn geweest - geen excuus voor zijn handelen.

Taakstraf 180 uur. Gevangenisstraf 4 weken geheel voorwaardelijk. Schadevergoeding slachtoffer 524,36.

Verbeurdverklaring scooter en integraalhelm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/925281-12

Datum uitspraak: 12 april 2013

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

[adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 maart 2013.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Baltus, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. H.J.J. Talsma heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat de onder 3, 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A.] tot een bedrag van € 614,21, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 t/m 22 maart 2012 te Zoetermeer en/of Zoeterwoude en/of Leiden, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer A.] en/of

[slachtoffer B.] en/of

[slachtoffer C.] en/of

[slachtoffer D.] en/of

[slachtoffer E.] en/of

[slachtoffer F.] en/of

[slachtoffer G.] en/of

[slachtoffer H.] en/of

[slachtoffer I.] en/of

[slachtoffer J.]

heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit slaan op en/of knijpen in, althans aanraken van de billen en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds (van achteren/opzij) benaderen van de genoemde personen.

Partiële vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding betreffende [slachtoffer B.] is ten laste gelegd, en overweegt hiertoe het volgende.

[slachtoffer B.] heeft in haar aangifte op pagina 56 van het politiedossier een beschrijving gegeven van de scooter van haar aanrander: “Die was licht grijs en het was een grof model. Een brede scooter.” Deze beschrijving komt evident niet overeen met de kleur en het model de scooter van de verdachte, zoals blijkt uit de foto’s daarvan op pagina 29 tot en met 31 van het politiedossier. Nu bovendien het signalement dat [slachtoffer B.] geeft - een ski-jack met allerlei fluorescerende kleurtjes, een fors postuur - onvoldoende specifiek is, kan niet worden uitgesloten dat de scooterrijder iemand anders dan de verdachte is geweest. Derhalve dient vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging te volgen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank ten aanzien van de verdachte bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

hij in de periode van 1 t/m 22 maart 2012 te Zoetermeer en Zoeterwoude en Leiden, door een feitelijkheid

[slachtoffer A.] en

[slachtoffer C.] en

[slachtoffer D.] en

[slachtoffer E.] en

[slachtoffer F.] en

[slachtoffer G.] en

[slachtoffer H.] en

[slachtoffer I.] en

[slachtoffer J.]

heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit slaan op en/of knijpen in, althans aanraken van de billen en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds

van achteren benaderen van de genoemde personen.

Bewijsoverweging.

De rechtbank is, in tegenstelling tot wat de raadsman heeft aangevoerd, van oordeel dat het aan de verdachte gemaakte verwijt met betrekking tot [slachtoffer F.] wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden. Zij overweegt hiertoe als volgt.

De aanranding van aangeefster [slachtoffer F.] heeft plaatsgevonden te Zoetermeer op 21 maart 2012 omstreeks 15.25 uur. Kort hierna - omstreeks 15.40 uur - heeft de verdachte op de Wallendreef te Zoetermeer [slachtoffer G.] aangerand. Deze aanranding heeft de verdachte bekend. Beide aangeefsters hebben een signalement van de aanrander en zijn scooter gegeven. Deze signalementen stemmen met elkaar overeen. Aangeefster [slachtoffer F.] heeft verklaard over een bordeauxrode fleecetrui, een zwarte matte integraalhelm en een scooter die aan de achterzijde wit of crèmekleurig was. Aangeefster [slachtoffer G.] heeft de aanrander beschreven als een gezet persoon met een donkerrode sweater, een integraalhelm en een witte scooter. Nu ook de verweten gedragingen van de scooterrijder overeenkomen met zijn gedragingen in de andere gevallen (van achteren benaderen, tik op of kneep in de bil, wegrijden) is naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de verdachte zich ook met betrekking tot [slachtoffer F.] heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten ontuchtige handelingen. Het betoog van de raadsman dat de verdachte nooit op het Marotplan zou zijn geweest, maakt dit niet anders, temeer nu de verdachte zelf heeft verklaard dat hij niet meer precies weet waar hij wel en niet heeft gereden en wel vaker van zijn route afweek.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder wordt het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer drie weken schuldig gemaakt aan aanranding van (in ieder geval) negen vrouwen. Rijdend op zijn scooter en met zijn zwarte integraalhelm op heeft de verdachte op klaarlichte dag zijn vrouwelijke slachtoffers onverhoeds van achteren benaderd. Hij heeft hen tijdens het voorbijrijden op hun billen geslagen of in hun billen geknepen en is daarna doorgereden. Een aantal keren heeft hij zich nog omgedraaid richting zijn slachtoffers en heeft hij hun obscene teksten toegeroepen. Hiermee heeft hij de slachtoffers angst aangejaagd en op brutale wijze een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Sommige slachtoffers zijn zelfs meer dan één keer door de verdachte aangerand, waardoor hun angst dat dit persoonlijk op hen was gericht, des te groter werd en zij zich niet meer veilig voelden op straat. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen.

Het grote aantal aanrandingen in de betreffende regio heeft geleid tot een opsporingsbericht van de politie en aandacht daarvoor in diverse media. Dit heeft in de regel tot gevolg dat ook het algemeen gevoel van veiligheid op straat nadelig wordt beïnvloed. De verdachte is hier mede debet aan.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij alleen oog heeft gehad voor zijn eigen behoefte aan spanning en niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedragingen. Dat de verdachte in het verleden zou zijn gepest, is - hoe heftig dat voor de verdachte ook mag zijn geweest - geen excuus voor zijn handelen.

Omtrent de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 maart 2013, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Daarnaast is door Reclassering Nederland over de verdachte een rapport, gedateerd 13 juni 2012, uitgebracht. De reclassering heeft zich onthouden van een advies, omdat de verdachte zich toentertijd nog beriep op zijn zwijgrecht.

De rechtbank onderkent dat de lange duur van de strafzaak veel impact op de verdachte zal hebben gehad. De rechtbank zal dit evenwel niet in het voordeel van de verdachte mee laten wegen, nu dit een omstandigheid is die de verdachte door zijn aanvankelijke niet-meewerkende proceshouding over zichzelf heeft afgeroepen. Pas in een laat stadium heeft de verdachte een grotendeels bekennende verklaring afgelegd en kort daarna heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Derhalve is de rechtbank van oordeel, anders dan de raadsman heeft bepleit, dat het opleggen van een straf op zijn plaats is en recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. In de vrijspraak van één van de ten laste gelegde aanrandingen ziet de rechtbank geen aanleiding om een lagere straf op te leggen. Met de officier van justitie is de rechtbank daarbij van oordeel dat het opleggen van een bijzondere voorwaarde niet nodig is, aangezien verdachte zich terdege bewust lijkt te zijn van de noodzaak van begeleiding en behandeling en de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte die in een vrijwillig kader zal (blijven) zoeken en volgen.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan. De rechtbank overweegt dat het gebruik van de scooter en de bijbehorende helm het mogelijk heeft gemaakt de vrouwen onverhoeds van achter te benaderen en daarna snel weg te rijden en te ontkomen. De scooter en de helm zijn derhalve bij het plegen van de aanrandingen van essentieel belang geweest.

Dat de scooter in de tussentijd door de politie aan de verdachte zou zijn teruggegeven, staat aan de verbeurdverklaring niet in de weg. De officier van justitie heeft te kennen gegeven voor de teruggave geen opdracht te hebben gegeven. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de politie in dat geval heeft gehandeld zonder daartoe bevoegd te zijn. Aan dergelijk onbevoegd handelen heeft de verdachte niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat hij de scooter definitief had terugontvangen.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 3, 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer A.] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding van € 614,21.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post “Kosten fysiotherapie”, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. Niet kan worden vastgesteld dat deze schade rechtstreeks is voortgekomen uit het op haar betrekking hebbende bewezen verklaarde feit, nu de benadeelde partij klaarblijkelijk ook voordien al naar de fysiotherapeut ging. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 24,36 als vergoeding ter zake van materiële schade (reiskosten) en op een bedrag van € 500,- als vergoeding ter zake van immateriële schade, tot die bedragen toewijsbaar. De vordering is voor wat betreft deze posten niet betwist en voldoende onderbouwd, en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het op haar betrekking hebbende bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 524,36.

De rechtbank zal voorts ten aanzien van de post “Reiskosten” de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag waarop deze kosten zijn gemaakt, te weten:

- met ingang van 11 januari 2013 over een bedrag van € 12,18;

- met ingang van 13 maart 2013 over een bedrag van € 12,18.

De rechtbank zal voorts ten aanzien van de post “Immateriële schade” de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 januari 2013, nu uit de vordering blijkt dat het schadebedrag reeds is geïndexeerd naar de normen van het jaar waarin het delict is gepleegd (2012).

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte voor de bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door een van deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 524,36, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf eerdergenoemde data tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A.]

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 180 (honderdtachtig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 (negentig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 (twee) uren per dag;

veroordeelt de verdachte te dier zake voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) WEKEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten:

1: 1.00 STK Bromfiets, KYMCO Agillity [kenteken]

2: 1.00 STK Helm Kl: zwart, ROBERT;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 3, 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen, te weten:

3: 1.00 STK Broek Kl: zwart, werkbroek;

4: 1.00 STK Trui Kl: rood, rademaker logo;

5: 1.00 STK Shirt Kl: rood, rademaker logo;

6: 1.00 STK Telefoontoestel Kl: zwart, HTC, in zwart beschermhoes;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[slachtoffer A.] een bedrag van € 524,36, vermeerderd met de wettelijke rente:

- vanaf 1 januari 2013 over een bedrag van € 500,00;

- vanaf 11 januari 2013 over een bedrag van € 12,18;

- vanaf 13 maart 2013 over een bedrag van € 12,18;

telkens tot aan de dag waarop het betreffende deel van de vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 524,36 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer A.], vermeerderd met de wettelijke rente:

- vanaf 1 januari 2013 over een bedrag van € 500,00;

- vanaf 11 januari 2013 over een bedrag van € 12,18;

- vanaf 13 maart 2013 over een bedrag van € 12,18;

telkens tot aan de dag waarop het betreffende deel van de vordering is voldaan;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.L. Ruiter, voorzitter,

mrs M.T. Renckens en A.J.J.M. Weijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coskun, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2013.