Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6766

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
AWB 12/24574
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft aangevoerd dat het inreisverbod in strijd is met art. 8 EVRM omdat de terugkeer van eiser naar het land van herkomst zijn in Nederland wonende minderjarige kinderen onevenredig hard zal treffen. Eiser zal nog gedurende lange tijd gedetineerd zijn in Nederland. Hoewel er sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn minderjarige dochters en niet in geschil is dat er sprake is van inmenging komt de Rb. tot het oordeel dat het beroep op art. 8 EVRM niet slaagt. Gedurende nog een groot aantal jaren kunnen eisers minderjarige dochters hier te lande contact met hun vader hebben door met hem te bellen en hem te bezoeken gedurende zijn detentie. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de Rb. terecht overwogen dat geen sprake is van objectieve belemmeringen om het familie- of gezinsleven na de detentie van eiser in Turkije uit te oefenen. Hierbij acht de Rb., met verweerder, van belang dat de dochters van eiser de Turkse nationaliteit hebben en ruimschoots meerderjarig zullen zijn op het moment dat eiser uit detentie komt en dat zij in staat moeten worden geacht op dat moment zelf de keuze te maken hun vader te volgen dan wel hun leven in Nederland voort te zetten. De stelling dat een inreisverbod niet pas kan ingaan op het moment dat het grondgebied is verlaten en dat dit in strijd is met het gestelde in art. 3, lid 6 van de Terugkeerrichtlijn, faalt. Uit de definitie van het inreisverbod en het in de geschiedenis van de totstandkoming van de implementatiewet tot uitdrukking gebrachte Europese karakter van die maatregel volgt, dat de duur van het inreisverbod niet aanvangt zolang de vreemdeling niet aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: AWB 12/24574

V-nummer: 271.615.1597

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2013 in de zaak tussen

, eiser,

gemachtigde: mr. L. Louwerse,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. R.A.B. van Steijn.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 mei 2012 waarbij eiser te kennen is gegeven dat hij na zijn detentie Nederland onmiddellijk dient te verlaten (terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E. Selan, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig A.M. de Jonge, tolk in de Turkse taal.

Overwegingen

1. Eiser, geboren in 1969, bezit de Turkse nationaliteit.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Nederland en een gevaar vormt voor de openbare orde zodat aanleiding bestaat eiser aan te zeggen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uit te vaardigen op grond van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000), Nu eiser is veroordeeld voor zeer ernstige misdrijven tot een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient, op grond van artikel 6.5a, vijfde lid en onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) de duur van het inreisverbod tien jaar te bedragen. Het beroep van eiser op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft verweerder gemotiveerd verworpen. Verweerder heeft hierbij geconcludeerd dat meer gewicht toekomt aan het algemeen belang dan aan de gestelde persoonlijke belangen van eiser en zijn kinderen.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Volgens eiser zijn ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Hij voert daartoe aan dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van 1 december 2010 waarbij de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als doel ‘verblijf bij echtgenote’ met terugwerkende kracht per 7 april 2010 is ingetrokken. Eiser heeft als gevolg hiervan rechtmatig verblijf hier te lande. Bovendien kan eiser rechten kan ontlenen aan Besluit nummer 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie ( Besluit 1/80) en dient te worden uitgegaan van het gemeenschapsrechtelijke openbare orde criterium. Verweerder had dan ook dienen te motiveren waarom eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Het inreisverbod is in strijd met artikel 8 van het EVRM omdat de terugkeer van eiser naar het land van herkomst zijn in Nederland wonende minderjarige kinderen onevenredig hard zal treffen. Tot slot stelt eiser dat een inreisverbod niet pas kan ingaan op het moment dat het grondgebied is verlaten en dat dit in strijd is met het gestelde in artikel 3, zesde lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn).

4.1. Volgens artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt voor de toepassing van de Terugkeerrichtlijn onder inreisverbod verstaan: een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij de betrokkene de toegang tot of het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit.

4.2. Op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan verweerder bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Op grond van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 stelt verweerder de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

Op grond van het vierde lid wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

4.3. Op grond van artikel 6.5a vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, bedraagt de duur van het inreisverbod in afwijking van het eerste tot en met vierde lid, ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan ondermeer blijken uit een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict.

4.4. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

4.5. Volgens paragraaf A5/3 wordt geen inreisverbod uitgevaardigd, indien het uitvaardigen van een inreisverbod een schending van artikel 8 van het EVRM betekent.

5. De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1. Eiser heeft in de gronden van beroep gesteld dat artikel 6 van Besluit 1/80 aan de orde is. Ter zitting heeft eiser echter het beroep op artikel 6 van Besluit 1/80 ingetrokken en gemotiveerd een beroep gedaan op artikel 13 van Besluit 1/80. Nu eiser het beroep op artikel 13 van Besluit 1/80 eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, hij niet eerder heeft aangegeven dat er sprake is van een nieuwe beperking en niet valt in te zien dat de gemachtigde van eiser dit niet eerder naar voren had kunnen brengen, zal de rechtbank deze stelling, wegens strijd met de goede procesorde, buiten beschouwing laten.

Het beroep op besluit 1/80 en het daarmee samenhangende communautaire openbare ordecriterium zijn derhalve niet langer aan de orde.

5.2. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij ten tijde van het besluit van 23 mei 2012 rechtmatig verblijf had, wordt het volgende overwogen.

Op 1 augustus 2012 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 december 2010 waarbij zijn verblijfsvergunning is ingetrokken. Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 14 februari 2013, AWB 12/33470, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen ingestelde beroep van eiser ongegrond verklaard. Uit deze uitspraak volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het besluit van 1 december 2010 op juiste wijze bekendgemaakt is en eiser daartegen niet verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt. Hieruit vloeit voort dat eiser op 23 mei 2012 niet meer in het bezit was van een verblijfsvergunning, het bezwaar de rechtsgevolgen van dit besluit niet heeft opgeschort en eiser derhalve op dat moment niet op die voet rechtmatig verblijf had.

5.3. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 1 december 2010 de als terugkeerbesluit aan te merken mededeling bevat dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij Nederland binnen 28 dagen dient te verlaten. In aanmerking genomen dat deze termijn op 23 mei 2012 was verstreken is het terugkeerbesluit niet op rechtsgevolg gericht.

Voor zover het beroep daartegen is gericht, dient dit derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 aan eiser een inreisverbod heeft kunnen uitvaardigen.

5.5 In paragraaf A5/5 van de Vc 2000 is opgenomen dat de maximale duur van het inreisverbod afhankelijk is van het bepaalde in artikel 6.5a van het Vb 2000 en dat in dit artikel reeds de ernst van de aanleiding om tot het opleggen van een inreisverbod over te gaan is verdisconteerd. Om die reden wordt, behoudens door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden, de maximale duur opgelegd zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a van het Vb 2000 staan genoemd, aldus het beleid van verweerder.

In paragraaf A5/5 van de Vc 2000 is tevens opgenomen dat met de vrijheidsstraf zoals bedoeld in artikel 6.5a van het Vb 2000 een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt bedoeld. De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser bij vonnis van 6 mei 2011 van de rechtbank Amsterdam is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 22 jaar wegens meerdere geweldsdelicten, zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb 2000, op grond waarvan verweerder in beginsel bevoegd was tot het opleggen van een inreisverbod van ten hoogste tien jaren.

5.6.1. Niet in geschil is dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn twee kinderen in de zin van artikel 8 EVRM. Tevens is niet in geschil dat sprake is van inmenging. De belangen die hierbij een rol spelen zijn neergelegd in paragraaf B2/9.2.3.1 van de Vc 2000 waarbij tevens de ‘guiding principles’ uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001 inzake Boultif (LJN: AD3516) en de criteria uit het arrest van het EHRM inzake Üner, van 18 oktober 2006 (LJN: AZ2407) zijn betrokken.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, zal door verweerder moeten zijn beoordeeld of het gezinsleven in het land van herkomst kan worden uitgeoefend.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich, gelet op de ‘fair balance’ tussen deze belangen, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inmenging in het recht van de vreemdeling op respect voor het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is.

5.6.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dit geval niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat inmenging in het recht van de vreemdeling op respect voor het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom in dit geval het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser. Hierbij acht de rechtbank met name van belang dat openbare orde aspecten een grote rol spelen nu eiser zeer ernstige strafbare feiten heeft gepleegd waarvoor hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar. Gedurende nog een groot aantal jaren kunnen eisers minderjarige dochters hier te lande contact met hun vader hebben door met hem te bellen en hem te bezoeken gedurende zijn detentie. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat geen sprake is van objectieve belemmeringen om het familie- of gezinsleven na de detentie van eiser in Turkije uit te oefenen. Hierbij acht de rechtbank, met verweerder, van belang dat de dochters van eiser de Turkse nationaliteit hebben en ruimschoots meerderjarig zullen zijn op het moment dat eiser uit detentie komt en dat zij in staat moeten worden geacht op dat moment zelf de keuze te maken hun vader te volgen dan wel hun leven in Nederland voort te zetten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat op grond van het familieleven van eiser met zijn dochters de duur van het inreisverbod beperkt had moeten worden en verwijst naar het hiervoor overwogene dat eisers dochters na afloop van zijn detentie meerderjarig zullen zijn en de ernst van de door eiser begane misdrijven.

5.7 De stelling dat een inreisverbod niet pas kan ingaan op het moment dat het grondgebied is verlaten en dat dit in strijd is met het gestelde in artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, faalt. Artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn bevat een definitie van het begrip inreisverbod. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2013, LJN BZ2342 is de rechtbank van oordeel dat uit het in deze definitie en in de geschiedenis van de totstandkoming van de implementatiewet tot uitdrukking gebrachte Europese karakter van die maatregel volgt, dat de duur van het inreisverbod niet aanvangt zolang de vreemdeling niet aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan.

Eisers grond met betrekking tot de onmiddellijke strafbaarstelling van illegaal verblijf na oplegging van een inreisverbod ligt in deze procedure niet ter beoordeling door de rechtbank voor.

6. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is dus ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, niet –ontvankelijk;

verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzitter, en

mr. L.E.M. Wilbers- Taselaar en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. T. de Wit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State.