Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5913

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
29-03-2013
Zaaknummer
AWB 12/13658, 12/13655, 12/13654, 12/13649, 12/13646, 12/13652 & 12/28504
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning vanwege het verstrekken dan wel achterhouden van (onjuiste) gegevens. Beroep gegrond

Gelet op de aangehaalde jurisprudentie dient verweerder ten aanzien van eiser 6 aannemelijk te maken dat frauduleuze gegevens verstrekt zijn. Ten aanzien van eisers 1 tot en met 5 en eiseres dient verweerder aannemelijk te maken dat onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid.

Uit het wettelijk kader, alsmede de wetsgeschiedenis, blijkt voorts dat het in het geval van eisers 1 tot en met 5 en eiseres, waarin geen sprake is geweest van een aanvraag om verlenging, om gegevens dient te gaan die reeds in de (oorspronkelijke) aanvraagfase bestonden. Enkel die gegevens (onjuist dan wel achtergehouden) kunnen immers relevant zijn voor de beoordeling of het bekend zijn met die gegevens of de onjuistheid ervan tot afwijzing van de (oorspronkelijke) aanvragen zouden hebben geleid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser 1 bij zijn aanvraag onjuiste gegevens omtrent zijn identiteit heeft verstrekt. Daartoe is redengevend dat verweerder niet kan worden gevolgd in de in het bestreden besluit gebezigde motivering, dat uit het bij de huiszoeking aangetroffen Afghaanse paspoort blijkt dat de door eiser 1 bij zijn aanvraag opgegeven identiteit onjuist is. Eiser 1 heeft immers bij zienswijze een door Bureau Documenten echt en origineel bevonden Afghaans paspoort overgelegd. Daarbij komt dat de gemachtigde van verweerder desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat geen standpunt wordt ingenomen over - en ook geen verder onderzoek is gedaan naar - de vraag welke van de twee uit de authentiek bevonden paspoorten blijkende identiteiten van eiser de juiste is. Het standpunt van verweerders gemachtigde ter zitting dat door verweerder aan de op hem rustende bewijslast is voldaan omdat uit de verschillende paspoorten moet worden afgeleid dat in ieder geval één van de identiteiten onjuist is, kan evenmin worden gevolgd. Daarmee heeft verweerder immers niet aannemelijk gemaakt dat de door eiser 1 bij zijn aanvraag opgegeven identiteit onjuist is.

Het feit dat bij verweerder twijfel is ontstaan over de door eiser 1 bij zijn aanvraag opgegeven identiteit is evenzeer onvoldoende voor het oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de bij zijn aanvraag door eiser 1 opgegeven identiteitsgegevens onjuist zijn.

De rechtbank volgt verweerder voorts niet in zijn standpunt dat aannemelijk is gemaakt dat eiser 1 gegevens heeft achtergehouden in de aanvraagfase omtrent zijn identiteit, omdat door eiser 1 ten tijde van zijn aanvraag reeds twee identiteiten werden gevoerd. Het hiervoor onder rechtsoverweging 1 genoemde Afghaanse paspoort is op 30 september 2009 afgegeven door het Afghaanse consulaat te ’s-Gravenhage. Uit het dossier kan niet worden afgeleid, noch is anderszins gebleken dat eiser 1 vóór de afgifte van dit paspoort deze identiteit reeds heeft gevoerd. De stelling van verweerders gemachtigde ter zitting dat uit de geboortedatum op het Afghaanse paspoort blijkt dat eiser 1 die identiteit vanaf zijn geboorte en dus ook in de aanvraagfase heeft gevoerd, volgt de rechtbank niet.

Gezien het vorenstaande kan verweerder zonder nadere motivering niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij voldaan heeft aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser 1 in de aanvraagfase onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning zouden hebben geleid. Nu verweerder de besluiten tot intrekking van de verblijfsvergunningen van eiseres, eiser 2 en eiser 6 volledig heeft gebaseerd op het besluit van eiser 1, kunnen deze besluiten, onder verwijzing naar het vorenstaande, evenmin in stand blijven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 13658 (eiser 1)

AWB 12 / 13655 (eiseres)

AWB 12 / 13654 (eiser 2)

AWB 12 / 13649 (eiser 3)

AWB 12 / 13646 (eiser 4)

AWB 12 / 13652 (eiser 5)

AWB 12 / 28504 (eiser 6)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 januari 2013 in de zaak tussen

[naam eiser 1],

geboren op [geboortedatum],

eiser 1,

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], mede namens haar drie minderjarige kinderen [naam kind 1], geboren op [geboortedatum], [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] en [naam kind 3], geboren op [geboortedatum],

eiseres,

[naam eiser 2],

geboren op [geboortedatum],

eiser 2,

[naam eiser 3],

geboren op [geboortedatum],

eiser 3,

[naam eiser 4],

geboren op [geboortedatum],

eiser 4,

[naam eiser 5],

geboren op [geboortedatum],

eiser 5,

[naam eiser 6],

geboren op [geboortedatum],

eiser 6,

allen van Afghaanse nationaliteit,

samen te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluiten van 30 maart 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd van eiser 1 tot en met 5 en eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de eerstverleende vergunning.

Bij besluit van 30 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van eiser 6 ingetrokken met terugwerkende kracht tot de datum waarop aan hem een eerste verblijfsvergunning is verleend.

Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroepschrift van eiser 6 op 19 juni 2012 aan verweerder doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.

Bij besluit van 17 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser 6 ongegrond verklaard.

Eiser 6 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 7 december 2012 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 11 december 2012 heeft verweerder dit verweerschrift aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Het onderzoek ter zitting heeft, met toestemming van partijen, gezamenlijk plaatsgevonden met de behandeling van de zaken met nummers AWB 12/13920 en AWB 12/13921. Eisers 2 tot en met 6 en eiseres zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiser 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiser 1, eiseres en eiser 3, zijn bij besluit van 22 september 2000 toegelaten als vluchteling met ingang van 19 november 1999 tot 19 november 2002. Met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op 1 april 2001 zijn deze verblijfsvergunningen omgezet in verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd.

Eiser 2, 4 en 5 zijn bij besluit van 28 juni 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw. Bij besluiten van 27 augustus 2004 zijn eisers 2, 4 en 5 per 12 juni, respectievelijk 14 november 2003 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Aan eiser 6 is met ingang van [geboortedatum] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij ouders” verleend. Vervolgens is eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek heeft de regiopolitie Midden- en West-Brabant op [datum] 2010 het huis van eisers doorzocht. Tijdens deze huiszoeking zijn een aantal reis- en verblijfdocumenten aangetroffen. De Divisie Recherche Expertise, Bureau Identiteits- en documentfraude van de politie Midden- en West-Brabant heeft op 29 juli 2010 en de daarop volgende dagen de volgende aangetroffen documenten onderzocht:

1. een Nederlands vluchtelingenpaspoort op naam van eiser 1;

2. een Afghaans paspoort op naam gesteld van [naam A];

3. een Nederlands vluchtelingenpaspoort op naam gesteld van eiser 3;

4. een Afghaans paspoort op naam gesteld van [naam B];

5. een Nederlands verblijfdocument op naam gesteld van eiser 3;

6. een Nederlands rijbewijs op naam gesteld van eiser 3;

7. een Nederlands vluchtelingenpaspoort op naam van eiser 4;

8. een Afghaans paspoort op naam gesteld van [naam C];

9. een Nederlands vluchtelingenpaspoort op naam gesteld van eiser 5;

10. een Afghaans paspoort op naam gesteld van [naam D];

11. een Nederlands vluchtelingenpaspoort op naam gesteld van [naam E];

12. een Nederlands vluchtelingenpaspoort op naam gesteld van eiser 2;

13. een Nederlands vluchtelingenpaspoort op naam gesteld van eiseres;

14. een Nederlands verblijfdocument op naam gesteld van [naam kind 1];

15. een Nederlands verblijfdocument op naam gesteld van [naam kind 2];

16. een Nederlands verblijfdocument op naam gesteld van [naam kind 3].

In het proces-verbaal van 18 augustus 2010 (#) wordt, gelet op de bevindingen van het onderzoek, gesteld dat:

- alle onderzochte documenten echte documenten waren;

- er zeer veel steun voor de hypothese bestond dat de persoon op de afbeelding in het document waarmerk 1 en 2 één en dezelfde persoon betrof;

- er zeer veel steun voor de hypothese bestond dat de persoon op de afbeelding in het document waarmerk 3, 4, 5 en 6 één en dezelfde persoon betrof;

- er zeer veel steun voor de hypothese bestond dat de persoon op de afbeelding in het document waarmerk 7 en 8 één en dezelfde persoon betrof;

- er zeer veel steun voor de hypothese bestond dat de persoon op de afbeelding in het document waarmerk 9 en 10 één en dezelfde persoon betrof.

2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser 1 tot en met 5 en eiseres ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, Vw omdat eisers onjuiste gegevens hebben verstrekt dan wel gegevens hebben achtergehouden.

2.1 In het voornemen van eiser 1 heeft verweerder het volgende standpunt ingenomen. Tijdens de huiszoeking op [datum] 2010 zijn een aantal documenten gevonden. Hierbij is ook een Afghaans paspoort gevonden op naam van [naam A], geboren op [geboortedatum] te Kabul. Uit het proces-verbaal van 18 augustus 2010 blijkt dat dit een origineel document betreft en dat met de hoogste gradatie van zekerheid is vastgesteld dat eiser 1 dezelfde persoon is als op dit paspoort. Tijdens zijn asielaanvraag heeft eiser 1 zich bediend van de identiteit: [naam eiser 1], geboren [geboortedatum] te Jakatut. Gelet hierop wordt vastgesteld dat eiser 1 ten tijde van zijn aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden ten aanzien van zijn identiteit, met de bedoeling in een gunstiger positie te komen. Bekendheid met die gegevens zou tot afwijzing van de aanvraag hebben geleid. In dat geval zou geen geloof zijn gehecht aan zijn identiteit en daarmee niet aan zijn asielrelaas nu niet bekend is wie eiser 1 is.

In het bestreden besluit van eiser 1 heeft verweerder het volgende standpunt ingenomen. Eiser 1 heeft na het voornemen, op 22 november 2010, een Afghaans paspoort overgelegd op naam van [naam eiser 1], geboren op [geboortedatum] te Jakatut. Dit document is door Bureau Documenten op 29 november 2010 als origineel en echt aangemerkt. Hiermee zijn aan eiser 1 thans twee identiteiten gekoppeld. Hiermee heeft eiser 1 nog meer onduidelijkheid geschapen over wie hij nu is. Het bewijs, gebaseerd op het bij de huiszoeking gevonden Afghaanse paspoort, dat eiser 1 [naam A] is, wordt niet weerlegd met het overgelegde Afghaanse paspoort op naam van [naam eiser 1].

In het bestreden besluit en het daarin herhaalde en ingelaste voornemen heeft verweerder voorts het standpunt ingenomen dat geen aanleiding bestaat de intrekking achterwege te laten. De door eiser 1 in dat verband overgelegde documenten en gegeven verklaringen zijn daarvoor onvoldoende. Omdat de identiteit van eiser 1 niet vaststaat, bestaat evenmin aanleiding om zijn medische situatie te laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering (BMA) nu dit gelet op het vorenstaande niet kan leiden tot een verblijfsvergunning op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerders gemachtigde het standpunt, samengevat, als volgt toegelicht. Uit de verschillende hiervoor genoemde paspoorten komt naar voren dat eiser 1 meerdere identiteiten voert. Nu een persoon niet kan bestaan onder twee identiteiten, is één van deze twee identiteiten onjuist, waardoor twijfel is ontstaan over de door eiser 1 bij zijn aanvraag opgegeven identiteit. Omdat in het Afghaanse paspoort op naam van [naam A] de geboortedatum [geboortedatum] staat vermeld, is voorts aannemelijk dat eiser 1 deze identiteit reeds vanaf zijn geboorte heeft gevoerd. Dat heeft eiser 1 niet gemeld in de aanvraagfase. Eiser 1 heeft bij zijn aanvraag derhalve onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid.

2.2 In de voornemens en besluiten ten aanzien van eiseres en eiser 2 heeft verweerder de overwegingen opgenomen in het besluit ten aanzien van eiser 1 herhaald en ingelast. Nu geen geloof meer wordt gehecht aan de identiteit van eiser 1, wordt evenmin geloof gehecht aan de identiteit van eiseres en eiser 2. Dat eiseres na het voornemen, op 22 november 2010, een Afghaans paspoort heeft overgelegd op de naam zoals opgegeven tijdens haar asielaanvraag, welk paspoort door Bureau Documenten op 29 november 2010 als origineel en echt is aangemerkt, maakt het voorgaande niet anders. Eiseres is gehuwd met en blijft de achternaam voeren van een persoon die twee identiteiten blijkt te bezitten, waardoor aan haar identiteit geen waarde wordt gehecht. Er bestaat geen aanleiding de intrekking van de verblijfsvergunningen achterwege te laten. Dat eiseres verwesterd is, maakt dit niet anders nu niet is gebleken dat zij zich bij terugkeer niet zal kunnen aanpassen.

2.3 Aan de voornemens en besluiten ten aanzien van eiser 3, 4 en 5 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers 3, 4 en 5 tijdens hun asielaanvragen hebben verklaard, dan wel dat voor hen is verklaard, dat de identiteit van eiser 3 is [naam eiser 3], geboren op [geboortedatum], van eiser 4 is [naam eiser 4], geboren op [geboortedatum] en van eiser 5 is [naam eiser 5], geboren op [geboortedatum]. Gelet op het proces-verbaal van 18 augustus 2010 van de politie Midden- en West-Brabant, zoals hiervoor opgenomen, hebben eiser 3, 4 en 5 daarnaast gebruik gemaakt van een andere identiteit, te weten respectievelijk [naam B], geboren op [geboortedatum], [naam C], geboren [geboortedatum] en [naam D], geboren [geboortedatum]. Gelet hierop kan geen geloof meer worden gehecht aan de bij de aanvraag opgegeven identiteiten van eiser 3, 4 en 5. Eiser 3, 4 en 5 hebben gelet hierop onjuiste gegevens verstrekt dan wel gegevens achtergehouden, teneinde in een gunstiger positie te geraken, terwijl dit bij bekendheid tot afwijzing van de aanvragen zou hebben geleid. Daarnaast heeft verweerder de overwegingen opgenomen in het besluit ten aanzien van eiser 1 herhaald en ingelast. Nu geen geloof meer wordt gehecht aan de identiteit van eiser 1 wordt evenmin geloof gehecht aan de identiteiten van eiser 3, 4 en 5. Benadrukt wordt dat ten aanzien van eiser 3, 4 en 5 enkel een Afghaans paspoort aanwezig is op naam van respectievelijk [naam B], [naam C] en [naam D]. Er bestaat geen aanleiding de intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten.

2.4 Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser 6 ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, omdat de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen. Nu aan de identiteit van eisers ouders geen waarde kan worden gehecht, staat de identiteit van eiser evenmin vast. Het is niet van belang dat eiser 6 in dit kader zelf geen gegevens heeft verstrekt. Er bestaat geen aanleiding de intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten.

3. Eisers hebben allen verwezen naar de beroepsgronden die ten aanzien van eiser 1 zijn aangevoerd en verzocht deze in hun beroepsgronden te herhalen en in te lassen. Namens eisers is aldus in de eerste plaats, onder verwijzing naar de zienswijze, aangevoerd dat verweerder hen ten onrechte heeft tegengeworpen dat onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden, nu op geen enkele wijze is gebleken dat de door eisers bij hun asielaanvragen verstrekte familienaam, [familienaam], onjuist zou zijn. Het enkele feit dat er ten aanzien van eiser 1, 3, 4 en 5 paspoorten met andere namen zijn aangetroffen, biedt daarvoor onvoldoende grond. Deze paspoorten zijn geregeld in een onhandige poging om te ontkomen aan de nadelige gevolgen van het feit dat de familienaam[familienaam] door allerlei omstandigheden slecht bekend stond en zijn gebaseerd op fictieve gegevens.

3.1 De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat tussen partijen niet in geschil is dat uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van de politie Midden- en West-Brabant van 18 augustus 2010 blijkt dat ten aanzien van eiser 1, 3, 4 en 5 originele identiteitsdocumenten zijn afgegeven door de Nederlandse autoriteiten en dat de daarin opgenomen identiteitsgegevens verschillen van de gegevens zoals deze zijn opgenomen in de in het proces-verbaal genoemde Afghaanse paspoorten van eiser 1, 3, 4 en 5.

3.2 Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, worden ingetrokken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

3.2.1 In paragraaf C5/2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat, voor zover van belang, het volgende. Met de intrekking of niet-verlenging van de vergunning wordt nadrukkelijk niet beoogd enig leed toe te voegen. Zij is louter van reparatoire en niet van punitieve aard. Met de intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat er bij de verlening of verlenging onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden, wordt dus slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. Indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens niet bekend zijn, wordt geoordeeld op grond van de overige wel bekende en geloofwaardige gegevens.

Het is niet vereist dat de vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling, of diens persoonlijke betrokkenheid in welke vorm dan ook, is evenmin vereist. Dergelijke factoren zijn immers niet relevant voor de vraag welke beslissing rechtens de juiste zou zijn geweest indien er geen onjuiste gegevens waren verstrekt en derhalve evenmin voor de vraag of de bestaande situatie moet worden gecorrigeerd door intrekking van de ten onrechte verleende vergunning. Het gaat er bij de intrekking of niet-verlenging uitsluitend om dat de situatie wordt hersteld naar de situatie zoals die had behoren te zijn.

Onder het verstrekken van onjuiste gegevens wordt mede verstaan het overleggen van valse documenten als waren zij echt en onvervalst, voorzover die (mede) aanleiding hebben gegeven tot het nemen van een inwilligende beslissing. Indien op grond van dit feit wordt overgegaan tot strafrechtelijke vervolging kan het overleggen van valse documenten ook op grond van de openbare orde leiden tot weigering of intrekking van de vergunning.

Het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel achterhouden van gegevens kan voorts op velerlei manieren voorkomen. Voorbeelden zijn onder meer:

a. het verzwijgen van eerder verblijf en eerdere aanvragen in andere Europese landen;

b. het afleggen van verklaringen die later onjuist blijken te zijn, terwijl deze aanleiding zijn geweest voor inwilliging;

c. het verzwijgen van strafrechtelijke gegevens (bijvoorbeeld buitenlandse strafvonnissen), terwijl deze tot afwijzing zouden hebben geleid;

d. het achterhouden van een paspoort bijvoorbeeld teneinde de legale uitreis of de afgiftedatum verborgen te houden en op grond hiervan aanleiding zou hebben bestaan om af te wijzen;

e. het verzwijgen van activiteiten die vallen onder artikel 1F Vluchtelingenverdrag (zie: C4/3.11.3).

3.2.2 In paragraaf C8/2 Vc is het volgende opgenomen. Op grond van artikel 35, eerste lid, onder a, Vw kan de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd worden ingetrokken als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid.

C5/2 is van overeenkomstige toepassing.

3.2.3 In de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p 26) is met betrekking tot tot onjuiste gegevens - voor zover thans van belang - het volgende opgenomen.

Op verschillende wijzen kunnen door vreemdelingen bij de onderbouwing van aanvragen om een verblijfsvergunning onjuiste gegevens worden verstrekt. In de praktijk komt dat ook met een zekere regelmaat voor. Daarbij valt onder meer te denken aan AMA’s, die bij nader onderzoek meerderjarig blijken te zijn en derhalve niet in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning, of aan opgegeven identiteiten of nationaliteiten die naderhand onjuist blijken te zijn zodat de vergunning ten onrechte is verleend, of aan overgelegde documenten die bij nader onderzoek vals blijken te zijn, of aan verklaringen over uiteenlopende relevante onderwerpen die naderhand onjuist blijken te zijn.

3.3 Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 Vw, worden ingetrokken, indien de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen.

3.3.1 In paragraaf B1/8.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat het volgende. Het begrip frauduleuze verkrijging is minder ruim dan het begrip “onjuiste gegevens”, zoals dit als afwijzingsgrond voor de vergunning voor onbepaalde tijd geldt. Voor het aannemen van frauduleuze verkrijging is als regel opzet vereist. Hierbij is niet van belang of de gegevens door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt. Voor de afwijzing op grond van onjuiste gegevens is niet relevant of de gegevens al dan niet opzettelijk zijn verstrekt of achter gehouden en evenmin of die door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt.

3.4 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie onder meer de uitspraken van 16 december 2004, LJN: BA3398 en 13 april 2012, LJN: BW4295) ligt het, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, Vw op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als door verweerder aan deze bewijslast is voldaan, dan is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen. Uit genoemde uitspraak van 16 december 2004 blijkt voorts dat voormeld toetsingskader inhoudt dat verweerder aannemelijk dient te maken dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden en derhalve niet dat onomstotelijk dient vast te staan dat sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens. Het betoog van eisers dat de op verweerder rustende bewijslast inhoudt dat verweerder aantoont dat sprake is van onjuiste gegevens, dan wel het achterhouden van gegevens, slaagt gelet op het voorgaande niet.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt voor de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op de voet van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, Vw evenzeer het toetsingkader dat het op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Verweerder dient alsdan aannemelijk te maken dat de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen.

3.4.1 Gelet op voornoemde jurisprudentie dient verweerder ten aanzien van eiser 6 aannemelijk te maken dat frauduleuze gegevens verstrekt zijn. Ten aanzien van eisers 1 tot en met 5 en eiseres dient verweerder aannemelijk te maken dat onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid.

Uit het wettelijk kader, alsmede de wetsgeschiedenis, blijkt voorts dat het in het geval van eisers 1 tot en met 5 en eiseres, waarin geen sprake is geweest van een aanvraag om verlenging, om gegevens dient te gaan die reeds in de (oorspronkelijke) aanvraagfase bestonden. Enkel die gegevens (onjuist dan wel achtergehouden) kunnen immers relevant zijn voor de beoordeling of het bekend zijn met die gegevens of de onjuistheid ervan tot afwijzing van de (oorspronkelijke) aanvragen zouden hebben geleid.

In het geval van eiser 1 dient verweerder derhalve aannemelijk te maken dat de door hem bij zijn aanvraag opgegeven identiteit, te weten [naam eiser 1], geboren op [geboortedatum] te Jakatut, onjuist is, dan wel dat eiser over zijn identiteit gegevens heeft achtergehouden, terwijl de gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.

3.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser 1 bij zijn aanvraag onjuiste gegevens omtrent zijn identiteit heeft verstrekt. Daartoe is redengevend dat verweerder niet kan worden gevolgd in de in het bestreden besluit gebezigde motivering, dat uit het bij de huiszoeking aangetroffen Afghaanse paspoort op naam van [naam A] blijkt dat de door eiser 1 bij zijn aanvraag opgegeven identiteit [naam eiser 1] onjuist is. Eiser 1 heeft immers bij zienswijze een door Bureau Documenten echt en origineel bevonden Afghaans paspoort overgelegd op de naam [naam eiser 1]. Daarbij komt dat de gemachtigde van verweerder desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat geen standpunt wordt ingenomen over - en ook geen verder onderzoek is gedaan naar - de vraag welke van de twee uit de authentiek bevonden paspoorten blijkende identiteiten van eiser de juiste is.

Het standpunt van verweerders gemachtigde ter zitting dat door verweerder aan de op hem rustende bewijslast is voldaan omdat uit de verschillende paspoorten moet worden afgeleid dat in ieder geval één van de identiteiten, [naam eiser 1], dan wel [naam A], onjuist is, kan evenmin worden gevolgd. Daarmee heeft verweerder immers niet aannemelijk gemaakt dat de door eiser 1 bij zijn aanvraag opgegeven identiteit, [naam eiser 1], onjuist is.

Het feit dat bij verweerder twijfel is ontstaan over de door eiser 1 bij zijn aanvraag opgegeven identiteit is evenzeer onvoldoende voor het oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de bij zijn aanvraag door eiser 1 opgegeven identiteitsgegevens onjuist zijn.

3.5.1 De rechtbank volgt verweerder voorts niet in zijn standpunt dat aannemelijk is gemaakt dat eiser 1 gegevens heeft achtergehouden in de aanvraagfase omtrent zijn identiteit, omdat door eiser 1 ten tijde van zijn aanvraag reeds twee identiteiten werden gevoerd. Het hiervoor onder rechtsoverweging 1 genoemde Afghaanse paspoort op de naam [naam A] is op 30 september 2009 afgegeven door het Afghaanse consulaat te ’s-Gravenhage. Uit het dossier kan niet worden afgeleid, noch is anderszins gebleken dat eiser 1 vóór de afgifte van dit paspoort de identiteit [naam A] reeds heeft gevoerd. De stelling van verweerders gemachtigde ter zitting dat uit de geboortedatum op het Afghaanse paspoort op de naam [naam A] blijkt dat eiser 1 die identiteit vanaf zijn geboorte en dus ook in de aanvraagfase heeft gevoerd, volgt de rechtbank niet.

3.6 Gezien het vorenstaande kan verweerder zonder nadere motivering niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij voldaan heeft aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser 1 in de aanvraagfase onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning zouden hebben geleid. Verweerder heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de intrekkingsgrond, zoals neergelegd in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, zich voordoet, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser 1 een deugdelijke motivering ontbeert. De beroepsgrond slaagt. Het besluit ten aanzien van eiser 1 zal daarom worden vernietigd.

3.6.1 Nu verweerder de besluiten tot intrekking van de verblijfsvergunningen van eiseres, eiser 2 en eiser 6 volledig heeft gebaseerd op het besluit van eiser 1, kunnen deze besluiten, onder verwijzing naar het vorenstaande, evenmin in stand blijven. Ten aanzien van de in het besluit van eiser 6 gehanteerde intrekkingsgrond overweegt de rechtbank daarnaast dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat sprake is van opzet, zoals op grond van het hiervoor weergegeven beleid neergelegd in B1/8.2 Vc is vereist. Het besluit van eiser 6 komt ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

3.6.2 Voor zover verweerder de besluiten tot intrekking van de verblijfsvergunningen van eiser 3, 4 en 5 heeft gebaseerd op het besluit van eiser 1 kunnen deze besluiten gelet op vorenstaande evenmin in stand blijven. Dat bij de huiszoeking ook ten aanzien van eiser 3, 4 en 5 Afghaanse paspoorten zijn aangetroffen op andere namen, dan eiser 3, 4 en 5 bij hun aanvraag hebben opgegeven en dat zij in de zienswijze geen Afghaanse paspoorten op de familienaam Moradi hebben overgelegd, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van eisers 3, 4 en 5 sprake is van het in de aanvraagfase verstrekt zijn van onjuiste, dan wel van het achterhouden van gegevens. Niet in geschil is immers dat eiser 3, 4 en 5 de biologische zonen van eiser 1 zijn. In dit verband wijst de rechtbank voorts op de DNA-onderzoeken die verweerder naar aanleiding van de asielaanvragen ten behoeve van, onder meer, eiser 3, 4 en 5, heeft verricht en waaruit blijkt dat met 99,99 %, derhalve met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, kan worden gezegd dat eiser 3, 4 en 5 de biologische zonen van eiser 1 en eiseres zijn.

4. Aan de beoordeling van de beroepsgronden ter zake van de vraag of eisers met de door hen overgelegde documenten en de door hen afgelegde verklaringen het door verweerder geleverde bewijs, dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt dan wel gegevens hebben achtergehouden, hebben weerlegd, wordt gezien het hiervoor weergegeven toetsingskader in rechtsoverweging 3.4 niet toegekomen.

5. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren. De bestreden besluiten ten aanzien van eiser 1 tot en met 5 en eiseres zijn in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het bestreden besluit van eiser 6 is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb.

6. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Omdat hetgeen is overwogen ten aanzien van het bestreden besluit ten aanzien van eiser 6 evenzeer geldt voor het primaire besluit ten aanzien van eiser 6, zal de rechtbank dit besluit herroepen.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (vanwege de samenhang van de zaken 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept het besluit van 30 maart 2012 ten aanzien van eiser 6;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzitter, en mrs. S.W.S. Kiliç en S. Kleij, rechters in aanwezigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24januari 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.