Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6355

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
C/09/439638 / KG ZA 13-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft - in kort geding - beslist dat K. niet mag worden uitgeleverd aan de Verenigde Staten van Amerika ('de VS'), zolang de autoriteiten van de VS niet toezeggen dat de medische behandeling die K. tot voor kort onderging in verband met een post traumatisch stressyndroom (de zogenaamde 'EMDR-behandeling'), zal worden voortgezet na uitlevering. Daarvoor is - samengevat - het volgende van belang.

In de beschikking waarbij de uitlevering is toegestaan heeft de minister van Veiligheid en Justitie - mede op advies van deskundigen - K. zonder enig voorbehoud toegezegd dat de EMDR-behandeling zal worden gecontinueerd in de VS. Zonder garanties van de autoriteiten van de VS op dat punt zou niet tot uitlevering worden overgegaan. De Staat der Nederlanden (lees: de Minister) is gehouden die onvoorwaardelijke toezegging na te komen. Duidelijk is geworden dat de autoriteiten van de VS K. geen EMDR-behandeling, maar een 'CBT-behandeling' zullen aanbieden. Bij die stand van zaken zou de Staat der Nederlanden onrechtmatig handelen door thans over te gaan tot uitlevering van K. Daarmee zou immers de toezegging worden geschonden. Bovendien zijn diverse deskundigen (van de overheid) van mening dat het niet gaat om gelijkwaardige behandelingsmethoden en dat omschakeling naar de andere behandeling voor K. ongewenst is en ook schadelijk kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/439638 / KG ZA 13-316

Vonnis in kort geding van 5 april 2013

in de zaak van

Sabir K.,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [naam PI],

eiser,

advocaat mr. A.M. Seebregts te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'K.' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 28 maart 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. K. heeft zowel de Nederlandse als de Pakistaanse nationaliteit.

1.2. Op of omstreeks 20 september 2010 is K. in Pakistan aangehouden door de Pakistaanse autoriteiten, waarna hij aldaar in detentie is genomen.

1.3. Op 14 januari 2011 hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna 'de VS') aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om K. voorlopig aan te houden met het oog op diens uitlevering aan de VS.

1.4. Op 29 april 2011 is K. Pakistan uitgezet en per vliegtuig naar Nederland gestuurd. Nadat hij diezelfde dag nog aankwam op Schiphol is K. voorlopig aangehouden op basis van de Uitleveringswet en in detentie genomen.

1.5. Op 23 juni 2011 hebben de autoriteiten van de VS een verzoek tot uitlevering van K. overhandigd aan de Nederlandse Ambassade te Washington (VS). Kort gezegd verdenken zij K. ervan dat hij in Afghanistan voor Al Qaeda heeft gevochten tegen militaire troepen van de VS.

1.6. Bij uitspraak van 3 oktober 2011 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van K. aan de VS toelaatbaar verklaard. Bij arrest van 17 april 2012 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van K. tegen die uitspraak verworpen.

1.7. Ten aanzien van K. is vastgesteld dat hij lijdt een post traumatisch stress syndroom ('PTSS'). In verband daarmee onderging K. tijdens zijn detentie een "EMDR-behandeling". Nadat de uitleveringsdetentie van K. op last van de rechtbank Rotterdam was geschorst, is die behandeling op 3 december 2012 gestopt.

1.8. Met het oog op zijn uitlevering is K. onderzocht door klinisch psycholoog B. van Giessen (hierna 'Van Giessen') en psychiater J.M.J.F. Offermans (hierna 'Offermans'), die daarover op 14 december 2012 hebben gerapporteerd. Vervolgens heeft psychiater en psychiatrisch adviseur professor dr. H.J.C. van Marle (hierna 'Van Marle'), op verzoek van de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister') de rapportages van Van Giessen en Offermans geanalyseerd. Zijn bevindingen heeft hij neergelegd in een "briefrapport" van 19 december 2012. Voor zover van belang houdt dit rapport het volgende in:

"Betrokkene wordt sinds een jaar behandeld voor zijn PTSS klachten waarbij hij wordt behandeld door de heer H. Veerbeek van De Waag met onder andere gebruikmaking van EMDR (Eye Movement Desensitization en Reprocessing, een evidence based non verbale behandelstrategie voor PTSS; vM). Deze behandeling is overigens nog lang niet afgerond en er zullen nog ongeveer zestig sessies nodig zijn. Voor de (zich verergerende) depressieve stoornis heeft betrokkene eveneens behandeling nodig in de vorm van een medicamenteuze behandeling en cognitieve therapie.

(...)

Betrokkene volgt een goede en juiste behandeling van zijn psychiatrische stoornissen. Deze behandelingen zijn evidence based en derhalve internationaal bekend en worden internationaal onderwezen en gepraktiseerd. Dit geldt zeker voor de Verenigde Staten. Betrokkenes beeld is van dien aard en voldoende gefundeerd vanuit zijn psychiatrische voorgeschiedenis, dat de behandeling dient te worden gecontinueerd. Zowel de rapporterend psychiater als ondergetekende zijn van mening dat beide behandelingen zeker ook door de collega's in de Verenigde Staten kunnen worden gegeven, zowel van psychiatrische als van psychologische zijde. De behandelingstechnieken zijn state of the art voor beide professies. Voor zover bekend is de geestelijke gezondheidszorg binnen de Amerikaanse penitentiaire inrichtingen zeker gelijkwaardig aan de huidige medische en psychiatrische normen in Nederland. Het valt dan ook niet te veronderstellen dat continuering van betrokkenes behandeling niet mogelijk is, tenzij vanuit het bevoegd gezag aldaar, en gebaseerd op de rechtspositionele en penitentiaire regels, dit door het bevoegd gezag wordt verhinderd. Bij deze deelt ondergetekende dan ook de opvatting van beide rapporteurs dat in het geval van uitlevering van de opgeëiste persoon voldoende garanties dienen te worden gegeven dat de voortzetting van deze behandelingen blijft gegarandeerd. Betrokkenes toestandsbeeld mag dan weliswaar niet aan voldoende hardheid als contra-indicatie tegen uitlevering opleveren, zijn toestandsbeeld is wel dusdanig dat deze behandeling vanuit medisch en psychiatrisch opzicht moet blijven voortduren.

Conclusie

Er bestaan geen contra-indicaties van voldoende hardheid tegen de uitlevering van betrokkene, Sabir Ali K., geboren 05.01.87. Wel is betrokkene lijdende aan twee ernstige psychiatrische stoornissen waarvoor verdere behandeling state of the art op medische en psychiatrische gronden dient te worden gecontinueerd. Er zijn, gebaseerd op literatuur en praktijk, geen aanwijzingen dat de gezondheidszorg en meer specifiek de geestelijke gezondheidszorg in de Amerikaanse penitentiaire instituten tekort zal schieten in de behandeling van betrokkenes aandoeningen."

1.9. Bij beschikking van 20 december 2012 heeft de Minister de uitlevering van K. aan de VS toegestaan. Voor zover hier van belang vermeldt de beschikking:

"4.5 Door de raadsman is naar voren gebracht dat de geestesgesteldheid van de opgeëiste persoon de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika in de weg zou staan. De Minister ziet dit als een beroep op de zogenaamde "bijzondere hardheid" zoals neergelegd in artikel 7 lid 2 van het Uitleveringsverdrag (voorzieningenrechter: het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika). De Minister heeft advies ingewonnen bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP). De onderzoeksrapporten, opgemaakt door het NIFP op 14 december 2012, zijn voorgelegd aan Prof. dr. H.J.C. van Marle, hoofd forensische psychiatrie bij het Erasmus MC te Rotterdam. De heer Van Marle beschikt over specifieke kennis ten aanzien van psychiatrische problematiek, bezien in samenhang met uitlevering. (...)

(...)

De uitkomst van het advies (voorzieningenrechter: van Van Marle) geeft de Minister geen aanleiding de uitlevering van de opgeëiste persoon te weigeren. Wel zal de Minister, conform het advies, de Amerikaanse autoriteiten op de hoogte stellen van de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon en aan de uitlevering de voorwaarde verbinden dat voor de benodigde behandeling van de opgeëiste persoon zorg zal worden gedragen."

1.10. Als gevolg van de beschikking van de Minister werd de schorsing van de uitleveringsdetentie van K. opgeheven. De EMDR-behandeling is daarna niet hervat in afwachting van de uitlevering van K. aan de VS.

1.11. K. heeft vervolgens de Staat gedagvaard in kort geding tegen de zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 12 februari 2013. Daarbij vorderde hij de Staat te verbieden hem - al dan niet zonder nader onderzoek, dan wel nadere garanties of voorwaarden - uit te leveren aan de VS.

1.12. Tijdens de mondelinge behandeling van dat kort geding heeft (de advocaat van) de Staat, onder meer, het woord gevoerd overeenkomstig een schriftelijke pleitnota. Deze pleitnota vermeldt onder andere:

"3.35 (...)

Van Marle stelt vast dat de (voorzieningenrechter: EMDR-)behandeling van eiser ook in Amerikaanse penitentiaire inrichtingen beschikbaar is en dat aangenomen kan worden dat deze voor eiser toegankelijk is. Om daarover zekerheid te hebben, is hij met de rapporterende Van Giessen en Offermans van mening dat er door de Amerikaanse justitie voldoende garanties moeten worden gegeven dat de behandeling in Amerikaanse detentie kan worden voortgezet.

3.36 In zijn beschikking heeft de minister aangekondigd dat hij de Amerikaanse autoriteiten op de hoogte zal stellen van de gezondheidstoestand van eiser en aan uitlevering de voorwaarde zal verbinden dat voor de benodigde behandeling zorg zal worden gedragen.

(...)

In verband daarmee is het NIFP gevraagd om de behandelaars van eiser een overdrachtdossier te laten samenstellen dat voor de Amerikaanse behandelsector als basis voor de verdere behandeling kan dienen. Met de inmiddels verkregen toestemming van eiser voor het opmaken van dat overdrachtsdossier kan die goede overdracht worden verzekerd.

3.37 Zodra het overdrachtsdossier gereed is, zal dit aan de Amerikaanse justitie worden gestuurd met het verzoek om toe te zeggen dat de vereiste behandeling kan worden geboden. Eiser zal zonder die toestemming niet worden uitgeleverd. De behandeling is in de beschikking immers voorwaarde voor uitlevering genoemd.

3.38 Niet valt in te zien dat hiermee voortzetting van de behandeling van eiser onvoldoende verzekerd is en er aanleiding zou bestaan tot het bedingen van aanvullende garanties.

(...)

3.42 De taxatie van Wise dat de EMDR-behandeling in het Amerikaanse gevangeniswezen niet beschikbaar is, kan hier onbesproken blijven. Als dat zo is, zullen de Amerikaanse autoriteiten niet aan de door de minister gestelde voorwaarde voor uitlevering kunnen voldoen en wordt eiser niet uitgeleverd."

1.13. Bij vonnis van 26 februari 2013 heeft de voorzieningenrechter de onder 1.11 vermelde vordering(en) van K. afgewezen. In dat vonnis is - onder meer - het volgende overwogen:

"EMDR-behandeling

3.19. Het laatste door K. aangevoerde argument dat in de weg zou staan aan zijn uitlevering aan de VS betreft de EMDR-behandeling die hij thans ondergaat vanwege het bij hem vastgestelde PTSS. Deze behandeling moet worden voortgezet, hetgeen volgens K. niet mogelijk is tijdens zijn detentie in de VS.

3.20. In het midden kan blijven of de EMDR-behandeling die K. thans ondergaat in de VS kan worden gecontinueerd, hetgeen volgens de Staat wel degelijk het geval is. Blijkens de beschikking van 20 december 2012, zal de Minister de autoriteiten van de VS op de hoogte stellen van de gezondheidstoestand van K. en aan diens uitlevering de voorwaarde verbinden dat voor de benodigde behandeling van K. zorg zal worden gedragen. Op de zitting heeft de Staat die voorwaarde nader toegelicht in die zin dat K. slechts zal worden uitgeleverd indien de VS garanderen dat de vereiste behandeling, die K. thans ondergaat, wordt gecontinueerd tijdens zijn detentie na de uitlevering. Daarmee heeft de Staat zich jegens K. verplicht om alleen tot uitlevering over te gaan indien die garantie wordt verstrekt. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de Staat die verplichting niet zal nakomen. Daartegenover staat overigens wel de plicht van K. om mee te werken aan de totstandkoming van een 'overdrachtsdossier' ten behoeve van de autoriteiten van de VS met het oog op de voortzetting van de EMDR-behandeling. In die situatie kan ook het onderhavige bezwaar van K. niet in de weg staan aan diens uitlevering naar de VS."

1.14. Op 21 februari 2013 heeft K. bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna 'EHRM') een verzoek om een voorlopige voorziening - een zogenaamde "interim measure" - ingediend, strekkende tot een voorlopig verbod tot zijn uitlevering. De Staat heeft toegezegd niet te zullen overgaan tot de uitlevering van K. voordat op dat verzoek is beslist.

1.15. K. heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 februari 2013.

1.16. Bij brief van 13 maart 2013 hebben de autoriteiten van de VS - voor zover hier van belang - het volgende bericht aan de Staat:

"This is in response to your inquiry concerning the Bureau of Prisons' (BOP's) ability tot provide mental health care for Mr. K.. The question has arisen in connection with Mr. K.'s possible extradiction to the United States from the Netherlands to stand trial. (...)

(...)

Mr. K. will be maintained on his current medications (or their therapeutic equivalents) and a CBT (voorzieningenrechter: Cognitive Behavioral Therapy) treatment regimen until his mental health needs have been evaluated by the BOP. It also appears that Mr. K. was receiving EMDR treatments, but they have been discontinued. As you may know, EMDR is not universally used or accepted. It is not a treatment used by the BOP. As mentioned earlier, the BOP does use CBT for treatment of numerous mental health conditions, including those with wich Mr. K. has been diagnosted."

1.17. Naar aanleiding van voormelde brief heeft de Staat op 14 maart 2013 een

e-mailbericht verzonden aan de autoriteiten van de VS met de volgende inhoud:

"Please allow me to ask for one (I hope final) clarification.

The BOP writes that the medication and treatment of SabirK. will continue "until his mental health needs have been evaluated by the BOP".

I assume that both treatment and medication will also be continued after this evaluation.

Can I read that assurance into your cover letter, which says (I underlined the vital part):

"Sabir Ali K. will continue to receive appropriate medical and mental health treatment while in their custody.""

1.18. Daarop hebben de autoriteiten van de VS diezelfde dag nog als volgt gereageerd:

"Exactly. BOP only means that after they do their assessment, current treatment will be modified, as needed, not discontinued."

1.19. Op 25 maart 2013 heeft L.J.M. van Seggelen, psychiater en hoofd NIFP Rotterdam/Dordrecht (hierna 'Van Seggelen'), onder wiens toezicht K. staat in PI [naam PI], onder meer het volgende bericht aan een kantoorgenoot van de advocaat van K.:

"Per mail heeft u mij op 20 maart jl verzocht om te reageren op de berichtgeving terzake de op uw cliënt, de heer K., toe te passen behandeling in de Verenigde Staten en het daarop geformuleerde en aan het EHRM gerichte standpunt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

(...)

U vraagt concreet of de stelling van de Nederlandse regering correct is, dat volgens Nederlandse psychiatrische richtlijnen Cognitieve Bahavioral Treatment (CBT) en EMDR equivalente behandelmethoden zijn voor de psychische aandoeningen van de heer K..

(...)

Onder verwijzing naar een zevental wetenschappelijke studies waarin traumafocussed cognitieve gedragstherapie (TF-CBT) is vergeleken met EMDR, wordt geconcludeerd dat beide behandelingen eerste keus behandelingen zijn voor PTSS. In dat opzicht kan dus inderdaad gesproken worden van equivalentie in de zin van gelijkwaardige behandelingen.

(...)

Beide behandelingen zijn gelijkwaardig, echter beslist niet gelijk aan elkaar te stellen aangezien de behandelingen wezenlijk ten opzichte van elkaar verschillen in hun opzet, uitvoering en werkwijze.

(...)

Uit het vorenstaande mag geconcludeerd worden dat de in de brief van 13 maart jl. door het Federal Bureau of Prisons vermelde zinsnede "As you may know, EMDR is nog universally used or accepted", niet juist is. Althans, niet op het aspect van een (Internationaal) aanvaarde en evident-based methode ter behandeling van PTSS.

Voorts is het van belang om te vermelden dat het psycho-medisch team van de PI De Schie ten aanzien van de begeleiding en behandeling van de heer K. geen indicatie heeft gezien noch (actueel) stelt voor toepassing van uitsluitend (TF) cognitieve gedragstherapie (CBT).

(...)

Het psycho-medisch team van PI [naam PI] zag en ziet een contra-indicatie voor (uitsluitend) de toepassing van (TF) CBT vanwege de aard van de bij de heer K. aanwezige psycho-traumata, vanwege de specifieke omgeving waarbinnen deze traumata zijn opgelopen en de detentieomgeving waarbinnen behandeling moe(s)t plaatsvinden. Voorts vanwege problemen rond de (on)uitvoerbaarheid van bepaalde technieken die vallen onder de (TF) CBT.

Een ander belangrijk argument voor de indicatie van de (door ons toegepaste) gecombineerde behandeling - EMDR, psychofarmaca en supportieve begeleidingscontacten in het kader van stress-management en cognitieve therapie - is gelegen in het feit dat deze combinatie (dat geldt in het bijzonder voor de toepassing van EMDR in vergelijking tot de toepassing van CBT) door zowel therapeuten als patiënten als relatief minder emotioneel belastend wordt ervaren terwijl uit onderzoek blijkt dat beide behandelingen, EMDR en CBT, gelijkwaardig en (tenminste) even effectief zijn.

In de overwegingen ten aanzien van de heer K. is het behandelend team tot het oordeel gekomen dat toepassing van een andere behandeling of behandelmethodiek (daarbij inbegrepen de toepassing van cognitieve gedragstherapie) dan de hem geboden gecombineerde behandeling, de belastbaarheid van de heer K. onnodig onder druk (zou) zet(ten) en de psychische belastbaarheid van betrokkene zelfs zou kunnen overtreffen. Dit laatste zou betekenen dat daarmee de grenzen van goed hulpverlenerschap (Wet WGBO) zouden worden overschreden vanwege (dreiging van) een door de behandeling toegebrachte verslechtering of destabilisatie van het psychiatrische toestandbeeld."

1.20. Bij brief van 25 maart 2013 hebben Van Giessen en Offermans aan de hiervoor bedoelde kantoorgenoot van de advocaat van K. onder andere medegedeeld:

"Ondergetekenden zijn de mening toegedaan dat CBT en EMDR niet als equivalent beschouwd kunnen worden. Zoals de benaming al aangeeft gaat het bij CBT om een therapievorm, terwijl het bij EMDR gaat om een techniek. Bij EMDR wordt weliswaar het gespreksprotocol van de CBT als basis genomen, maar EMDR betreft een wezenlijk andere behandelvorm. Wij willen benadrukken dat voor psychotraumata de behandelvorm EMDR "the treatment of choise is". Dit wordt onderschreven door the American Psychiatric Association (APA). Het is daarom dat betrokkene door De Waag met deze behandelvorm is behandeld. Voor de continuïteit van zorg, juist bij complexe en ernstige psychotraumata, is voorzetting van de EMDR ons inziens van groot belang."

1.21. Bij e-mailbericht van 27 maart 2013 heeft Van Seggelen voor zover hier van belang het volgende bericht aan de advocaat van de Staat (met "cc" aan de advocaat van K.):

"Het besluit om de EMDR behandeling niet te hervatten, is een (eenzijdig genomen) besluit geweest van De Waag. De leidinggevende(n) van De Waag heeft (hebben) aangegeven dat andere motieven dan inhoudelijke motieven hierbij mede een rol hebben gespeeld. Hierover is email verkeer gewisseld tussen PI [naam PI] (mevrouw Rozendaal, psychologe) en De Waag. Een overweging hierbij van de zijde van De Waag was, dat men anticipeerde op een (zeer) spoedige uitlevering van de heer K. naar de Verenigde Staten waarmee het behandelcontact als zodanig afgesloten zou worden. Dit laatste heb ik in mijn overdrachtsdocument van 11 februari jl. gemeld.

Zoals ik eveneens in mijn overdrachtbrief van 11 februari jl. aangaf, bleef de indicatie voor (voortzetting van) EMDR behandeling onverkort aanwezig. Het behandelend team van PI De Schie heeft het besluit van De Waag moeten respecteren maar was en is het er niet mee eens (geweest).

Het is zeker niet bezwaarlijk om EMDR behandeling te starten/hervatten als onduidelijk is hoe lang die kan worden voortgezet. Echter, De Waag heeft om bovengenoemde redenen en overwegingen gemeend deze behandeling aan mijn patient niet meer te hervatten.

Cognitieve gedragstherapie heeft hierbij overigens geen rol gespeeld aangezien cognitieve gedragstherapie als zodanig nooit deel heeft uitgemaakt van de behandeling van de heer K..

(...)

Het staken van de EMDR behandeling heeft overigens (mede) bijgedragen aan een door mij waargenomen verslechtering van de gezondheidstoestand van mijn patient."

1.22. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 28 maart 2013 heeft de Staat toegezegd ook niet tot uitlevering van K. aan de VS te zullen overgaan voordat een vonnis is gewezen in de onderhavige zaak.

2. Het geschil

2.1. K. vordert:

primair

- de Staat te verbieden K. uit te leveren aan de VS;

subsidiair

- de Staat te verbieden K. uit te leveren, zolang de autoriteiten van de VS geen garantie verstrekken dat K. vanaf het moment van aankomst in de VS een EMDR-behandeling zal krijgen;

meer subsidiair

- in goede justitie een voorziening te treffen;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2. Samengevat voert K. daartoe het volgende aan.

De Staat heeft onvoorwaardelijk toegezegd dat K. alleen zal worden uitgeleverd indien de autoriteiten van de VS garanderen dat de EMDR-behandeling die K. thans ondergaat gedurende de detentie in de VS zal worden gecontinueerd. K. heeft erop mogen vertrouwen dat de Staat die toezegging zal nakomen. Uit de door de autoriteiten van de VS verstrekte garantie, zoals vermeld in de brief van 13 maart 2013 en aangevuld op 14 maart 2013, blijkt echter dat K. geen EMDR-behandeling zal worden aangeboden na zijn uitlevering. Daar komt bij dat de door de autoriteiten van de VS aangeboden behandeling (CBT) niet als gelijkwaardig aan een EMDR-behandeling kan worden aangemerkt en de autoriteiten van de VS zich het recht voorbehouden om de behandeling na evaluatie te staken. Voorts is van belang dat verschillende deskundigen hebben aangegeven dat (voorzetting van) de EMDR-behandeling noodzakelijk is. Op grond van een en ander handelt de Staat onrechtmatig indien K. thans wordt uitgeleverd aan de VS.

2.3. De Staat heeft de vorderingen van K. gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. K. legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door bij de huidige stand van zaken over te gaan tot zijn uitlevering aan de VS. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit (spoedeisende) geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van die vorderingen gegeven.

3.2. Met het oog op de mogelijke uitlevering van K. aan de VS heeft Van Marle in het briefrapport van 19 december 2012 de Minister geadviseerd om - overeenkomstig de aan dat rapport ten grondslag liggende rapportages van Van Giessen en Offermans - in geval van uitlevering van K. bij de VS voldoende garanties te verlangen op grond waarvan de voortzetting van de behandelingen die K. ondergaat zeker is gesteld. Uit de overige inhoud van het briefrapport volgt dat Van Marle in dat verband in het bijzonder het oog heeft op de EMDR-behandeling, hetgeen de Staat op de zitting ook heeft erkend. In zijn beschikking van 20 december 2012, waarbij de uitlevering van K. aan de VS is toegestaan, geeft de Minister, zonder enig voorbehoud, aan dat hij dat advies van Van Marle opvolgt. Daarmee werd K. dus gegarandeerd dat (ook) de door hem ondergane EMDR-behandeling, waarvan de effectiviteit als onweersproken vaststaat, zal worden voortgezet, althans hervat na zijn uitlevering. Bezien in het licht van het voorgaande doet daaraan niet af dat de Minister in de beschikking spreekt van een "benodigde behandeling". Te minder nu de Staat tijdens de mondeling behandeling heeft erkend dat de Minister daarmee (ook) doelde op voortzetting van de EMDR-behandeling. Daar komt bij dat de Staat voormelde - onvoorwaardelijke - garantie uitdrukkelijk heeft herhaald tijdens de behandeling van het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 26 februari 2013. De Staat heeft toen in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven dat niet tot uitlevering zal worden overgegaan indien K. in de VS geen EMDR-behandeling zal (kunnen) worden aangeboden. De voorzieningenrechter heeft die stelling ook nadrukkelijk meegewogen in zijn op 26 februari 2013 uitgesproken beslissing.

3.3. De Staat is jegens K. gehouden die onvoorwaardelijke garantie na te komen. In ieder geval mag K. ervan uitgaan dat de Minister die toezegging zal nakomen, zoals ook al overwogen in het vonnis van 26 februari 2013 (onder 3.20). De stelling van de Staat dat de Minister bij het doen van die toezegging ten onrechte ervan uitging dat K. de EMDR-behandeling nog steeds onderging, omdat hij er niet van op de hoogte was dat die behandeling reeds op 3 december 2012 was gestopt en nadien niet meer is hervat, doet - wat daar verder ook van zij - aan het voorgaande niet af. In de gegeven omstandigheden komt het immers voor risico van de Staat indien hij in een onjuiste veronderstelling verkeerde, te meer nu de beslissing om de EMDR-behandeling te stoppen eenzijdig is genomen door de Staat, althans door een instantie c.q. personen waarvoor de Staat in zijn rechtsverhouding tot K. verantwoordelijk is. Daar komt bij dat K. de EMDR-behandeling op 12 februari 2013, toen de Staat de toezegging bij de behandeling van het eerste kort geding herhaalde, al ruim twee maanden niet meer onderging. Aangenomen moet worden dat de Staat daarvan toen in ieder geval op de hoogte was, althans had behoren te zijn. Het past de Staat niet om kort daarna in de onderhavige procedure op die toezegging terug te komen, kennelijk omdat de autoriteiten van de VS (thans) niet bereid zijn toe te zeggen dat de EMDR-behandeling zal worden gecontinueerd. Verder is van belang dat verschillende deskundigen, in het bijzonder Van Seggelen, Van Giessen en Offermans, expliciet hebben aangegeven dat het belang van K. is gediend bij voortzetting van de EMDR-behandeling. In feite huldigt enkel Van Marle, die K. niet persoonlijk heeft onderzocht, de - van zijn briefrapport afwijkende - opvatting dat ook kan worden volstaan met de door de autoriteiten van de VS aangeboden CBT-behandeling.

3.4. Blijkens de brief van 13 maart 2013, inclusief aanvulling daarop van 14 maart 2013, zullen de autoriteiten van de VS K. na uitlevering geen EMDR-behandeling aanbieden, maar in plaats daarvan een CBT-behandeling. Daarmee is niet voldaan aan de toezegging/garantie die aan K. is gedaan/gegeven.

3.5. Bij die stand van zaken zou de Staat onrechtmatig handelen jegens K. door thans over te gaan tot diens uitlevering aan de VS. Daarmee zou immers voormelde - onvoorwaardelijke - toezegging worden geschonden, hetgeen niet toelaatbaar is. Dit klemt te meer nu K. - onderbouwd met bescheiden en onweersproken - heeft aangevoerd dat in de VS ruimschoots gelegenheid bestaat voor het ondergaan van een EMDR-behandeling. Nu de toezegging expliciet betrekking heeft op een EMDR-behandeling, kan aan het vorenstaande in beginsel niet afdoen dat een CBT-behandeling daarvan een equivalent zou zijn, zoals de Staat stelt. Overigens kan in het (beperkte) bestek van de onderhavige procedure in de concrete situatie van K. niet worden aangenomen dat beide behandelingen aan elkaar gelijk zijn te stellen, nu Van Seggelen, Van Giessen en Offermans - in de onder 1.19 tot en met 1.21 vermelde stukken - gemotiveerd aangeven dat tussen beide behandelvormen wezenlijke verschillen bestaan en dat er zelfs contra-indicaties aanwezig zijn om K. een CBT-behandeling te laten ondergaan. Ook uit de door de Staat overgelegde beslissing van het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Amsterdam in een andere kwestie (prod. 11) volgt dat er verschil bestaat tussen beide behandelingen. Die beslissing vermeldt immers: "EMDR als meest moderne behandeling voor PTSS is niet aanwezig maar de behandeling die tot voor kort "state of the art" was, namelijk cognitieve gedragstherapie wel". Voorts is in dit verband van belang dat Van Seggelen aangeeft dat de indicatie voor voorzetting van de EMDR-behandeling ten aanzien van K. onverkort aanwezig is, ook al heeft die behandeling enige maanden stilgelegen. Gelet hierop en op het vorenoverwogene, kan er niet van worden uitgegaan dat - nu de EMDR-behandeling enkele maanden heeft stilgelegen - zonder meer en dus zonder negatieve gevolgen voor K. kan worden overgestapt op een andere behandelvorm (CBT), zoals de Staat heeft aangevoerd.

3.6. De slotsom is dat de subsidiaire vordering van K. zal worden toegewezen zoals hieronder vermeld. Daarbij moet nog wel de kanttekening worden geplaatst, dat zulks vanzelfsprekend anders kan komen te liggen indien een uitspraak van het EHRM, dan wel een arrest van het gerechtshof Den Haag in de onder 1.15 bedoelde appelprocedure meebrengt dat uitlevering aan de VS bij de huidige stand van zaken wel toelaatbaar is. De primaire vordering strekt te ver, nu niet kan worden uitgesloten dat zich op een gegeven moment wel een situatie zal voordoen, waarin uitlevering is toegestaan, bijvoorbeeld omdat de autoriteiten van de VS alsnog voldoen aan de vereiste garantie. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding ziet om de behandeling van de onderhavige zaak aan te houden, teneinde Van Marle te horen.

3.7. De Staat zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verbiedt de Staat om K. uit te leveren, zolang de VS niet garanderen dat K. vanaf het moment van aankomst in de VS een EMDR-behandeling zal krijgen;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten tot op dit vonnis in totaal begroot op

€ 1.497,84, waarvan:

a. € 1.405,-- te voldoen aan K. (€ 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht);

b. € 92,82 inclusief BTW, wegens explootkosten, aan de griffier van de rechtbank door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.580 ten name van MvVenJ. Arrondissement Den Haag 537, onder vermelding van 'proceskostenveroordeling' en het zaak- en rolnummer;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2013.