Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5948

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2013
Datum publicatie
29-03-2013
Zaaknummer
SGR 12/9486
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kindgebonden budget. Artikelen 8 en 14 EVRM.

Het koppelingsbeginsel vormt op zichzelf een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid tussen aanvragers om een kindgebonden budget die wel een verblijfsvergunning hebben en aanvragers die geen verblijfsvergunning hebben.

Op grond van de jurisprudentie kan onder zeer bijzondere omstandigheden in het concrete geval de weigering om een kindgebonden budget te verstrekken in strijd zijn met het verbod op het maken van een ongerechtvaardigd onderscheid.

Voor een zelfstandige beoordeling van het (niet rechtmatig) verblijf van vreemdelingen op basis waarvan het koppelingsbeginsel wel of niet kan worden toegepast, los van de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden, is in onderhavige procedure geen ruimte. Anders dan de door eiseres gestelde omstandigheden van het niet rechtmatig verblijf in Nederland, zijn zeer bijzondere omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012, LJN BW5328. Gesteld noch aannemelijk is dat het niet toekennen van een kindgebonden budget in het onderhavige geval leidt tot een humanitaire noodsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belasting

zaaknummer: SGR 12/9486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 13 juni 2012 de aanvraag van eiseres om toekenning van een kindgebonden budget afgewezen.

Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 augustus 2012 het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2013 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is de advocaat [B] verschenen. Namens verweerder is verschenen [C].

Overwegingen

1 Eiseres verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 15 mei 2008, tijdens het verblijf van eiseres in Nederland, is haar dochter geboren. De dochter van eiseres heeft niet de Nederlandse nationaliteit. Aan eiseres en haar dochter is geen verblijfvergunning verleend. Zij hadden op 15 juni 2011 geen rechtmatig verblijf in Nederland in verband met een lopende aanvraag om een verblijfsvergunning. Aan eiseres wordt voor haar dochter geen kinderbijslag betaald. De niet betaling van kinderbijslag houdt geen verband met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, en 7a van de Algemene kinderbijslagwet.

2. Bij brief van 15 juni 2011 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een kindgebonden budget. Na een door eiseres ingediende ingebrekestelling, met dagtekening 18 april 2012, heeft verweerder de aanvraag op 13 juni 2012 afgewezen op de grond dat artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget aan toekenning van een dergelijk budget aan eiseres in de weg staat.

3 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget, voor zover hier van belang, heeft de ouder aanspraak op een kindgebonden budget voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien de artikel 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van toepassing zouden zijn.

4 Tussen partijen is in geschil of de weigering van om eiseres een kindgebonden toe te kennen ongeoorloofde discriminatie oplevert in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met artikel 14 van EVRM. Voorts is in geschil of de weigering in overeenstemming is met de artikelen 3, 7 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), met de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest, en met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten.

5 De uitsluiting van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen van uitkeringen volgens de Nederlandse sociale verzekeringswetten (in dit geval artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet), ook wel aangeduid als het koppelingsbeginsel, is ook vastgelegd in artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000. In artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat van de uitsluiting kan worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan vreemdelingen.

8. Over de vraag of het koppelingsbeginsel zich verdraagt met het EVRM heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in zijn uitspraak van 23 november 2011, 201101838/1/H2, LJN: BU5435, het volgende overwogen:

“Volgens vaste rechtspraak van het EHRM, bijvoorbeeld in de uitspraak Moldovan and others vs Romania, arrest van 12 juli 2005, nrs. 41138/98 en 64320/01, www.echr.coe.int, is een ongelijke behandeling als bedoeld in artikel 14 van het EVRM gelezen in samenhang met artikel 8 van het EVRM ongerechtvaardigd, als daarmee geen legitiem doel wordt nagestreefd en er geen redelijke en objectieve rechtvaardiging is, dat wil zeggen als er geen “fair balance” is tussen de gebruikte middelen en het na te streven doel. De staten hebben een zekere “margin of appreciation” bij het bepalen of er in welke mate onderscheid in soortgelijke situaties is te rechtvaardigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 december 2010 in zaak nr. 200909234/1) vormt het koppelingsbeginsel op zichzelf een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid tussen aanvragers om een kindgebonden budget die wel een verblijfsvergunning hebben en aanvragers die geen verblijfsvergunning hebben. Dit onderscheid is bij wet voorzien en kan noodzakelijk worden geacht in het belang van de bescherming van het economisch welzijn van het land, nu de weigering strekt tot rechtmatige en gerechtvaardigde verlening van publieke middelen. De weigering om aan een ouder zonder verblijfstitel een kindgebonden budget te verstrekken is, mede gelet op de hoogte, het resultaat van “fair balance” tussen het algemeen belang bij de bescherming van het economisch welzijn van het land en het belang van die ouder.

Zoals de Afdeling evenzeer in deze uitspraak heeft overwogen kan onder zeer bijzondere omstandigheden in het concrete geval de weigering om een kindgebonden budget te verstrekken in strijd zijn met het verbod op het maken van een ongerechtvaardigd onderscheid. In dat geval moet de desbetreffende wettelijke bepaling, in dit geval artikel 2, eerste lid, van de Wkb <Wet op het kindgebonden budget>, buiten toepassing worden gelaten.”

9. Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres hetgeen door de AbRS in de in rechtsoverweging 8 aangehaalde uitspraak is overwogen betrokken en bezien of in het geval van eiseres sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan in het onderhavige geval zou moeten worden geoordeeld dat de weigering eiseres een kindgebonden budget toe te kennen een vorm van door het EVRM verboden onderscheid oplevert.

Namens eiseres is aangevoerd: “Daarmee past de belastingdienst de verkeerde toets toe. De toets ziet op ongerechtvaardigd onderscheid, een onderscheid dat het aan legitiem doel ontbreekt. Niet op bijzondere omstandigheden. Natuurlijk speelt de verblijfstitel een rol bij die toets. Maar desondanks kan soms het onderscheid op basis van nationaliteit geen stand houden, zoals in het geval van cliënten die niet uit Nederland kunnen vertrekken bij gebrek aan nationaliteit. Dan is het maar de vraag of het koppelingsbeginsel tegengeworpen kan worden.”

10 Anders dan eiseres stelt heeft verweerder geen onjuiste maatstaf aangelegd. Het door het hanteren van het koppelingsbeginsel gemaakte onderscheid tussen rechtmatig in Nederland verblijvende personen en niet rechtmatig in Nederland verblijvende personen is op zich zelf niet onrechtmatig.

In artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald onder welke omstandigheden sprake is van rechtmatig verblijf van vreemdelingen in Nederland. De bevoegdheid tot het verlenen van verblijfsvergunningen berust bij de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de weigering van een verblijfsvergunning kan ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.

Voor een zelfstandige beoordeling van het (niet rechtmatig) verblijf van vreemdelingen op basis waarvan het koppelingsbeginsel wel of niet kan worden toegepast, los van de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden, is in onderhavige procedure geen ruimte. De rechtbank wijst er op dat de Nederlandse regelgeving voorziet in verlening van een verblijfsvergunning in gevallen waarin sprake is van (aangetoonde) staatloosheid of (aangetoonde) onmogelijkheid Nederland te verlaten buiten de schuld van de vreemdeling. Verweerder is gebonden aan de kennelijk in rechte vaststaande weigering van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om eiseres in verband met deze omstandigheden een verblijfsvergunning te verlenen.

11. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat de staatloosheid van haar en haar dochter en de daarmee samenhangende onmogelijkheid Nederland te verlaten zeer bijzondere omstandigheden zijn, waardoor de weigering van het kindgebonden budget een ongeoorloofde discriminatie oplevert, overweegt de rechtbank het volgende. Nog los van de vraag of dergelijke verblijfsrechtelijke omstandigheden, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 10 is overwogen, in het onderhavige geval bij de beoordeling kunnen worden betrokken, heeft eiseres haar stelling dat zij staatloos is en buiten staat is Nederland te verlaten, niet (voldoende) onderbouwd. Anders dan de door eiseres gestelde omstandigheden van het niet rechtmatig verblijf in Nederland, zijn zeer bijzondere omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden.

12. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de uit het IVRK voortvloeiende verplichtingen niet zo ver gaan dat in Nederland verblijvende kinderen zonder rechtmatig verblijf in staat moeten worden gesteld om op te groeien op materieel de hier te lande voor kinderen met rechtmatig verblijf minimaal aanvaardbaar geachte standaard. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012, LJN BW5328. Gesteld noch aannemelijk is dat het niet toekennen van een kindgebonden budget in het onderhavige geval leidt tot een humanitaire noodsituatie.

13. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 februari 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.