Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6598

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
09/935046-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag met zijn personenauto een tragisch verkeersongeval veroorzaakt. Het betreft een ongeval waardoor een ander is gedood, een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht waaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. > een werkstraf van 150 uren en ontzegging van de rijbevoegdheid van 580 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis ingevorderd is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/935046-11

Datum uitspraak: 23 januari 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1980 te [plaats],

adres: [adres verdachte].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 januari 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.P.E van de Riviere en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.S. Pen, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 oktober 2011 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A4, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 108 kilometer per uur, althans met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, immers was hij bezig met het bedienen en/of gebruiken van een mobiele telefoon, althans een voorwerp waardoor hij de genaderde (stilstaande)file niet, althans veel te laat heeft opgemerkt en/of (vervolgens)

- niet, althans niet tijdig heeft (af)geremd en/of (vervolgens)

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig met hoge snelheid achterop een (stilstaande) file is gebotst, waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en/of waardoor (een) ander(en) (genaamd 1)[slachtoffer 2] en/of 2) [slachtoffer 3]) zwaar lichamelijk letsel, te weten ad1) een hersenkneuzing en/of ad2) hersenschudding en/of scheuren in de ophangbanden van de darmen, of zondanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 oktober 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A4, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte aldaar,

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 108 kilometer per uur, althans met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of (vervolgens)

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, immers was hij bezig met het bedienen en/of gebruiken van een mobiele telefoon, althans een voorwerp waardoor hij de genaderde (stilstaande)file niet, althans veel te laat heeft opgemerkt en/of (vervolgens)

- niet, althans niet tijdig heeft (af)geremd en/of (vervolgens)

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig met hoge snelheid achterop een (stilstaande) file is gebotst, waardoor (een) ander(en) (genaamd 1)[slachtoffer 2] en/of 2) [slachtoffer 3]) letsel heeft/hebben bekomen en/of waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 21 oktober 2011 heeft op de Rijksweg A4 ter hoogte van hectometerpaal 44.6 links, binnen de gemeente 's-Gravenhage, op de tweede rijstrook van de hoofdrijbaan een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een door verdachte bestuurde personenauto en een door één van de slachtoffers, mevrouw [slachtoffer 3], bestuurde personenauto. In de personenauto van voornoemde [slachtoffer 3] bevonden zich als inzittenden ook haar vijfjarige dochtertje [slachtoffer 2] en haar tweejarige zoontje [slachtoffer 1]. Bij het verkeersongeval waren nog vijf andere personenauto's betrokken.

In verband met een ander verkeersongeval ter hoogte van hectometerpaal 34.0 te Zoeterwoude-Dorp was er ten tijde van onderhavig ongeval sprake van een druk verkeersbeeld met filevorming op de Rijksweg A4. [slachtoffer 3] sloot ter hoogte van hectometerpaal 44.6 met haar personenauto op de tweede rijstrook bij deze file aan achter de vijf overige betrokken personenauto's. Zij bracht haar personenauto daartoe tot stilstand.

Verdachte reed met zijn personenauto op de tweede rijstrook in de richting van Amsterdam. Hij heeft verklaard dat hij de weg goed kende en verbaasd was dat hij door kon rijden, omdat dat daar doorgaans niet het geval is. Hij had de cruisecontrol van zijn auto ingeschakeld op een snelheid van 108 km/uur. Verdachte had met zijn telefoon, die in de carkit stond, een gesprek gevoerd met zijn officemanager. Nadat dit gesprek was afgerond, wilde hij haar terugbellen. Hij heeft het telefoonnummer handmatig in zijn telefoon opgezocht. Bij deze handeling was zijn zicht op de telefoon en niet op de weg gericht. Op het moment dat verdachte weer voor zich op de weg keek, zag hij dat voor hem het verkeer stilstond en kon hij zijn auto niet meer tijdig tot stilstand brengen. Verdachte botste tegen de achterzijde van de personenauto van [slachtoffer 3] aan. Als gevolg van deze aanrijding is [slachtoffer 1], die zich op de achterbank bevond, overleden. [slachtoffer 2] heeft hoofdletsel (een mogelijke hersenkneuzing links- en rechtsvoor) opgelopen, in verband waarmee zij een nacht in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Zij heeft een aantal weken school gemist en heeft een kinderpsycholoog bezocht. [slachtoffer 3] heeft als gevolg van de aanrijding een hersenschudding en inwendig letsel - scheuren in de ophangbanden van de darmen - opgelopen, waaraan zij is geopereerd. Zij heeft 9 dagen in het ziekenhuis gelegen en was gedurende twee maanden niet in staat te werken.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten, en, indien dat het geval is, of zijn handelen moet worden aangemerkt als roekeloos dan wel als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Ook dient de rechtbank vast te stellen of [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2} daardoor zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen dan wel zodanig letsel dat daaruit tijdelijke verhindering van de normale bezigheden is ontstaan.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft aangevoerd dat op grond van de verklaring van verdachte en slachtoffer [slachtoffer 3], de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], de bevindingen van het technisch onderzoek en de medische verklaringen kan worden gesteld dat verdachte door ondanks de verkeersdrukte zijn cruisecontrol aan te zetten en zijn snelheid niet aan te passen en tevens met zijn telefoon bezig te zijn, zich heeft laten afleiden en daardoor niet tot tijdig remmen is gekomen. Door zijn schuld heeft het verkeersongeval plaatsgevonden, met zeer ernstige gevolgen voor de slachtoffers. De officier van justitie merkt het handelen van verdachte aan als zeer onvoorzichtig en onoplettend.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke gedraging zoals onder het eerste gedachtenstreepje is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De feitelijke gedragingen onder het tweede tot en met het vierde gedachtenstreepje laten zich deels bewijzen, maar leveren niet noodzakelijkerwijs schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) op. Hooguit is sprake van een enkele verkeersfout. De raadsman verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van de verdenking betreffende artikel 6 WVW. Het subsidiair ten laste gelegde, de overtreding van artikel 5 WVW, kan naar het oordeel van de raadsman wel bewezen worden.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Vooropgesteld dient te worden dat het bij de beantwoording van de vraag of bij een verkeersongeval sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 het volgens de Hoge Raad aankomt op het geheel van gedragingen van verdachte, de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval2.

Bij de beoordeling van de onderhavige zaak overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte was bekend met de verkeerssituatie op de rijksweg A4 en wist dat er vaak sprake is van filevorming op het traject Rotterdam - Amsterdam3. Ondanks deze wetenschap en het ook op dat moment drukke verkeersbeeld4, heeft verdachte de cruisecontrol aangezet en heeft hij zijn aandacht gericht op zijn telefoon, waardoor hij enige tijd geen zicht had op het verkeer voor hem. Uit de verklaring van verdachte5 volgt dat hij enige tijd niet op de weg lette en op het moment dat hij de file zag geen gelegenheid meer had om zodanig te remmen dat hij tijdig tot stilstand kon komen. Daardoor heeft de aanrijding plaatsgevonden. Dat volgt uit voornoemde verklaringen van verdachte, getuigen [getuige 1] en [getuige 2]6 en het slachtoffer [slachtoffer 3]7 en uit het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse8. Het ongeval is daarmee aan de schuld van verdachte te wijten.

Het verweer van de raadsman, dat er op neerkomt dat elke ten laste gelegde gedraging op zichzelf bezien niet tot een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 kan leiden, kan niet slagen. Ingevolge het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad dient ter beantwoording van de schuldvraag de omstandigheden van het geval, het geheel van gedragingen en de ernst daarvan in onderlinge samenhang te worden bezien.

De rechtbank is van oordeel dat de vier omstandigheden, te weten: verdachte was bekend met de situatie ter plaatse en de mogelijkheid van filevorming en had daar dus op bedacht moeten zijn, er was sprake van een druk verkeersbeeld, verdachte heeft desondanks zijn cruisecontrol aangezet en hij heeft gedurende enige tijd zijn zicht niet op de weg gehad, in onderlinge samenhang bezien, schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren. De rechtbank merkt de schuld van verdachte aan als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

De rechtbank stelt vast dat de aanrijding de dood van [slachtoffer 1]9 en zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 3] tot gevolg heeft gehad10. Bij [slachtoffer 2] zijn bloeduitstortingen en mogelijke hersenkneuzingen geconstateerd. Uit het aanvullende proces-verbaal van 14 april 2012 blijkt dat zij onder behandeling is geweest van een kinderpsycholoog en enkele weken school heeft gemist11. De rechtbank concludeert hieruit dat [slachtoffer 2] als gevolg van het ongeval zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen en is tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat verdachte:

op 21 oktober 2011 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A4, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, als volgt te handelen:

verdachte heeft aldaar

- gereden met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur en

- niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen en onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse, immers was hij bezig met het bedienen van een mobiele telefoon, waardoor hij de stilstaande file te laat heeft opgemerkt en

- niet tijdig (af)geremd en

- zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig met hoge snelheid achterop een stilstaande file is gebotst, waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en waardoor anderen genaamd (1)[slachtoffer 2] en (2) [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten (ad 2) hersenschudding en scheuren in de ophangbanden van de darmen, respectievelijk (ad 1) zondanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 648 dagen met aftrek van 283 dagen dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest, gevorderd. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met enerzijds de ernstige gevolgen voor de slachtoffers en anderzijds de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de afwezigheid van juridische documentatie en de constatering dat de verdachte zijn medeleven aan de slachtoffers en nabestaanden heeft laten blijken.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gezegd zich in de strafeis van de officier van justitie te kunnen vinden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag met zijn personenauto een tragisch verkeersongeval veroorzaakt. De 2-jarige [slachtoffer 1], die nog een heel leven voor zich had moeten hebben, is hierdoor overleden. Het leed dat door dit ongeval bij de nabestaanden van het slachtoffer is veroorzaakt is groot, pijnlijk en vooral onherstelbaar. Voorts heeft ook de 5-jarige [slachtoffer 2] de gevolgen van het ongeval ondervonden en heeft hun moeder zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. In het verkeer is het van groot belang dat een ieder voldoende zorgvuldigheid betracht ten behoeve van de verkeersveiligheid. Alle verkeersdeelnemers moeten er op kunnen vertrouwen dat andere bestuurders die zorgvuldigheid betrachten.

De rechtbank weegt ten gunste van verdachte mee dat hij inzicht heeft getoond in de strafwaardigheid van zijn handelen en dat het besef van het enorme leed dat hij heeft veroorzaakt hem diep raakt. Verdachte heeft in een brief aan de nabestaanden en ter terechtzitting zijn diepe spijt betuigd. Hij heeft ter terechtzitting gezegd dat hij het heel moeilijk vindt om te aanvaarden dat hij blijkbaar in staat is om dergelijke ellende aan te richten en dagelijks de immense schuld daarvan voelt. Zijn verdriet en berouw kwamen op de rechtbank oprecht over.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 6 december 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten geldend voor een feit als het onderhavige. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak niet op zijn plaats is. De rechtbank zal een iets lagere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist, nu zij tot een lichtere vorm van verwijtbaarheid komt. De rechtbank ziet in het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de persoon van verdachte en zijn proceshouding, geen meerwaarde. Wel zal de rechtbank, zoals gevorderd door de officier van justitie, een onvoorwaardelijke rijontzegging opleggen die overeenkomt met de periode dat verdachte niet over zijn rijbewijs heeft mogen beschikken. Daarnaast zal zij een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van één jaar opleggen. Uit het dossier volgt dat het rijbewijs is ingevorderd en (vervolgens) ingehouden vanaf 21 oktober 2011. Op 23 mei 2012 is tot teruggave besloten.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 dagen;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 580 (vijfhonderdtachtig) dagen;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest op de opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat een deel van deze bijkomende straf, te weten een periode van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, voorzitter,

mr. J.J.P. Bosman en mr. A.M.G. van de Kragt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL2617 2011055871, van het Korps Landelijke Politiediensten, met bijlagen.

2 HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 oktober 2012, p. 21.

4 Proces-verbaal van aanrijding van 1 januari 2012, p. 2 t/m 19, met bijlage p. 20.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 oktober 2012, p. 21 en 22 en verklaring ter terechtzitting d.d. 9 januari 2013.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 oktober 2012, p. 36 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 20 december 2011, p. 38, met als bijlage een email van [getuige 2] van 13 december 2011.

7 Proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 3] van 15 november 2011, p. 26.

8 Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse van 18 december 2011, met bijlagen.

9 Geneeskundige verklaring van forensisch geneeskundige L.C. Los, van 21 oktober 2011.

10 Geneeskundige verklaring van forensisch arts L.C. Los, van 27 december 2011 en aanvullend proces-verbaal van 14 april 2012.

11 Geneeskundige verklaring van forensisch arts L.C. Los, van 21 mei 2012 en aanvullend proces-verbaal van 14 april 2012.